Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

BEELDENSTORM

Het was al in de Byzantijnse wereld van de 8ste en 9de eeuw een heikel thema: beelden maken van heiligen of niet? Het draait om een puur menselijk gevoel. Als er maar één God is, moet ik dan als nietig schepseltje zo’n opperwezen lastig vallen met mijn miniscule probleempjes? Je wil die liever regelen met iemand die een trapje lager staat, dus klop je aan bij een of andere heilige, die specialist ter zake lijkt. De Kerk heeft nooit gezegd, dat een heilige wonderen kan doen, zelfs geen kleintjes. Hij of zij kan enkel als voorspraak bij God zelf fungeren voor jouw verzoek. Maar als je van heiligen een beeld maakt, worden ze erg persoonlijk voorstelbaar en krijg je de neiging ook hen te aanbidden – en dan hebben we opnieuw het oude veel-godensysteem, wat de Kerk afgoderij noemt.


Dus: een beeld is een voorstelling, maar dient niet om aanbeden te worden alsof het een God is. Omdat te voorkomen dat dit toch gebeurt, vinden in de 16de eeuw diverse hervormers, zoals Maarten Luther en Jean Calvin, dat je beter geen beelden maakt en ze uit de kerken verwijdert. En misschien schaf je best meteen heel dat begrip ‘heilige’ af.


Calvijn krijgt zoveel aanhangers in de Spaanse Nederlanden, dat er alle reden is met zijn ideeën rekening te houden. Predikanten verkondigen buiten de kerk die ideeën tijdens zogenaamde hagepreken. Daarnaast wordt dankbaar gebruikgemaakt van een nieuw technisch medium, de boekdrukkunst. Maar de roomse Kerk is niet van zins de macht te delen, of zelfs maar open te staan voor vernieuwing. Daarin wordt ze gesteund door de Spaanse koning Filips II, die het ook bij ons voor het zeggen heeft via zijn landvoogdes Margaretha van Parma. Zij toont wel begrip voor de bevolking, maar heeft niet de macht op dit terrein een eigen weg in te slaan.


De hervormingsideeën leven in eerste instantie bij een hoger opgeleide klasse, die boeken leest en discussieert. Het gewone volk heeft vooral last van een slechter wordende economische toestand, waardoor hun koopkracht achteruit holt en deze mensen gevoelig worden voor opruiende kritiek op de machthebbers. De mix van deze twee frustraties leidt tot een actie, die bewust beraamd wordt door vooraanstaande calvinisten, maar in de uitvoering steunt op het gewone volk. De uitbarsting komt onverwacht voor de overheid en voor heel wat gezagsgetrouwe christenen.


Op 10 augustus 1566 houdt Sebastiaan Matte, calvinistisch hageprediker, een vurig pleidooi voor een groep misnoegde wevers van Steenvoorde. Onder leiding van Jacques de Buysere trekken die daarop naar het Sint-Laurentiusklooster, waar ze binnenstormen en zich uitleven op heiligenbeelden, glasramen en het meubilair. Voor de Buysere is het kennelijk geen alleenstaand incident, hij preekt op 13 augustus in het nabije Belle (thans Bailleul), waar zijn toehoorders hem vergezellen naar het Sint-Antoniusklooster om daar de kloosterkerk van alle praal en pracht te beroven. Nu is het vuur aan de lont gestoken en op 15 augustus trekken bendes het hele Westerkwartier rond, het gebied aan weerszijden van de Frans-Belgische grens tussen West- en Frans-Vlaanderen, waar in zeker vijftig kerken beelden vernield en kerkmeubilair beschadigd wordt. Dan is het de beurt aan de grote stad Ieper staat, maar de beeldenstormers wachten een dag, zodat graaf Lamoraal van Egmond de stad kan verlaten. Hij is stadhouder van Vlaanderen en Artois en daar verantwoordelijk voor de openbare orde. Men kan moeilijk onder zijn neus in Ieper vernielingen gaan aanrichten, die het centrale gezag niet welgevallig zijn. Egmond is dus niet in Ieper, als daar op 16 augustus de kerken bezoek krijgen van de calvinisten.


Meteen is duidelijk, dat het niet om spontane volkswoede gaat, maar om een georkestreerde actie van begoede calvinisten, die enig rapalje inhuren voor het vuile werk en waar zich een aantal meelopers bij aansluiten, deels uit eerlijke overtuiging, soms enkel om buit te behalen. De geroofde kerkschatten worden namelijk probleemloos opgekocht door Spaanse kooplieden, die blijkbaar geen graten zien in zo'n openlijke heling.

 

De Beeldenstorm verplaatst zich als een kleine orkaan naar Antwerpen, waar op 19 augustus Herman Moded zijn toehoorders aanzet tot actie. Maar ook hier wordt die met één dag uitgesteld, ditmaal om prins Willem van Oranje-Nassau de gelegenheid te geven schielijk te verdwijnen. Als stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland kan hij immers niet werkloos toezien hoe een groep beeldenstormers het interieur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk vernielt, wat op 20 augustus gebeurt.

 

Op 22 augustus staat Gent op het programma. De leiders van de Beeldenstorm hebben van de hoogbaljuw – de vertegenwoordiger van het gezag in rechtszaken – een aantal gerechtsdienaren meegekregen, zogezegd om hen te beschermen. Blijkbaar verloopt alles dus nogal planmatig, met medeweten én medewerking van het stadsbestuur. In minder dan 24 uur worden 7 parochiekerken, 1 kapittelkerk, 25 kloosters, 10 hospitalen en 7 kapellen onder handen genomen, maar aan de Sint-Baafskerk wordt niet geraakt. In het verre Amsterdam wordt enige schade toegebracht aan de Oude Kerk, maar het stadsbestuur weet de storm te bedaren door deze kerk aan de calvinisten ter beschikking te stellen.


Weer een dag later is voor het eerst een Franstalige stad aan de beurt: het aloude Doornik (Tournai), waar de calvinistische magistraat volop medewerking verleent, waardoor hier in alle rust het werk grondig uitgevoerd kan worden tussen 23 en 29 augustus. In de noordelijke steden Leeuwarden en Groningen regelt het stadsbestuur zelf de ordelijke ontruiming van enkele kerken en in Zwolle en Deventer mogen calvinisten in een kerk openlijk preken, maar moeten ze van het interieur afblijven.


In het Franstalige landsgedeelte hebben de calvinisten nooit veel aanhang gekregen en op Doornik na blijft het dan ook rustig in Namen, Henegouwen en Luxemburg. Ook Zuid-Brabant met hoofdstad Brussel en universiteitsstad Leuven zien geen rabauwen opdagen. Blijkbaar deinzen de calvinistische aanstokers terug voor een actie zo vlak onder het oog van het gezag. Ook Luik en het huidige Limburg blijven gespaard, dat gebied maakt geen deel uit van de Spaanse Nederlanden, maar is zelfstandig als prinsbisdom Luik.


De hogere adel is intussen behoorlijk geschrokken en beseft het gevaar van een stevig ingrijpen vanuit Spanje. Willem van Oranje laat zelf de voornaamste Antwerpse oproerkraaiers oppakken en veroordelen. De lagere adel probeert het op een akkoordje te gooien met landvoogdes Margaretha van Parma en neemt direct afstand van de rebellie.


Op een synode te Gent beslissen de calvinisten een verzoekschrift aan koning Filips II te sturen, waarin ze aanbieden hun vrijheid van godsdienst af te kopen met een bedrag van 3 miljoen goudgulden. Filips denkt daar nog niet over. Hij is not amused als hij over de Beeldenstorm hoort en vervangt Margaretha door Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva - Alva voor zijn vijanden. Die gaat er als een rasechte Spanjaard hard tegenaan en legt daarmee de basis voor een echte opstand, die tachtig jaar zal aanslepen en uiteindelijk leidt tot de scheiding van de Nederlanden in een noordelijk en een zuidelijk deel, vandaag beter bekend als Nederland en België.