Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

PIERRE BRUNO BOURLA (1783-1866)

Quartier Latin

Bourla is door zijn geboorte in Parijs op 19 december 1783 weliswaar Fransman, maar zijn ouders komen uit het Henegouwse Tournai (Doornik). Hij is de oudste zoon van Jean-Bruno Bourla, die het in Parijs tot Inspecteur de Domaines heeft gebracht. Die stuurt zijn oudste zoon naar het jezuïetencollege in Doornik, om de verlokkingen van het wufte Parijse studentenleven te ontlopen. Pierre-Bruno zal er ook de als uitstekend bekendstaande tekenacademie volgen, waar ook pa zelf, zijn oom Dominique Bourla en neef Bruno Renard les hebben gevolgd.

Na zijn terugkeer in Parijs kan hij aan de slag als medewerker van Charles Percier, de beroemde architect van Napoléon Bonaparte. Hij krijgt ook les in de klassieke Franse traditie van Pierre-François-Léonard Fontaine, Claude-Nicolas Ledoux en vooral van Jean-Nicolas Durand, belangrijk theoreticus van het functioneel rationalisme.

Architectuur zit in de familie: jongere broer Alexandre Bourla ontwerpt het Parijse Cirque Olympique, neef Bruno Renard is vooral bekend van Grand-Hornu, de steenkolenmijn nabij Saint-Ghislain, die Henri Degorge vanaf 1820 laat uitbouwen tot een industrieel complex en waarin thans onder meer het Musée des Arts Contemporain (MAC’s) van Wallonië is gevestigd.

Pierre’s zussen France-Louise en Aglaea trouwen allebei met zonen van de eveneens uit Doornik afkomstige, maar ook naar Parijs gekomen architectenfamilie Vifquain. France-Louise met Jean-Baptiste Vifquain, die verderop in dit verhaal opduikt.

In 1804 loot Pierre-Bruno erin voor het Franse leger van Napoléon. De familie koopt een plaatsvervanger, maar die deserteert, zodat zoonlief werkelijk onder de wapenen wordt geroepen. Op 22 juli 1812 wordt hij bij Salamanca door de Engelsen krijgsgevangen genomen en naar hun land gevoerd. In de gevangenis mag hij aanvankelijk zijn passerdoos behouden, die hij echter later met iemand meegeeft, om zijn ouders te laten weten dat hij nog in leven is. Na Napoléons nederlaag bij Leipzig het jaar daarop, wordt Pierre-Bruno vrijgelaten en eind 1813 is hij terug thuis in Parijs, waar inderdaad zijn passerdoos op hem wacht.

Na de slag bij Waterloo vestigt Jean-Baptist Vifquain zich in de Nederlanden van koning Willem I. Dankzij zijn uitstekende opleiding aan de Parijse polytechnische school wordt hij inspecteur-generaal van Bruggen en Wegen. Hij werkt mee aan de Brusselse Muntschouwburg en raadt zijn zwager aan om ook naar Brussel te komen.

In 1816-’17 laat Vifquain zijn zwager toezien op de werken aan het paviljoen voor de prins van Oranje in Tervuren, dat gebouwd wordt op de fundamenten van het vroegere jachtslot van de hertogen van Brabant, vandaag een ruïne nabij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.

Pierre-Bruno neemt deel aan diverse architectuurwedstrijden, waarbij hij in 1819 een eerste prijs behaalt in Antwerpen met een ontwerp voor een nieuw burgerlijk gasthuis met 1000 bedden. Het levert hem de betrekking van leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en de functie van Stadsbouwmeester op, hetgeen ook directeur van de Stedelijke Havenwerken inhoudt.

Pierre-Bruno gaat op 21 september 1820 op kamers wonen bij de jonge weduwe Kennes in de Huidevettersstraat 31 en zal zijn hele leven vrijgezel blijven.

Op 10 december 1823 krijgt Bourla op eigen verzoek eervol ontslag als professor aan de academie. In feite een gedwongen verzaking aan dit docentschap, omdat vastgesteld wordt dat de heer Bourla geen Nederlands kent en het niet te verwachten valt, dat hij die taal snel machtig zal zijn. En dat kon niet in het land van de Nederlandse vorst Willem I. De functie van stadsbouwmeester blijft hij evenwel tot 1861 behouden.

Vanaf 1824 restaureert Bourla de oude collegezaal van het stadhuis. Hij richt een kabinet in voor burgemeester Floris Van Ertborn met een 16de-eeuwse renaissanceschouw, die wordt gerecupereerd uit een huis aan de Sint-Jacobsmarkt.

In 1824-’25 ontwerpt hij de eerste Sint-Laurentiuskerk en bijbehorende pastorie voor het nieuwe chique Lei-kwartier, dat zich rond de Markgravelei aan het vormen is.

Bij de bouw van het nieuwe Sint-Elisabethziekenhuis voorziet hij in 1826 een poortgebouw als toegang tot de bijbehorende Plantentuin aan de Leopoldstraat, waar in 1828 ook een – inmiddels vervangen – orangerie/broeikas van zijn hand verrijst.

Tussen 1827 en 1829 restaureert Bourla samen met Louis Serrure de Onze-Lieve-Vrouwetoren, waarvan zij reeds in 1825 de hoogte nauwkeurig hebben bepaald op 124,925 m. (Vandaag beweert elke Antwerpenaar nochtans, dat ‘zijn’ toren 123 meter hoog is!)

In 1827 volgt de opdracht voor het nieuwe ‘Grand Théâtre’, zoals de Bourlaschouwburg aanvankelijk wordt genoemd. Op 28 juli 1829 wordt de aanbesteding gedaan, de bouw zal duren tot 1834. Bourla beleeft in die periode de Belgische Omwenteling van 1830, wat hem kennelijk geen problemen oplevert.

Tussen 1839 en 1843 werkt hij aan de verbouwing en uitbreiding van het vroegere minderbroedersklooster aan de huidige Mutsaardstraat. Dat complex is in 1810 ter beschikking gesteld van de Academie voor Schone Kunsten.

In 1856 volgt nog het Kattendijkdok op het Eilandje, waarvoor Bourla samenwerkt met de nieuwe stadsarchitect Frans Stoop.

Samen met o.a. Bruno Renard, Tilman François Suys en Louis Joseph Roelandt maakt Pierre-Bruno Bourla deel uit van de bij Koninklijk Besluit van  7 juni 1835 opgerichte Koninklijke Commissie voor Monumenten, die tot doel heeft het behoud en de studie van het nationale bouwkundig patrimonium.

Op 1 januari 1862 wordt Bourla op eigen verzoek met pensioen gestuurd, maar hij blijft ere-architect, om langs die weg eventueel nog een beroep op hem te kunnen doen.

Pierre Bruno Bourla sterft in Antwerpen op 31 december 1866 en wordt aanvankelijk begraven op het kerkhof van ‘zijn’ Sint-Laurentiuskerk. Bij de ruiming van dat kerkhof wordt zijn lichaam op 12 december 1929 ontgraven, om op 4 januari 1930 overgebracht te worden naar ereperk-rondpunt AB op het Schoonselhof. Jaak De Braekeleer zorgt voor het bas-reliëf op zijn graf . In 1938 is er op de Bourlaschouwburg (rechts vooraan) ook een Bourla-gedenkplaat van De Braeckeleer aangebracht.


Oeuvre (onvolledig):

1820

Kapel van het Bureau voor Weldadigheid (voorloper O.C.M.W.).

Blindestraat 9, Antwerpen.

1821-1824

Sint-Bernardsabdij – verbouwing en bouw nieuwe oostvleugel voor correctionele staatsgevangenis, opgeheven in 1867.

Depotstraat 54, Hemiksem.

1821-1848

Verbetering kaaien – later bij rechttrekking Scheldekaaien gewijzigd.

Werf (nu Steenplein e.o.), Noordkaai (nu Ortelius en Van Meterenkaai), Van Dijckkaai (1837, nu Ernest Van Dijckkaai), Entrepôtkaai (1837-‘39), Jordaenskaai, Plantinkaai (1848).

1824

Stadhuis: restauratie collegezaal en zuidoost vleugel en overkoepeling binnenplaats.

Grote Markt 1, Antwerpen.

1824-1825

Sint-Laurentiuskerk (afgebroken in 1932 en vervangen door neo-byzantijnse kerk van Jef Huygh) en pastorie.

Markgravelei 95 (pastorie), Antwerpen.

1826

Poortgebouw Plantentuin.

Leopoldstraat 24, Antwerpen.

1827-1829

Onze-Lieve-Vrouwetoren – restauratie i.s.m. Louis Serrure.

Handschoenmarkt, Antwerpen.

1828

Oranjerie / broeikas van Plantentuin - vervangen in 1884 door nieuwe kas van Ernest Dieltiens, die op zijn beurt gemoderniseerd is door E. Dick in 1971.

Leopoldstraat 24, Antwerpen.

1829

Stadsschool (gesloopt).

Waaistraat, Antwerpen.

1829

Stadsschool – thans afdeling Beeldhouwen Kon. Academie voor Schone Kunsten.

Blindestraat 21, Antwerpen.

1829-1834

Grand Théâtre – thans Bourlaschouwburg, uitgebreid in 1863 door Pieter Dens.

Komedieplaats 18, Antwerpen.

1833-1834

Overwelving van ruien (smalle stadsgrachten) en bouw spuisluizen.

Boterrui (verlengde Suikerrui, thans verdwenen), Burchtgracht, Leguitstraat, Oude Leeuwenrui (1845 gedempt).

1836

Sint-Eliabethgasthuis – ombouw oude gebouwen.

Lange Gasthuisstraat 45, Antwerpen.

1837

Krijgsmagazijn (afgebroken).

Belliardstraat, Antwerpen.

1839-1841

Museum van de Academie – verbouwing kapel minderbroedersklooster.

Mutsaardstraat 31, Antwerpen.

1841-1842

Nieuwe vismarkt (gesloopt in 1883) .

Visberg (nu Steenplein), Antwerpen.

1841-1843

Lange Zaal - expositiezaal van Kon. Academie voor Schone Kunsten, destijds voornamelijk voor kunstkring ‘Société des amis des arts’.

Venusstraat 36, Antwerpen.

1841-1843

Poortgebouw en hek van afsluiting Kon. Academie voor Schone Kunsten.

Mutsaardstraat 31, Antwerpen.

1842-1851

Sint-Elisabethgasthuis – uitbreiding met nieuwbouw, thans Oud Gasthuis Seminaries.

Lange Gasthuisstraat 45, Antwerpen.

1845-1847

Stadsschool Jongensschool nr.1 – laat-classicistische stijl, aangepast door Pieter Dens in 1863 en heringericht tot Stedelijk Instituut voor Handel en Administratie in 1879, thans Encora, Centrum voor Volwassenenonderwijs.

Kipdorpvest 24, Antwerpen.

1847

Octrooi entrepôt - na sloping Bezaenhuis (bezaan = magazijn).

Kaaien ter hoogte Zakstraat, Antwerpen.

1847-1849

Infanteriekazerne (afgebroken).

Begijnenvest, Antwerpen.

1853

Stadsschool (afgebroken).

Leguit, Antwerpen.

1856

Directeurswoning en wintertuin Kon. Academie voor Schone Kunsten.

Mutsaardstraat 29 en 31, Antwerpen.

1856-1860

Kattendijkdok (middendeel en Kattendijksluis) – i.s.m. stadsarchitect Frans Stoop.

Kattendijkkaai Oost en West, Antwerpen.