Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

BEGIJNHOF

De eerste begijnhoven die eruit zien als een soort ministadjes ontstaan in de eerste helft van de 13de eeuw, juist buiten de stadswallen. Voorheen leven begijnen verspreid binnen de stad in eigen huizen. In Aken wordt een begijnhof vermeld in 1230 en dat lijkt het oudste te zijn. Maar het hertogdom Brabant en graafschap Vlaanderen volgen snel: 1232 Leuven, 1234 Gent, 1245 Brugge, Diest, Antwerpen. Gravin Johanna van Constantinopel in Vlaanderen en haar zus Margaretha in Henegouwen schenken de begijnen grond binnen de stadsmuren om daar hun hof te stichten. De Brabantse hertogen volgen dat voorbeeld in Diest. Nu scharen zich ook bemiddelde burgers en rijke edelen achter het initiatief, waardoor de begijnhoven landerijen en andere goederen in bezit krijgen. De meeste begijnen hebben ook zelf enig kapitaal, waarmee ze hun eigen huisje in het hof laten bouwen. Wanneer later ook armere meisjes toegang krijgen tot de begijnhoven, worden die eerst gehuisvest in een convent, een gezamenlijk huis, waarna ze later als ze eigen inkomsten hebben, een kamer van een rijkere begijn of een huisje van het hof kunnen huren. Die huisjes staan in smalle straatjes of zijn rond een grasvlakte – doorgaans met een kerkje middenin – gegroepeerd. Daarom wordt gesproken van straat- of pleinbegijnhoven.


Mannen zijn enkel toegelaten op een begijnhof voor welbepaalde taken en moeten voor zonsondergang het terrein verlaten hebben. Ook de pastoor woont buiten de muren en grachten rond het begijnhof. Twee portiersters zien toe op het naleven van deze regels. Bij contact met de buitenwereld moeten begijntjes steeds minstens met zijn tweeën zijn. Er is dus een scherpe controle op de inmiddels ingestelde regels, die door de overheid worden goedgekeurd.


Als de Fransen hier binnenvallen in 1794 worden de begijnhoven afgeschaft, maar de vrouwen mogen in hun huisjes blijven wonen, zij het zonder hun begijnenkleren te dragen. Er komen nu ook andere bewoners tussen hen in wonen en het beheer van de hoven wordt toevertrouwd aan het Bureel van de Godshuizen, een stedelijke overheidsinstelling. Dat blijft zo tijdens de Hollandse tijd onder koning Willem I. Wanneer het onafhankelijke België in 1830 ontstaat, blijven de hoven in beheer bij de lokale overheid, maar is er toch een nieuwe opleving van het aantal bewoonsters, nu weer louter begijnen. Maar in de loop van de 20ste eeuw dooft de beweging langzaam uit, mede door de secularisatie van de maatschappij en de betere mogelijkheden voor vrouwen om alleen een zelfstandig bestaan op te bouwen. Juist in die periode worden de begijnhoven op 2 december 1998 door de UNESCO tot Werelderfgoed verklaard. Sindsdien wordt er her en der gerestaureerd wat er nog overschiet en worden de huisjes verhuurd aan nieuwe bewoners en gezinnen, zodat je vandaag niet enkel vrouwen in een begijnhof als vaste bewoonsters tegenkomt. Vroeger scheef bekeken, worden begijnhoven thans volop ingezet als toeristische bezienswaardigheden, maar moet er tegelijkertijd ook steeds uitgebreider worden verteld, wat zo’n begijnhof eertijds eigenlijk inhield en wie er woonden. Daarover lees je meer bij het thema Begijnen.