Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

BELFORT

Aanvankelijk gaat het om een houten belegeringstoren, waarmee een vijand vestingen kan aanvallen. Die wordt in het Frankisch bergfrid genoemd, een met hout afgeboorde beschutte ruimte. Denk aan ‘berging’ en ‘fretjes’, houten paaltjes.

Bergfrid wordt gelatiniseerd tot berefridum, wat in het oud-Frans berfroi en later beffroi wordt, in het Engels belfry en in het Middel-Nederlands belfroet. Het wisselen van de medeklinker ‘r’ om een woord makkelijker te kunnen uitspreken komt vaker voor (‘born’ wordt ‘bron’) en zo wordt ons woord uiteindelijk ‘belfort’ – wat dus niets met een mooi fort te maken heeft.

Intussen is die belegeringstoren binnen de wallen terechtgekomen als een verdedigingstoren, eerst behorend bij een ruimer geheel, later als alleenstaande wachttoren. In zo’n stedelijke wachttoren werden de privilege-documenten bewaard in een stevige afgesloten ruimte, het secreet. Ook was het voor de komst van stadhuizen vaak de ruimte waar het stadsbestuur samenkwam om te vergaderen. Boven in zo’n belfort was de stadswacht aanwezig, die alarm moest slaan bij brand of bij nadering van een vijand. Eerst deed hij dat door op een trompet te blazen, later kwam er een alarmklok in de toren te hangen. Die kreeg weldra gezelschap van een tweede klok met een andere klank, waarmee de arbeidsuren werden aangeduid: aanvang van het werk, middagpauze en de tijd die er nog restte voordat de stadspoorten werden gesloten. Wie op het land werkte, moest dan zien dat hij tijdig binnen raakte.


Naarmate de steden zich onafhankelijker gaan opstellen tegenover lokale heren en hogere vorsten, wordt het belfort steeds meer een symbool van stedelijke vrijheid. De macht om zelf eigen zaken te regelen. Vandaar de uitdrukking ‘stadslucht maakt vrij’.


Vaak werd een belfort vastgeklonken aan het belangrijkste gebouw van de stad, in Vlaanderen doorgaans de lakenhal, omdat deze opslag-, verkoop- en vergaderplaats de machtsbasis vormde van de gilde der rijke lakenhandelaars. In steden waar zo’n machtig gilde ontbrak, werd vaak de kerktoren als belfort gebruikt. De bouw en het onderhoud van deze toren werd in zo’n geval door het stadsbestuur bekostigd. Naarmate stadsbesturen steviger in hun schoenen stonden, werd het belfort vaker een onderdeel van hun stadhuis.


Een grote concentratie van steden met een belfort vinden we in het middeleeuwse Vlaanderen, dat zich uitstrekte over de huidige Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen, het Nederlandse Zeeuws-Vlaanderen en Frankrijk met de departementen Nord, Pas-de-Calais en een deel van Somme, in feite de streken Frans-Vlaanderen, Artesië en Picardië.


Daarnaast komen belforten voor in de provincies Namen en Henegouwen en in het oude hertogdom Brabant, met name de huidige provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant. Belgisch Limburg – het vroegere graafschap Loon – kende geen belforten, met uitzondering van de zelfstandige steden Sint-Truiden en Tongeren. Ook in het prinsbisdom Luik, dat later Loon annexeerde, bestond het belfort niet. Daar werd het perron het teken van stedelijke vrijheid. In Nederland zijn er slechts enkele steden met een belfort, met name de Zeeuwse hoofdstad Middelburg en de oude stad Delft.


Sinds enkele jaren zijn een groot aantal belforten door de UNESCO erkend als Werelderfgoed. Daaraan waren voorwaarden verbonden: de steden moesten reeds vanaf de middeleeuwen over stadsrechten beschikken en de belforten moesten met traditioneel materiaal zijn gebouwd, al hoefden ze daarom niet uit de middeleeuwen te dateren. Als bouwperiode werd namelijk de 13de eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog in de 20ste eeuw aanvaard. Zo bleef het voor de vele steden in Vlaanderen die hun belfort tijdens de Eerste Wereldoorlog vernietigd zagen toch mogelijk om met hun herbouwd belfort in aanmerking te komen voor de UNESCO-bescherming. Die vlag dekt daardoor vele ladingen, zowel wat oudheid van de gebouwen betreft, als wat hun verschijningsvorm aangaat. Het ene belfort is beslist het andere niet. Ze vallen wat uiteen in drie types: stoere torens met eerder een verdedigingskarakter, sierlijke torens die de stedelijke welvaart uitstralen, de als belfort gebruikte kerktorens. Die laatste groep komt niet in aanmerking voor de UNESCO-titel.


Overzicht


Provincie Antwerpen:


Belfort: Herentals, Lier.

Kerkbelfort: Antwerpen, Mechelen.

Mechelen bezit daarnaast een aanzet voor een stadhuisbelfort.


Provincie Vlaams-Brabant:


Belfort: Brussel.

Kerkbelfort: Leuven, Tienen, Zoutleeuw.


Provincie Limburg:


Belfort: Sint-Truiden.

Kerkbelfort: Tongeren.


Provincie Oost-Vlaanderen:


Belfort: Gent, Oudenaarde, Aalst, Dendermonde, Eeklo, Sint-Niklaas.


Provincie West-Vlaanderen:


Belfort: Brugge, Kortrijk, Ieper, Veurne, Tielt, Diksmuide, Menen, Nieuwpoort, Lo-Reninge, Roeselare.


Provincie Henegouwen:


Belfort: Tournai (Doornik), Charleroi, Mons (Bergen), Binche, Thuin.


Provincie Namen:


Belfort: Namur (Namen).


Frankrijk:


Belfort: Arras (Atrecht), Douai, Aire sur la Lys, Armentières, Bailleul (Belle), Bergues (Sint-Winoksbergen), Béthune, Boulogne-sur-Mer, Calais, Cambrai (Kamerijk), Comines, Gravelines, Hesdin, Loos, Lille (Rijsel), Dunekerque (Duinkerke), Le Quesnoy, Le Cateau-Cambrésis, Hazebrouck.

Kerkbelfort: Dunekerque (naast stadhuisbelfort).

Lille heeft twee belforten: Kamer van Koophandel en Stadhuis.    


Nederland:


Belfort: Sluis, Hulst, Middelburg, Delft.

Tournai / Doornik