Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JULES BARA (1835-1900)

Tournai / Doornik

In een Doorniks doktersgezin wordt op 23 augustus 1835 Jules Bara geboren. Hij is niet het enige kind, want het gezin is kroostrijk en zelfs voor een arts betekent dat de eindjes wat aan elkaar knopen. Jules doorloopt het Doornikse atheneum en schrijft zich dan in aan de Université libre de Bruxelles (ULB), waar hij in 1857 het diploma van doctor in de Rechten behaald. Na verdediging van zijn proefschrift “Les rapports de l’État et des religions du point de vue constitutionel” (De verhouding tussen de Staat en de godsdiensten vanuit grondwettelijk gezichtspunt bekeken) krijgt hij in 1859 ook de doctorstitel, hij mag zich voortaan dus ‘meester in de Rechten’ noemen. Over het onderwerp van dat proefschrift zal Jules zich een groot deel van zijn leven blijven bekommeren. In 1860, het jaar na zijn promovatie, wordt hij al hoogleraar aan de ULB en bekleedt Bara een aanzienlijke plaats aan de Brusselse balie.


Jules’ naam ontgaat de Doornikse liberalen niet, zij laten hem opkomen als kandidaat voor de wetgevende verkiezingen van 1862. Daardoor wordt Jules Bara op zijn 27ste volksvertegenwoordiger en hij zal dat blijven totdat hij in 1894 senator wordt. In die periode is Bara tweemaal minister van Justitie, de eerste keer van 1865 tot 1870, dan nog eens van 1878 tot 1884. Tijdens zijn eerste termijn als minister is Jules Bara erg actief op het gebied van voorstellen tot hervorming van het recht. Hij dient een nieuw strafwetboek in, een nieuw militair strafwetboek en ook nog enkele nieuwe hoofdstukken voor het wetboek van Koophandel. Daarnaast is hij doende met de reorganisatie van het gerechtelijk apparaat. Maar veel zoden zetten al die activiteiten niet aan de dijk, want de conservatieve Senaat blokkeert zijn hervormingsvoorstellen keer op keer.

Op 28 november 1866 stelt Jules Bara een wetsontwerp voor dat de gijzeling afschaft, maar ook daar vezet de Senaat zich met klem tegen. Ook als voorvechter van de afschaffing van de doodstraf kan hij zijn inzichten niet doen triomferen, maar hij heeft toch de voldoening dat hij het wettelijk recht op gratie kan realiseren.


Na de overwinning van de liberalen bij de verkiezingen van 1878 maakt Jules Bara uiteraard opnieuw deel uit van het kabinet en wordt de portefeuille van Justitie hem opnieuw toevertrouwd. Zes jaar lang voert Jules dan oorlog met de speldenprikken van de clerus. Hij houdt zich bezig met een belangrijk regeringsdossier, de hervorming van het onderwijs. Sinds lang tegenstander van de wet van 1842 steunt hij de pogingen van Frère-Orban en Pierre Van Humbeeck om de invloed van de Kerk op het onderwijs af te remmen. Hij legt met name het wetsontwerp neer op de parlementaire enquêtes, waardoor een enquête over het onderwijs in 1880 wordt toegelaten.

Zoals bij al zijn juridische werk, doet hij een beroep op professor Laurent en vraagt hem het burgerlijk wetboek te herzien. In 1883 slaagt Bara erin om het arbeidsboekje van de werkmensen niet langer verplicht te maken. Hij vond die verplichting een teken van juridische minderwaardigheid van de arbeiders. Dat verplichte boekje was tijdens de Franse periode ingevoerd door de wet van 22 germinal – 2 floréal van het jaar XI. Die wet “met betrekking tot de manufacturen, fabrieken en werkplaatsen” hield onder meer een aantal regels in betreffende de verplichtingen tussen arbeiders en degene die hen tewerk stelde. De bedoeling van die werkboekjes was om de patroons een middel te verschaffen om zich te beschermen tegen arbeiders die hun werk zouden verlaten zonder al hun verplichtingen te zijn nagekomen.


Jules Bara wil de onafhankelijkheid van de Staat en van de wetgevende macht verzekeren tegenover de invloed van de geloofsgemeenschappen en meer in het bijzonder de rooms-katholieke Kerk. Daarbij is het onderwijs de voornaamste inzet, waarbij Bara de niet-confessioneel gebonden school verdedigt. Daarnaast staat hij ook voor niet-gelovingen op de bres in de zorg voor een waardige begrafenis, waarbij hij allerwege de materiële positie van de Kerk tracht in te dammen. Begrijpelijk dat de katholieke instanties weinig ophebben met Bara en de pers uit die periode reflecteert de hevigheid van die politieke strijd, die België in grote beroering brengt.


Dan komt 1884, ‘het verschrikkelijke jaar voor het liberalisme’. De val van de regering wordt veroorzaakt door de reacties op de Wet Van Humbeeck op het lager onderwijs, waarbij de liberalen dat uit de klerikale sfeer willen halen. Op dat moment loopt de ministeriële carrière van Bara ten einde.

Koning Leopold II benoemd hem op 8 juni 1884 tot minister van Staat  Jules Bara verzet zich lang tegen de persoonlijke legerdienst en zijn liberale ideeën doen hem het onderbrengen in kazernes veroordelen. Hij is evenmin gewonnen voor de kolonisering van Congo.


In juni 1900 bereidt advocaat Jules Bara zich voor op het pleiten in een belangrijk dossier op het moment dat in Zuid-Afrika de Tweede Boerenoorlog woedt. Het gaat om een proces aangaande de spoorwegen van Transvaal, dat in Brussel zal voorkomen. Maar Jules zal het vonnis van 20 juni niet meer zelf vernemen, een hersenbloeding heeft hem getroffen en op 26 juni 1900 zal Bara daaraan overlijden.


In het Brusselse Justitiepaleis staat een borstbeeld van Jules Bara. Zijn geboortestad Doornik richt een standbeeld voor hun liberale zoon op en in september 1979 krijgt het atheneum waaraan de jonge Jules zijn middelbare studies deed zijn naam.