Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

CHARLIERMUSEUM

Kunstlaan 16

1210 Sint-Joost-ten-Noode

In de Brusselse gemeente Sint-Joost-ten-Node bevindt zich een charmant, maar weinig bekend gemeentelijk museum, dat sinds 1928 toegankelijk is voor het brede publiek. Het is gevestigd in een huis dat tot 1925 in bezit is geweest van Guillaume Charlier, die het geërfd heeft van Henri Van Cutsem.


Op kerstdag 1839 komt Henri Émile Van Cutsem ter wereld in Brussel. Zijn vader heeft aan de Brusselse academie een opleiding gevolgd als architect en is dan naar Parijs getrokken om daar leerling te worden van Jean Ingres. Die beroemde Franse schilder zou hem zelfs ooit zijn beste leerling hebben genoemd. Maar Joseph Adolphe Van Cutsem wordt weggeroepen van het artistieke milieu om de ‘serieuze’ familiezaken in handen te nemen, te weten het chique Hôtel de Suède aan de Brusselse Anspachlaan. Zoon Henri gaat in Luik rechten studeren, maar zal nooit enig beroep uitoefenen dat met deze studie verband houdt. Net als zijn vader voelt hij zich aangetrokken tot de kunstwereld en tijdens lange bezoeken aan Parijs legt hij talloze contacten met kunstenaars aldaar. Hij waagt zich zelfs ook wat aan schilderen en tekenen, maakt als autodidact landschapjes en portretten. Maar daar blijft het voor hem bij, de familiezaak roept.


De zaken floreren, zodat Henri vanaf zijn 35ste stilaan een eigen kunstcollectie kan gaan opbouwen, zonder daarbij al te zeer te moeten rekenen bij elke nieuwe aanschaf. Naast instinct is het ook zijn scherpe blik tijdens de uren die hij doorbrengt in musea en op exposities, die zijn keuze telkens bepaalt. Als eerste werk koopt hij Het atelier van Hendrik de Braekeleer, een kunstenaar die hij trouw zal blijven en voor wie hij zelfs bij diens dood bijna 15 jaar later een mausoleum in Antwerpen laat oprichten. Het atelier getuigt van de voorkeur van Van Cutsem voor het realisme en dat zet hem aan tot het kopen van werk van Agneessens, Degroux, Meunier en Stevens. Maar de verzamelaar volgt de kunstevolutie op de voet, hij concentreert zich achtereenvolgens op het luminisme en op nog modernere schilders, met name Manet, Monet en Seurat, van wie hij telkens werken koopt en zo zal zorgen voor een van de weinige originele werken van Édouard Manet die Belgische musea rijk zijn. Door al zijn aankopen bouwt Henri Van Cutsem een zeer diverse kunstcollectie op met werken uit de romantiek, het realisme, het naturalisme en het symbolisme.


In 1890, Henri is net de vijftig gepasseerd, erft hij van zijn moeder twee belendende woningen aan de Brusselse Avenue des Arts / Kunstlaan 15 en 16, net in de gemeente Sint-Joost-ten-Node. Het breedste pand van de twee dateert uit 1844 en strekt zich in de diepte uit tot aan de Liefdadigheidsstraat aan de achterzijde. Van Cutsem is op dat moment rijk genoeg om een van zijn connecties in de arm te nemen, de dan nog jonge en onbekende architect Victor Horta, om voor de nodige aanpassingen te zorgen. Op de plek van de vroegere paardenstallen en bergruimten bouwt Horta een galerij met een dak in glas en ijzer – hij heeft als leerling meegewerkt aan de koninklijke serres van Alphonse Balat te Laken - om daar Henri’s kunstcollectie in onder te brengen. In 1892 wordt het huis op nr;15 afgebroken en helemaal herbouwd, waarbij het volledig geïntegreerd wordt in het andere pand achter gelijkgemaakte gevels. Horta voegt achteraan een tweede galerij toe, waarna in 1903 op de kleine binnenplaats nog een gebouw wordt opgetrokken dat beide galerijen verbindt.   


Rijk maakt echter niet gelukkig, een zegswijze die echt wel op Henri van toepassing is: zijn broer sterft en ook zijn vrouw Laure en hun zoontje overlijden vroegtijdig. Maar die persoonlijke tegenslagen lijken Van Cutsem des te meer bekommerd te maken om het welzijn van anderen, met name van zijn kunstvrienden, zodat hij zich als een ware mecenas zal ontpoppen, iemand die niet enkel hun werk koopt, maar hen veel ruimer zal bijstaan. Zo nodigt hij kunstenaars uit op culturele evenementen en diners, hij betaalt hun vakanties, biedt hen studiereizen of werkruimten aan en sticht kunstprijzen aan academies.


Een heel aparte plaats tussen die kunstvrienden krijgt Guillaume Charlier. Henri heeft Guillaume leren kennen toen die nog een gewone leerling-beeldhouwer aan de Brusselse academie was. Wanneer Van Cutsem in 1879 van hem het plaasteren beeld Le Déluge (De Zondvloed) koopt, wordt dat het begin van een grote vriendschap tussen de verzamelaar en de beeldhouwer, die wat later de Prijs van Rome behaalt. In 1884 sluit Charlier zich aan bij de Brusselse kunstkring Les XX (Vingt) en het jaar daarop laat Henri een atelier voor hem bouwen. Als de echtgenote en de zoon van Van Cutsem overleden zijn, stelt hij aan Charlier voor om met hem zijn huis aan de Kunstlaan te delen. Charlier trouwt wat later en zijn nieuwe echtgenote komt daar met beide heren samenwonen. Zij zal actief deelnemen aan de organisatie van artistieke samenkomsten bij Van Cutsem, die kunstenaars thuis uitnodigt of in zijn kustvilla Quisiana aan de Blankenbergse Zeedijk, danwel op zijn kasteeldomein Roumont in Ochamps, in de provincie Luxemburg.


Maar de grote droom van Henri Van Cutsem is om zijn eigen verzameling onder te brengen in een museum, zodat iedereen daarvan kan genieten. Daarvoor maakt hij dan ook reeds bij leven en welzijn voorbereidingen. Hij biedt bij legaat de Belgische Staat zijn collectie aan, om die openbaar toegankelijk te maken. Maar de schenking wordt geweigerd door de bevoegde ambtenaar, met onder meer als argument dat er een liggende naakte vrouw (de Griekse Périmèle) bij is. Eigenlijk wil de Belgische Staat zelf een keuze maken uit alle werken en niet zomaar het geheel overnemen. Uiteindelijk hakt Henri de knoop door en biedt zijn hele verzameling aan de stad Doornik aan. Daar is men blijkbaar minder scrupuleus – we zitten dichter bij het frivole Frankrijk – en het stadsbestuur is bereid rond de collectie een museum te laten bouwen, waarbij de kosten geen probleem kunnen vormen, die zijn gewoon voor rekening van Van Cutsem. Victor Horta mag het gebouw ontwerpen.


Wanneer Henri Van Cutsem op 13 september 1904 op zijn domein in Ochamps overlijdt aan een longaandoening, gaat samen met het Brusselse huis ook de hele kunstverzameling over naar Guillaume Charlier, die als erfgenaam de wens van zijn weldoener zal uitvoeren. Charlier ziet erop toe dat heel de collectie van zo’n duizend stuks schilderijen, meubels, porselein en beeldhouwwerk verdeeld wordt tussen Brussel en Doornik  In die laatste stad start de bouw van het museum in 1912 op de terreinen van de vroegere Sint-Maartensabdij (zie Kunstschuimerroute Doornik voor het Musée des Beaux-Arts aldaar).


In het Brusselse huis richt Guillaume Charlier zijn eigen kunstatelier in en gaat zelf ook kunst verzamelen. De voltooiing van het Doornikse museum – waarvan de bouw vertraging oploopt door de Eerste Wereldoorlog – zal Charlier niet meer meemaken. Hij sterft op 15 februari 1925 op 70-jarige leeftijd, maar laat ook iets na. Charlier schenkt de gemeente Sint-Joost-ten-Node de woning van Henri Van Cutsem met de volledige inboedel op voorwaarde dat ook daarin een museum komt. Aan die wens wordt voldaan en nog in hetzelfde jaar als het Doornikse museum kan in Sint-Joost op 21 oktober 1928 het Charliermuseum worden ingehuldigd. Daar is het oorspronkelijke tijdskader tot op vandaag behouden, wat betekent dat er een collectie Franse stijlmeubelen te aanschouwen valt, naast Engelse spiegels, wandtapijten uit Brussel, Oudenaarde en Aubusson en Spaanse en Nederlandse interieurstukken. Er zijn zetels van de Franse ebenist Sené in Lodewijk XIV-stijl en van Nadal L’Ainé in Lodewijk XV-stijl. Een Empire-ensemble (de stijl van het keizerrijk van Napoléon Bonaparte) is van de Brusselse meubelmaker Chapuis. Het tafelzilver is van De Hondt, Dartois en Dutalis en een beroemde naam in de sector wandtapijten is Barend van Orley. Het museum bezit een flinke collectie 19de-eeuwse schilderijen van Hippolyte Boulenger, Jacob Smits, James Ensor, Antoine Wiertz, Léon Frederic, Juliette Wytsman, Emile Wauters, Victor Gilsoul, Alfred Stevens, Guillaume Vogels, Édouard Agneessens, Jean Gouweloos, Théodore Baron, Eugène Laermans, Guillaume Van Strydonck, Isidore Verheyden, daarnaast etsen van Theodoor Verstraete, Jehan Frison en Armand Rassenfosse en beeldhouwwerk van Rik Wouters, Emile Namur en uiteraard Guillaume Charlier himself.


Jaarlijks staat er een dag op het museumprogramma waarop individuele bezoekers deel kunnen nemen aan een rondleiding door deze vaste collectie en ook aan Open Monumentendag Brussel wordt deelgenomen. Openingsuren: ma.-do. 12-17u., vr. 10-13u. Toegang: € 5,00. Voor de diverse activiteiten en tentoonstellingen kan je terecht op http://www.charliermuseum.be of via tel. 02/220.26.91.