Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

BEGIJNEN

Begijnen zijn vrouwen, die in de samenleving een positie innemen tussen gewone gelovige mensen en kloosternonnen. De begijnenbeweging komt voort uit een wat aparte situatie in de middeleeuwse samenleving van begin 13de eeuw. Als Karel de Grote begin 9de eeuw door de paus tot keizer van het Heilige Roomse Rijk wordt gekroond, neemt de invloed van wereldlijke vorsten op de benoeming van kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zoals bisschoppen, voortdurend toe. Zo sluipt de politiek het instituut van de Kerk binnen en ontstaat er een kerkelijke overheid, die in zijn dagelijkse doen en laten een leven leidt, dat steeds minder gebaseerd is op de leer van Christus zelf. Het luxeleven van de politiek benoemde bisschoppen sluit nauw aan bij het hofleven van de vorsten. Daartegen rijst verzet uit de in de 13de eeuw sterk gegroeide steden. Gelovigen gaan op zoek naar de oorsprong van het christendom. Er ontstaan bewegingen, waar leven in armoede en concentratie op de diepere waarden van het geloof centraal staan.


Eerst nemen diverse kloosterorden de armoede als beginsel, de bedelorden. Norbertijnen, cisterciënzers en vooral franciscanen ofwel minderbroeders, vestigen zich steeds vaker binnen de steden.


Daarnaast ontstaat er een vrouwenoverschot door de in deze periode plaatsvindende Kruistochten om het Heilig Land van de mohammedanen te bevrijden. Veel mannen keren namelijk nooit meer terug van deze militair-religieuze expedities. Ze zijn onderweg omgekomen door ziekte, gesneuveld in de strijd of hebben juist ginds een beter bestaan gevonden. Voor de achtergebleven vrouwen is het moeilijk om een eigen onafhankelijk bestaan op te bouwen binnen de middeleeuwse maatschappij, die daarop niet voorzien is. Zij kunnen kiezen voor een kloosterleven, maar niet alle kloosters zijn happig op zo’n toevloed van vrouwen, van wie de roeping wellicht minder groot is dan de pure nood om te overleven. Anderzijds willen niet alle vrouwen kiezen voor de afzondering van zo’n nonnengemeenschap met als basis de drie Evangelische Raden: ongehuwd blijven, want Christus is de bruidegom; verzaken aan werelds bezit, dus in persoonlijke armoede leven; gehoorzaamheid betonen. Sommige jonge vrouwen trekken zich terug op een kamertje in het ouderlijke huis, waar ze afgezonderd een geestelijk leven leiden. Anderen bouwen een optrekje nabij een klooster of kapel, om daar als kluizenares te leven en zij worden reclusen genoemd. Als de kloosters hen verjagen uit hun omgeving, omdat ze zo’n groep vrouwen rond hun domein niet langer wensen, gaan deze reclusen zich groeperen in aparte huizen binnen een stad of gaan ze verspreid wonen, maar komen ze regelmatig samen op een afgesproken vergaderplaats. Ze vallen niet meteen op tussen de overige stadsbewoners, want ze dragen gewone dagelijkse kleren. Enkel in hun manier van leven onderscheiden ze zich: veelvuldig bidden en vroomheid beoefenen, daarnaast bepaalde betaalde werkzaamheden verrichten om zich in leven te houden.


Door de hogere kringen worden zij aangeduid als mulieres religiosae, Latijn voor religieuze vrouwen. Ze houden er geen eigen leefregel op na en evenmin eigen religieuze ideeën. Juist daardoor passen ze niet in de middeleeuwse structuur van onze samenleving en worden ze met een scheef oog bekeken. Men weet niet goed wat te denken van deze vrouwen, die zich zo zonder man nogal onafhankelijk opstellen. Zijn ze echt zo diep gelovig, of houden ze enkel de schijn op? Wanneer in Zuid-Frankrijk de katharen en in Noord-Frankrijk, het Rijnland, Luik en Vlaanderen de apostolieken verschijnen - buitenkerkelijke bewegingen die wél afwijken van de roomse leer - worden alle onafhankelijk levende vrouwen met achterdocht en wantrouwen bejegend. In 1215 beslist het Concilie van Lateranen dat er geen nieuwe kloosterorden meer mogen worden opgericht en paus Innocentius III verbiedt de begijnenbeweging. Van dan af worden deze vrouwen in vele landen vervolgd.


Nu gaat het niet om ongeschoolde en onbemiddelde vrouwen. Eind 12de eeuw leeft in de priorij van het Waalse Ognies kluizenares Maria uit Nivelles (Nijvel), die zich gaat aansluiten bij een groepje vrome vrouwen en mannen waarvan zij de leiding op zich neemt. Maria van Ognies ontmoet Jacques de Vitry, Parijs’ letterkundige en predikant, die haar levensverhaal optekent. Als bisschop van Saint-Jean d’Acre gaat hij in 1216 bij Innocentius III pleiten voor deze vrome gemeenschappen en dat leidt ertoe, dat deze paus mondeling akkoord gaat met het voortbestaan van dit soort groepen in de Nederlanden. Deze vrouwen en mannen worden intussen steeds vaker aangeduid als begina, begijn, of beginus, beggaard, een soort scheldwoord voor wie zich vromer voordoet dan zij of hij werkelijk is, dus een schijnheilige. Het lijkt afgeleid te zijn van het Franse woord bégayer, brabbelen of stotteren, schijnheilig prevelen van gebeden, en duikt voor het eerst op rond 1220 in Keulen.


Paus Gregorius IX verleent in juni 1233 de begijnen binnen het bisdom Kamerijk (Cambrai in Frankrijk) – waartoe dan grote delen van het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen behoren – een beschermingsbul. Innocentius IV breidt die bescherming in 1247 uit tot het hele Duitse keizerrijk. Maar als zich toch uitwassen blijken voor te doen, verbiedt paus Clemens V de begijnhoven en Johannes XXII bevestigt dit verbod in 1317, maar in mei 1319 neemt diezelfde paus de begijnenbeweging in het hertogdom Brabant onder zijn bescherming.


Begijnen die in die dagen in begijnhoven zijn gaan samenwonen rentenieren, of verrichten werk voor klanten buiten het begijnhof. Aan de begijnen zijn alle bedrijfsbezigheden verboden die door in een ambacht verenigde vaklui worden uitgeoefend, dus concentreren ze zich op andere activiteiten: het verstrekken van onderwijs aan en de opvang van kinderen – daardoor zijn er soms enkele honderden kinderen op zo’n begijnhof -, tot bleken van linnen of zelf weven en de productie verkopen. Die laatste activiteit leidt tot concurrentie met de beroepswevers en de nodige heibel daarrond. Wanneer de lakennijverheid instort in Vlaanderen en Brabant, schakelen de begijnen over op wassen, strijken, borduren en naai- en kantwerk.


Later moeten begijnen ook een instapgeld betalen wanneer ze op het hof willen komen wonen en is er de regel, dat bij hun overlijden hun eigen begijnhuis, plus een deel van de overige erfenis, aan het begijnhof komt. Naast de pacht van eigen landerijen, vormen die gelden een bron van inkomsten voor de begijnengemeenschap. De dagelijkse leiding wordt toevertrouwd aan een door alle begijnen gekozen grootjuffrouw of grootmeesteres, bijgestaan door meerdere meesteressen. Voogden houden van buitenaf toezicht op het financiële reilen en zeilen en een pastoor staat in voor de geestelijke zorg. Wie oud of ziek wordt, krijgt verzorging in de infirmerie, een combinatie van zieken- en rusthuis. Nieuwkomers dienen eerst drie jaar als novice een opleiding tot begijn te volgen in een gezamenlijk huis, een convent.

 

Een begijntje legt geen eeuwige geloften af en mag dus het hof verlaten en trouwen. Dat blijkt in de praktijk tamelijk weinig voorgekomen te zijn. Intussen is ook bij het tot stand komen van de hoven de typische begijnenkleding in zwang gekomen, gebaseerd op de ruwe habijten van de armoedebeweging: een grijsgrauw kledingstuk met een kap. De begijnenbeweging kent in de loop van haar bestaan ups en downs. Eind 13de eeuw is de populariteit op een eerste hoogtepunt. Daarna neemt de interesse een tijdlang af, om weer stevig aan te groeien in de 17de eeuw tijdens de contrareformatie, waarbij de Spaanse Nederlanden opnieuw een sterke rooms-katholieke signatuur krijgen. In de Franse tijd wordt de beweging opgeheven, maar nadien opnieuw hersteld. Na een laatste bloeiperiode in de 19de eeuw, verdwijnt de begijnenbeweging in de loop van de 20ste eeuw, mede doordat de mogelijkheden om alleen te leven binnen de maatschappij voor vrouwen steeds ruimer worden.