Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JEAN-BAPTISTE BÉTHUNE  (1821-1894)

Tournai / Doornik

Jean-Baptiste Bethune is eigenlijk niet van plan om architect te worden. Maar na het lezen van Thomas Harper Kings Les vrais principes de l'architecture ogivale ou chrétienne, een vertaling uit 1850 van het originele werk The true principles of pointed or christian architecture uit 1841 van de Engelsman Augustus Welby Northmore Pugin, ontpopt Bethune zich als de leider van de neogotische stroming in België. Harper King is een Engelsman die in de Engelse kolonie in Brugge verblijft en daarom Pugins boek in het Frans vertaalt voor de Belgische lezers.


Op 25 april 1821 wordt Jean-Baptiste geboren in Kortrijk, waar zijn vader Félix een lijnwaadhandel drijft, die hij van diens moeder heeft overgenomen. Félix is getrouwd met de Française Julie de Renty uit Lille en Jean-Baptist is één van hun vijf kinderen. Nadat pa Félix na 1830 actief is geworden in de politiek en het tot burgemeester van Kortrijk brengt, wordt hem in 1855 de titel van baron verleend. Die titel wordt bijna twintig jaar later, in 1871, overdraagbaar op al zijn afstammelingen, zodat dan zoon Jean-Baptiste ook baron Jean-Baptiste Bethune wordt. Maar pas na een reeks vonnissen tussen 1903 en 1907 wordt aan die achternaam het woordje ‘de’ toegevoegd, met terugwerkende kracht geldend voor ieder die afstamt van voorvader Pierre Bethune, overleden in 1735. Wanneer er vandaag dus nogal eens over Jean-Baptiste de Bethune wordt gesproken, heeft die man zichzelf nooit zo kunnen noemen, want dat mocht pas zo’n 13 jaar na zijn dood op 18 juni 1894 op het familiale kasteel van Marke.


Nee, Jean-Baptiste kiest niet meteen voor de bouwkunst, hij gaat in 1837 rechten, wijsbegeerte en letteren studeren aan de universiteit van Leuven. Intussen heeft de Ierse priester Michael Breen Jean-Baptiste’s interesse voor de Angelsaksische cultuur gewekt en die hang naar Engeland wordt in Leuven versterkt door de ontmoeting met de Engelsman George Mann. Met de studie wordt het echter niets, deels door een zwakke gezondheid, maar zeker ook door het uitbundig deelnemen van Jean-Baptiste aan het Leuvense studentenleven. Wanneer duidelijk wordt dat het geen zin heeft om mee te doen aan de examens, haakt hij dan ook in 1842 af.


Hij heeft nu tijd om door Engeland te gaan reizen, samen met zijn broer Félix en met George Mann als ideale gids, waardoor hij Augustus Welby Pugin en kunstglazenier John Hardman persoonlijk kan ontmoeten.

Dan probeert hij een opleiding aan de Kortrijkse Academie, waar hij schilderles krijgt van Jules Victor Génisson, een specialist in kerkinterieurs en stadsgezichten, terwijl Paul Lauters hem het schilderen van landschappen bijbrengt en hij leert beeldhouwen van Charles Geerts, een van de pioniers van de neogotiek.


Vanaf 1845 is hij secretaris van de West-Vlaamse provinciegouverneur Felix de Mûelenaere en zo komt hij in de politiek terecht, met een zitje als West-Vlaams provincieraadslid van 1848 tot 1858. In dat eerste jaar trouwt Jean-Baptiste met Emilie van Outryve d’Ydewalle, dochter van ridder Eugène en diens vrouw Clemence van Severen. Het jonge paar gaat inwoner bij de schoonouders in de Hoogstraat in Brugge, waar het huis Casselberg hun thuis wordt.


Eenmaal in Brugge engageert Jean-Baptiste zich in de Confrérie van het Heilig Bloed en in 1850 ontwerpt hij de Jubelprocessie voor die beroemde relikwie, waarbij hij die stoet een neogotisch aanblik geeft. Hij treedt in die jaren op als handelsagent voor Pugin in België. Maar wanneer deze in 1852 plots overlijdt, moet hij wel zelf gaan ontwerpen. Hij doet dat samen met John Hardman, de oud-medewerker van Pugin. Bethune heeft dan al in de tuin van huis Casselberg een klein atelier voor glas-in-loodramen opgezet. Hardman zal Jean-Baptiste de middeleeuwse glazenierstechnieken bijbrengen.


In 1846 waagt Jean-Baptiste Bethune zich aan zijn eerste architectuurontwerp. In opdracht van zijn vader Félix Bethune realiseert hij de kapel van Milanen in Zwevegem. Voor het maken van glasramen gaat Bethune in 1858 samenwerken met Arthur Verhaegen - net voor de stichting van Maaltebrugge (zie hieronder) - in een 15de-eeuws huis aan het Prinsenhof in Gent. Dat atelier wordt naast de latere ateliers in Sint-Denijs-Westrum behouden en Verhaegen zal in 1875 de leiding helemaal overnemen.


Maaltebrugge

Wanneer de Gentse katoenfabrikant Joseph de Hemptinne met Bethune in contact komt, overtuigt hij Jean-Baptiste om zich te vestigen nabij de Hemptinne’s buitenverblijf, het domein Maaltebrugge in Sint-Denijs-Westrem, net buiten de rook van Gent. Rond 1860 verhuist het atelier van Bethune naar het gehucht Maaltebrugge en Jean-Baptiste kan een aantal kunstenaars met wie hij al heeft samengewerkt overtuigen om ook daarheen te komen. Zo ontstaat daar een soort kunstambachtenkolonie met naast het glasatelier ook de ateliers van de Nederlandse polychromieschilder Adrien Bressers aan de Kortrijksesteenweg en de ateliers van de broers Leopold en Leonard Blanchaert. Leopold is beeldhouwer, die in hout kapt of zijn beelden in plaaster giet en ook een belangrijk aandeel zal hebben in altaarretabels. Leonard is als kunstschrijnwerker gespecialiseerd in kerkmeubels en ornamenten.


Leopolds atelier Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt ligt in de Putkapelstraat tegenover de Heilige Sacramentskapel ’t Putje, terwijl Leonard zijn kunstmeubelatelier Sint-Jozef – hoe zou het anders hebben kunnen heten? – op de hoek van de Kapellestraat en de Kortrijksesteenweg inricht. Bressers verstevigt de band tussen het drietal door te trouwen met Christine Blanchaert, zus van beide artistieke broers. Naast de bewust eenvoudig en traditioneel gehouden kunstenaarswoningen omvat het gehucht ook werkplaatsen, een houtdroogschuur en een smalspoorlijntje voor de aanvoer van materialen.


Wat later voegen zich bij dit trio ook goudsmid Armand Bourdon – gespecialiseerd in religieus edelsmeedwerk als reliekschrijnen en kelken - en kunstsmederij Leopold Firlefijn, waar liturgisch vaatwerk en retabels worden vervaardigd. Jean-Baptiste Bethune zal deze groep kunstenaars vaak inschakelen bij zijn vele projecten en zo zijn eigen bouwteam vormen.


De zeer katholieke Joseph de Hemptinne ziet het zelfs breder dan louter kunst. Hij laat nabij zijn zomerkasteel in Maaltebrugge het Sint-Jozefweeshuis voor jongens bouwen (vandaag Don Bosco Instituut), want hij wil deze wezen een christelijk geïnspireerde ambachtelijke opleiding laten geven in de kunstenaarsateliers. In de neogotische kapel van Josephs kasteel heeft Leonard Blanchaert enkele decennia lang aan een door Bethune ontworpen retabel gewerkt, zij het dat dit werk enkel geschiedde op aan Maria toegewijde zaterdagen.


Vivenkapelle

Nabij Damme staat al sinds 1350 een kapel in het gehucht Viven. Die komt met omliggende grond in 1827 in bezit van de vermogende Bruggeling Philippe Verhulst, die daar ook al een buitengoed bezit. Hij laat de kapel herstellen en er een 17de-eeuws Mariabeeld in plaatsen. Na aanvankelijk mislukkende pogingen om hier zondags en op feestdagen missen te celebreren, lukt dat uiteindelijk wel in 1854, het jaar van de dogmaverklaring rond de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. De Brugse bisschop Jan-Baptist Malou wijdt de kapel op 10 september 1855 in en Vivenkapelle - zoals de plek nu wordt genoemd - wordt in 1858 proosdij. Stilaan wil de familie Verhulst Vivenkapelle uitbouwen tot een echte parochie, een kerkdorp zoals dat al bestond in Engeland nabij Ramsgate, waar Augustus Welby Pugin rond zijn huis The Grange al in 1844-’45 Saint-Augustine’s heeft opgetrokken met kerk, pastorie en atelier-school.


Als Philippe in 1858 sterft, besluiten zijn dochters Elisa en Coralie het ideaal van hun vader te realiseren en zij stellen Jean-Baptiste Bethune aan als coördinerend architect over wat een geheel moet worden met een kerk, een pastorie, een broeder- en een zusterklooster met bijbehorende scholen. Tussen 1861 en 1867 verrijst dat idee dan ook, met inbegrip van de oorspronkelijke kapel, die ingebouwd wordt in de nieuwe Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk. De Heilige Jozef-jongensschool sluit aan bij het Sint-Vincentius a Paulo broedersklooster, de Heilige Engelen-meisjes- en bewaarschool hoort bij het Heilige Jezus-zustersklooster. Een neef van Elisa en Coralie, architect-glazenier Florimond Van de Poele, wordt nauw bij de realisatie betrokken. Wanneer Elisa in 1903 overlijdt, wordt de Gentse notaris Jules Lammens – door huwelijk verwant met de familie Verhulst – de erfgenaam van Vivenkapelle met als verplichting het ensemble in stand te houden. In 1908 wordt daartoe de Stichting Verhulst-Verhaegen opgericht door de schoonzoon van die notaris en laat dat nu net de bekende medewerker en opvolger in het glasatelier van Bethune zijn, dus niemand minder dan Arthur Verhaegen, die trouwde met notarisdochter Claire Lammens.


Sint-Lucasscholen

In 1861-’62 sticht Jean-Baptiste Bethune samen met de Broeders van de Christelijke Scholen in Gent de eerste Sint-Lucasschool, waar de leerlingen worden opgeleid als ambachtslieden en kunstenaars. Het verschil met de diverse koninklijke academies is dat leerlingen van de Sint-Lucasscholen – er komen er ook in Antwerpen, Schaarbeek, Luik en Doornik – naast pure vakkennis ook de christelijke neo-middeleeuwse visie van Bethune meekrijgen. Religie en kunst vormen een eenheid en de nadruk ligt op streekeigen architectuur, zoals het bouwen met baksteen. De Sint-Lucasscholen opteren ook voor neogotische nieuwbouw, waar de staatsacademies eerder aan restauratie denken, zij het in de doorgedreven vorm van hún voorbeeld, de Franse architect Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc.


Nadat Bethune in 1852 al ontwerpen heeft gemaakt voor een grafkapel voor de familie van Caloen in de Sint-Martinuskerk in Loppem, krijgt hij zeven jaar later de kans het grootser aan te pakken met een volledig neogotisch kasteel in datzelfde Loppem voor baron Charles van Caloen en zijn vrouw Sarina de Gourcy Serainchamps. Zij hebben aanvankelijk de opdracht gegeven aan de Engelsman Edward Welby Pugin, zoon van de befaamde Augustus, maar over diens aanpak zijn ze niet content, waardoor Bethune het van hem mag overnemen. Dit kasteel is vandaag een van de monumenten van de Belgische neogotiek en je kan het bezoeken of een van de evenementen bijwonen die daar door de Stichting Jean van Caloen worden verwelkomd.


Ook in het buitenland zijn er enkele realisaties van Bethune. Zo heeft hij tussen 1871 en 1881 de mozaïeken van de koepel van de Akense dom gerealiseerd. En zijn door hem de glasramen ontworpen voor de nieuwe bisschopskerk in het Nederlandse Utrecht op verzoek van architect Pierre Cuypers, de Nederlandse  neogotische specialist uit Roermond, die vooral bekend is van het Amsterdamse Rijksmuseum en het neogotische kasteel De Haar in Haarzuilens nabij Utrecht.


Maredsous

Het hoogtepunt van heel zijn actieve leven wordt voor Jean-Baptiste de bouw van een compleet nieuwe neogotische abdij nabij het Waalse dorpje Maredsous, die tussen 1872 en 1889 wordt gerealiseerd.


Dat relaas start begin 19de eeuw met de broers Henri en François Desclée, twee advocaten die aan de Scheepsdalelaan in Brugge een gasfabriek opzetten voor de Brugse straatverlichting, Desclée & Compagnie. Die ‘compagnie’ is vennoot Jean-Baptiste de Brouwer, een schoolvriend van Henri. François overlijdt al vrij snel na de oprichting van het bedrijf en als ook Henri is gestorven nemen zijn twee in Doornik geboren zonen Jules (°1828) en Henri (°1830) zijn plaats in. Om de banden met vennoot De Brouwer te versterken, besluit Henri om in 1868 met diens dochter Louise te trouwen. De twee jaar oudere Jules wil niet achterblijven, maar kijkt nog even de kat uit de boom voordat hij in 1876 trouwt met Julie de Brouwer, de drie jaar oudere zus van Louise.


Beide broers zijn aanhangers van de ultramontaans-katholieke strekking, waarvan erkenning van het gezag van de paus in Rome en een zich spiegelen aan de middeleeuwse positie van de Kerk belangrijke kenmerken zijn. Zij richten daarom in Doornik anno 1872 de uitgeverij-drukkerij van christelijke publicaties Saint-Jean l’Evangéliste op. Samen met schoonbroer Alphonse de Brouwer volgt in 1877 aan de Brugse Houtkaai de oprichting van een tweede drukkerij, Sint-Augustinus. Een van de specialisaties is het drukken en verspreiden van heiligenprentjes in neogotische stijl. Intussen heeft Henri in het Waalse dorpje Maredret een zomerverblijf laten bouwen en er wordt gedacht aan het oprichten van een neogotische kapel in de buurt.


Even over naar Duitsland, waar in het Zuid-Duitse ministaatje Hohenzollern-Sigmaringen in 1863 door bemiddeling van prinses Katharina een verlaten augustijnerabdij in het gehucht Beuron wordt gerecupereerd door een groep benedictijnen, die er een nieuw klooster in vestigen met Dom Maurius Wolter als eerste abt. Schilders uit de Nazarenersgroep - oorspronkelijk spottend zo genoemd omdat deze naar Rome getrokken jonge Duitse schilders lang haar hadden en mantels en sandalen droegen, later door henzelf geadopteerd als groepsnaam – kwamen zich nabij de Beuronse abdij vestigen.  Wanneer twee Nazarener schilders, de Duitser Peter Lenz en de Zwitser Johann Jacob Würger, intreden en voortaan als pater Desiderius en pater Gabriel door het leven gaan, worden zij de voormannen van een schildersstijl die later de Beuronse wordt genoemd. Zij inspireren zich niet op de middeleeuwse gotiek, maar op Oud-Egyptische en Assyrische voorbeelden om religieuze werken te maken, zoals fresco’s of glasramen.


Een van de monniken van de abdij van Beuron is Hildebrand de Hemptinne, niemand minder dan een zoon van de Gentse katoenbaron Joseph de Hemptinne, die van Maaltebrugge. Wanneer hij hoort van Desclée’s plannen voor een kapel stelt hij voor om het wat grootser aan te pakken, waarom niet meteen een nieuwe abdij? Dat zou namelijk niet zo slecht uitkomen voor de kunstenaars van Beuron, want in Duitsland woedt in die jaren de Kulturkampf tussen kanselier Otto von Bismarck en de katholieke Kerk. Otto is bezig de Duitse staten te verenigen in wat hij als een protestants Duits Rijk ziet en is daarom bang dat de katholieke Kerk dat zal dwarsbomen. Hij verdrijft eerst de jezuïeten uit de Duitse staten en wil daarna ook de andere kloosterorden uitwijzen. Zover komt het niet volledig, maar Beuron moet wat onder de radar blijven met het verspreiden van zijn kunstwerken in Duitsland en opdrachten voor buitenlandse abdijen zijn welkom om de monniken bezig te houden. Vandaar dus de grote interesse in de oprichting van een nieuwe Belgische benedictijner abdij.


De familie Desclée hapt toe en doet een beroep op dé specialist van de neogotische vormgeving, de ‘incontournable’ Jean-Baptiste Bethune. Op 15 oktober 1872 wordt de abdij van Maredsous – enkele kilometers buiten het dorp Maredret – gesticht. De Desclée’s stellen Victor Mousty aan als intendant, die zal toezien dat het kapitaal dat de familie erin stopt goed wordt gebruikt. Gustave Soleil wordt als opzichter verantwoordelijk voor de realisatie met beperkte middelen en binnen een redelijk tijdsbestek. Het lukt hem om de abdij inderdaad exact tien jaar later in 1882 te voltooien, ongetwijfeld een huzarenstukje. Alleen de afwerking van het interieur zal nog zeven jaar in beslag nemen.


Jean-Baptiste Bethune ontwerpt bijna alles: gebouwen, beeldhouwwerk, meubels, glasramen en fresco’s. Hij schakelt daarvoor zijn vertrouwde medewerkers in: Armand Bourdon, Arthur Verhaegen, Jules Helbig en anderen. Bethune’s zoon Ghislain, die zelf pater is, past nog wel even pa’s plannen voor de abdijkerk op enkele praktische punten aan.


Alles verloopt voorspoedig, enkel rond de fresco’s ontstaan problemen. Abt Dom Maurius Wolter van Beuron wil natuurlijk dat die door zijn specialisten worden gerealiseerd, met name door Desiderius Lenz als leider van de abdijkunstschool. Die laat het werk over aan Andreas Weiss en Jakobus Malmendier, maar zij krijgen te maken met de wensen van de geldschieters. De Desclée’s en Bethune als ontwerper willen neogotiek, terwijl de mannen van Beuron hun Oud-Egyptische en Assyrische stijlen op de wanden aanbrengen. Uiteindelijk komt het tot een compromis: enkele wanden worden pure neogotiek, enkele wanden worden in Beuron-stijl uitgevoerd en de rest in een persoonlijke mix van Andreas en Jakobus. Het resultaat is niet om over naar huis te schrijven en zal later nergens meer worden toegepast. Je kan er niet eens meer een eigen oordeel over vormen, want zowat alle muurschilderingen zijn in 1957 uitgeveegd en vervangen door zeer sobere alternatieven.


Maredsous bestaat uit een kerk met twee torens, in één daarvan hangt de grootste klok van België op die van Mechelen en Doornik na. De abdijgebouwen zijn rond een vierkant binnenplein gerangschikt. In 1881 is er daarnaast nog een school gekomen, het Collège Saint Benoît, gericht op leerlingen uit de Belgische elite. En tussen 1900 en 1903 zorgen Hildebrand de Hemptinne en Emile Henseval voor een kunstambachtenschool iets verder op het terrein, die geleidelijk wordt uitgebouwd naar ideeën van pater Sebastien Braun. Vandaag huist in deze gebouwen het Centre Grégoire Fournier met de natuurkundige collecties van de gelijknamige pater (1863-1931) en het Ontvangstcentrum Saint-Joseph waar alle rondleidingen starten en ook eindigen in de abdijwinkel. Naast abdijkaas in grote blokken – de enige die nog echt in Maredsous zelf worden geproduceerd - en natuurlijk de bekende Maredsous-bieren. Maar daar komt sinds 1963 geen monnik nog aan te pas, de Maredsous 6, 8 en 10 (genoemd naar het alcoholpercentage) worden sindsdien gebrouwen in Breendonk, bij Duvel-Moortgat.   


Oeuvre (onvolledig):

1846-1847

Kapel van Milanen – eerste ontwerp van Jean-Baptiste Bethune.

Bellegemstraat 1, Zwevegem.

I.o.v. Félix Bethune, vader van Jean-Baptiste.

1848-1879

Heilige-Kruisverheffing en Sint-Jozefkerk – 1848 ontwerp grafmonument Dezitter-Pottevyn; 1860-1866 ontwerp hoofdaltaar en Maria altaar;1879 neogotisch grafmonument musicus John Sutton (nu: verwijderd); kerk gebouwd in 1853-1855 door de Kortrijkse architect Pierre Nicolas Croquisson.

Moerkerksesteenweg 192, Brugge-Sint-Kruis.

I.s.m. Leuvense beeldhouwer Michiel Abbeloos en kunstschrijnwerker Charles Van Robays.

1850

Jubelprocessie Heilig Bloedrelikwie – ontwerp stoet.

Brugge.

I.o.v. Confrérie van het Heilig Bloed.

1850-1852

Heilig Bloedkapel (nu: Basiliek van het Heilig Bloed) – herinrichting interieur, biechtstoel, doksaal in opvolging van Thomas Harper King i.s.m. Brugse beeldhouwer François Lefebure, Leuvense beeldhouwer Michiel Abbeloos (hoofdaltaar), schilder Adrien Bressers, Brusselse kunstglazenier Jean-Baptiste Capronnier; 1875 expositietroon, trappenbordes, beelden i.s.m. architect William Curtis Brangwyn, kunstglazenier Henri Dobbelaere, marmerbewerker Jules van Nieuwenhuyse (expositietroon), schilder Jules Helbig, schilder C. Leegenhoek.

Burg z/n, Brugge.

1852

Sint-Martinuskerk – bid- en grafkapel familie van Caloen in noordbeuk.

Dorp z/n, Zedelgem-Loppem.

I.o.v. familie Caloen.

I.s.m. architect Pierre Buyck, beeldhouwer Charles Geerts (altaar), kunstglazenier Jean-Baptiste Capronnier.

1855-1857

Sint-Pieterskapel ofwel Sint-Kwintenskapel – eerste grotere oeuvre als architect van Jean-Baptiste Bethune (nu: D’Oude Kapel, centrum voor dans en beweging).

Sint-Kwintensberg 84, Gent.

1857

Sint-Gilliskerk – zes neogotische glasramen.

Baliestraat z/n, Brugge.

I.o.v. musicus John Sutton.

1857-1868

Sint-Laurentiuskapel van grauwzusterklooster – uitbreiding 1857, schildering en glasramen 1868.

Nonnenstraat 1, Roeselare.

1857-1895

Basiliek Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen – binnenafwerking in 1875, na de dood van Eduard Welby Pugin. (later: na WO I is schade aan toren, interieur en glasramen hersteld; na WO II is schade aan toren, koor, glasramen hersteld; restauratie 1980-1982).

Plaats z/n, Moorslede-Dadizele.

I.o.v. de Brugse bisschop Jan-Baptist Malou.

I.s.m. Architect Thomas Harper King (ontwerp), Eduard Welby Pugin (ontwerp), Kortrijkse architect Pierre Nicolas Croquisson (bouw), kunstglazenier Arthur Verhaegen, architect Auguste Van Assche (1889, ontwerp nieuwe ijzeren toren).

1858

Kloosterkapel van de zusters van de Heilige Vincenza a Paulo – herschildering en vervanging glaswerk.

Wijngaardplein 1, Brugge.

1858

Herenhuis met atelier en tuin – verbouwing en uitbreiding van gedeelte van 15de-eeuws Prinsenhof, glasramen anno 1880, eigen glazeniersatelier van Jean-Baptiste Bethune.

Prinsenhof 71-75, Gent.

I.s.m. kunstglazenier Arthur Verhaegen.

1858-1859

Burgerhuis – verbouwing en decoratie.

Gouden Handstraat 14, Brugge.

I.o.v. musicus John Sutton.

I.s.m. de Brugse schrijnwerker Charles Van Robays.

1859-1863

Kasteel van Caloen / Kasteel van Loppem (nu: beschermd in 1905, Stichting Jean van Caloen).

Steenbruggestraat 26-28, Zedelgem-Loppem.

I.o.v. Charles van Caloen en Sarina de Gourcy Serainchamps.

I.s.m. aannemer Louis Buckaert, schrijnwerker Charles Van Robays.

1859-1863

Derde Ordekapel van clarissen-urbanistenklooster – onbezoldigd ontwerp, Jean-Baptiste was zelf lid van de Derde Orde.

I.o.v. musicus John Sutton en industrieel Joseph de Hemptinne.

I.s.m. kunstglazenier Arthur Verhaegen, schilder Adrien Bressers, kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert.

1860-1862

Maaltekasteel – neogotische vleugel met huiskapel; muurschildering 1866-1867.

Kortrijksesteenweg 1023, Gent.

I.o.v. industrieel Joseph de Hemptinne.

I.s.m. aannemer Louis Gildemyn, schilder Adrien Bressers.

1860-1872

Kapel karmelietessenslotklooster O.L.Vrouw hulp der Christenen en aan de Heilige Engelen – teruggaand op Sint-Jacobskapelle anno 1673.

Einestraat 40, Oudenaarde.

1861

Herenhuis met empiregevel – ontwerp neogotische zij- en achtergevel (nu: Stedelijke basisschool, dagverblijf, peutertuin).

Sleepstraat 167-169, Gent.

I.s.m. architect Auguste Van Assche.

1861

Pastorie – voormalige proostwoning.

Bradericplein 18, Damme-Vivenkapelle.

I.o.v. Elisa en Coralie Verhulst in uitvoering van wens overleden vader.

1861-1863

Broedersschool Heilige Jozef en broedersklooster Sint-Vincentius a Paulo – ontwerp en in 1879 ook uitbreiding (later: restauratie olv. architecten Aimé Meyer en Piet Viérin)..

Bradericplein 22, Damme-Vivenkapelle.

I.o.v. Elisa en Coralie Verhulst in uitvoering van wens overleden vader.

I.s.m. aannemer Louis Bulckaert en schrijnwerker Charles van Robays.

1861-1863

Meisjes- en bewaarschool Heilige Engelen en zustersklooster Heilige Jezus – basisidee.

Bradericplein 16, Damme-Vivenkapelle.

I.s.m. architect-glazenier Florimond Van de Poele – ontwerp gebouwen.

1861-1867

Onze-Lieve-Vrouw Geboorte en H. Philippuskerk – uitbreiding 14de-eeuwse Mariakapel (later: restauratie 1980 door de Brugse architect Aimé Meyer.)

Bradericplein 20, Damme-Vivenkapelle.

I.o.v. Elisa en Coralie Verhulst in uitvoering van wens overleden vader.

I.s.m. aannemer Louis Bulckaert, schrijnwerkers Charles Van Robays en Charles Lenoir, beeldhouwer Leopold Blanchaert, kunstschrijnwerk Leonard Blanchaert, kunstsmeedwerk Pierre Van Cleven en Edward De Vooght, edelsmeedwerk Armand Bourdon sr., textiel Emilie Van Outryve d’Ydewalle (echtgenote Jean-Baptiste Bethune), schilderwerk Adrien Bressers.

1863

Jachtopzienerswoning (nu: restaurant Ten Voute).

Steenbruggestraat 24, Zedelgem-Loppem.

1863

Huiskapel en bediendenhuis bij Huis Lousbergs-De Hemptinne – aanbouw bij huis uit 1842-1848 van architect Louis Eyckens.

Keizer Karelstraat 75, Gent.

I.o.v. Johan de Hemptinne.

I.s.m. aannemer Louis Gildemyn.

1864

Neogotische kanunnik- en bisschopskapel Centrale Begraafplaats (later: restauraties 1909-1912 Huib Hoste en 1985-1992).

Kleine Kerkhofstraat z/n, Brugge.

1865

Kasteel van Schelderode – ontwerp en glasramen.

Schelderodeplein 7, Merelbeke-Schelderode.

I.s.m. architect-bewoner Florimond Van de Poele.

1865-1869

Heilig-Kruiskapel kasteel Overhamme – ontwerp en bouw kapel 1865, acht glasramen in 1869 (nu: Kasteel de Rozerie, feest- en evenementenzalen).

Brusselsesteenweg 75, Aalst.

I.o.v. Joséphine, vrouw van industrieel Cornelis Eliaert.

1865

Houten Hilduardus en Christianaretabel in kapel - ontwerp.

Sint-Christianastraat z/n, Gavere-Dikkelvenne.

I.s.m. kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert.

1866-1868

Sint-Jozefkapel van het klooster van Waarschoot- in 1871 en 1873 ook nog glasramen..

Schoolstraat 33, Waarschoot.

1868

Heilig-Sacramentskapel ’t Putje – restauratie en neogotisch koor (later: wederopbouw na WO II 1958-1960 door architect Adrien Bressers jr.).

Putkapelstraat 101, Sint-Denijs-Westrem.

I.o.v. industrieel Joseph de Hemptinne.

I.s.m. schilder Adrien Bressers sr. (1895 koorschildering) en beeldhouwer Leopold Blanchaert (altaar).

1869-1876

Landhuis Lakebos / Rood Kasteel (later: na moord op bewoner jonkheer Henri d’Udekem d’Acoz  - ‘De Bossen van Beernem’ - verkocht in 1919; grotendeels afgebroken begin jaren 1950; eigentijds herbouwd in 1984 door architect N. Hostens).

Lakebossendreef 4, Oostkamp-Ruddervoorde.

I.o.v. ridder Eugène van Outryve d’Ydewalle en Laurence de Serret (schoonouders Jean-Baptiste Bethune.).

1870

Sint-Salvatorkathedraal – neogotische schildering (nu: vrijwel verdwenen).

Sint-Salvatorkerkhof z/n, Brugge.

1870

Neogotische huiskapel in poortgebouw van Onze-Lieve-Vrouweproosdij (nu: bibliotheek Groeningemuseum).

Dijver 12, Brugge.

I.o.v. Charles van Caloen.

1870

Neogotische Sint-Jozefkapel.

Weststraat z/n, Damme-Moerkerke.

I.o.v. familie Verhulst.

1870

Onze-Lieve-Vrouwekapel.

Breestraat z/n, Wielsbeke.

1870

Neogotisch retabel hoofdaltaar Notre-Damekerk.

Rue Adolphe Sax 1, Dinant.

I.s.m. architect Auguste Van Assche.

1870-1871

Sint-Martinuskerk – vergroting in neogotische stijl, toezicht op vernieuwing interieur.

Dorp z/n, Zedelgem-Loppem.

I.s.m. architect Auguste Van Assche.

1871

Belgische Tiara aangeboden aan paus Pius IX - ontwerp.

Vaticaanstad, Rome (Italië).

I.s.m. siersmeedatelier Armand Bourdon sr.

1871-1881

Mozaïeken van de koepel van de Dom van Aken.

Domhof 1, Aachen (Duitsland).

1872

Kapel van Lyceum Hemelsdaele (nu: gesloopt in 1977).

Wapenmakersstraat 14, Brugge.

1872-1874

Sint-Aubertuskapel van klooster van Poortakker – begeleiding bouw en tussen 1876 en 1883 ontwerp glasramen.

Oude Houtlei 56, Gent.

I.s.m. kunstglazenier Arthur Verhaegen, architect Florimond Van de Poele, schilder Adrien Bressers en kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert.

1872-1889

Benedictijnenabdij Maredsous – ontwerp van gebouw en interieur.

Rue de Maredsous 11, Denée.

I.o.v. familie Desclée.

I.s.m. kunstglazenier Arthur Verhaegen, werfleider Gustave Soreil, siersmeedatelier Armand Bourdon sr., kunstglazenier Gustave Ladon, Luikse schilder Jules Helbig, e.a.

1873

Jezuïetenklooster – twee gevels ter vervanging poortgebouw en lijstgevel.

Kortewinkel 10-12, Brugge.

1873

Sint-Martinuskerk – hoofdaltaar en drie glasramen.

Dorp z/n, Zedelgem-Loppem.

I.o.v. Charles van Caloen.

1873-1875

Begijnhofkerk H. Elisabeth van Hongarije, H. Michael en H. Engelen.

Groot Begijnhof z/n, Sint-Amandsberg.

I.s.m. schilder Adrien Bressers.

1873-1876

Clarissenklooster de l’Épeule (nu: in 2008 verlaten door clarissen, sinds 2010 beschermd monument).

Rue de Wasquehal 2, Roubaix (Frankrijk).

I.o.v. industrieel Henri Desclée.

1875

Neogotisch herenhuis – ontwerp (nu: deel van het Koninklijk Lyceum).

Pontstraat 31, Aalst.

I.o.v. broer Paul Bethune, politicus.

1875

Kapel der Affaytadi in 16de-eeuwse kasteeltoren Selsaete.

Selsaetenstraat 50, Wommelgem.

1876-1877

Basiliek Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes – bouw overgenomen van architect Emile Van Hoecke-Peeters, aan interieur gewerkt tot eind jaren 1880.

Onze-Lieve-Vrouwdreef z/n, Gent-Oostakker.

I.o.v. markgravin de Courtebourne.

I.s.m. schilder Adrien Bressers.

1876-1878

Saint-Josephkerk (nu: sinds 1993 beschermd monument, in restauratie).

Rue de France 125, Roubaix-Fontenoywijk.

I.s.m. Nederlandse schilder Willem Beumens voor decoratie vanaf 1891.

1876-1895

Sainte-Jacqueskerk – 1876 Sacramentsaltaar i.s.m. schilder Jules Helbig, beeldhouwer Leopold Blanchaert, kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert; 1878 Hoofdaltaar i.s.m. schilder Jules Helbig, beeldhouwer Leopold Blanchaert, kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert; 1891 Heilige Familie-altaar i.s.m. schilder Adrien Bressers, beeldhouwer Leopold Blanchaert, kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert; 1892 Retabel Sint-Jacobsaltaar i.s.m. schilder Adrien Bressers, beeldhouwer Leopold Blanchaert, kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert; 1895 restauratie gewelven i.s.m. schilder Jules Helbig.

Rue du Palais Saint-Jacques z/n, Doornik.

1878

Burgerhuis – restauratie met wijzigingen.

Zilverstraat 38, Brugge.

I.o.v. kanunnik Felix Bethune, broer van Jean-Baptiste Bethune.

1878

Kruisweg in neogotische kerkhofgalerij.

Mariakerkeplein z/n, Gent-Mariakerke.

I.s.m. beeldhouwer Leopold Blachaert en kunstschrijnwerker Leonard Blanchaert.

1878

Saint-Jacqueskerk – ontwerp Heilig-Hartaltaar, uitgevoerd door beeldhouwers Jean-Baptist de Boeck en Jean-Baptist Van Wint in 1880; ontwerp Sint-Jozefbeeld, uitgevoerd door beeldhouwer Leopold Blanchaert in 1885; reliekhouder van Sint-Jacob, uitgevoerd door edelsmid Joseph Wilmotte in 1889.

Place Saint-Jacques 8, Luik.

1878-1884

Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen-abdijkapel / Bethunekapel Oude Abdij – interieurdecoratie, hoofdaltaar, retabel, heiligenbeelden, glasramen, ciborium.

Drongenplein 26, Drongen.

I.s.m. schilder Adrien Bressers (polychromie), beeldhouwer Leopold Blanchaert (altaar en ciborium), kunstschrijnwerker Leonard Blanchard, kunstglazenier Arthur Verhaegen, beeldhouwers Jean-Baptist De Boeck en Jean-Baptist Van Wint, schilder R. de Pauw, edelsmid Joseph Wilmotte (tabernakel, expositietroon).

1879

Kasteel van Tillegem – verbouwing en neogotische inrichting van huiskapel.

Tillegemstraat 83, Brugge-Sint-Michiels.

I.o.v. Charles de Peñaranda.

1883-1885

Relikwiehouder Karel de Goede in Sint-Salvatorkathedraal.

Sint-Salvatorkerkhof z/n, Brugge.

1884

Kapel van kasteel Drie Koningen (nu: na afbraak in 1970 rest koorgevel, deel van grafmonument Hubert van Outryve d’Ydewalle).

Drie Koningen 1, Beernem.

I.o.v. baron de Smet van Outryve.

1884

Mariacongregatiekapel klooster Onze-Lieve-Vrouw ten Doorn (nu: deel College O.L.Vrouw ten Doorn).

Zuidmoerstraat 125, Eeklo.

1884-1889

Sint-Rochuskerk.

Hoogstraat z/n, Blankenberge.

I.s.m. kunstglazenier Arthur Verhaegen, aannemers I. Lambert uit Oostkamp en R. Bruggeman uit Sint-Joris.

1889

Drie dorpswoningen.

Markekerkstraat 1-5, Kortrijk-Marke.

1890-1891

Abdij Ten Putte – herbouw kapel, pastorie, klooster en priesterhuis (nu: 20ste-eeuwse aanpassingen met devotiekapel voor reliek Sint-Godelieve).

Abdijstraat 84, Gistel.

1890-1893

Sint-Amandus en Heilig Hartkerk – herbouw 18de-eeuwse kerk (later: na WO I opnieuw herbouwd in 1920-1925).

Robecijnplein z/n, Spiere-Helkijn.

I.s.m. architect Jules Carette.

1890-1891

Neogotische woning – ontworpen door Jean-Baptiste Bethune in 1890, gebouwd in 1901 na diens dood.

Markekerkstraat 25, Kortrijk-Marke.

1891

Sint-Michielskerk – restauratie naar vroeg-17de-eeuwse toestand (later: wederopbouw 1950-1957, na verwoesting in 1944).

Sint-Michielsplein z/n, Kortrijk.

I.s.m. architect Jan van Ruymbeke.

1891

Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskapel.

Kasteeldreef z/n (naast herdenkingskruis), Kortrijk-Marke.

1893

Sint-Brixiuskerk – ontwerp, gebouwd in 1900-1901 na dood Jean-Baptiste.

In deze kerk bevindt zich het familiegraf van de familie (de) Bethune.

Markekerkstraat z/n, Kortrijk-Marke.

I.s.m. Kortrijkse architect Jules Carette, schilder Adrien Bressers, beeldhouwer Leopold Blanchaert, beeldhouwer J. Lelan-Declerck

(doopvont).

1889-1899

Sint-Omaarskerk – ontwerp van Jean-Baptiste Bethune, gebouwd door architect Jules Carette.

Bissegemplaats z/n, Kortrijk-Bissegem.

1900

Sint-Pieters-in-de-bandenkerk – ingrijpende torenrestauratie van baksteen naar veldsteen.

Gemeenteplein z/n, Oostkamp.

N.o.v. architect Charles De Wulf, verbeterd voor zijn dood in 1894 door Jean-Baptiste Bethune.

1914

Koetshuis van kasteel Blommeghem – ontwerp, gebouwd in 1914 na dood Jean-Baptiste.

Baron J. de Bethunestraat 16, Kortrijk-Marke.

????

Kasteel Ter Heyde.

Sint-Andries-Brugge.

I.o.v. Charles van Outryve d’Ydewalle.