Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

DAVID CHASSÉ (1765-1849)

Tournai / Doornik

Als jong militair treedt David Hendricus Chassé in dienst bij het regiment van zijn vader. Hij sluit zich aan bij de Patriotten, de tegenstanders van stadhouder Willem V. Slechte gok, hij moet naar Frankrijk uitwijken, een land waarmee hij vaker in zijn leven te maken zal krijgen. In 1799 - de Franse Revolutie is zijn uitlopers over onze contreien aan het uitstrekken, vecht Chassé in dienst van de Bataafse Republiek tegen de Engelsen en de Russen in Noord-Holland. Vanaf 1806 worden we het Koninkrijk Holland, bestuurd door Lodewijk Napoleon, broer van de grote Napoleon Bonaparte, die zich inmiddels tot keizer heeft gekroond. Lodewijk verleent Chassé de titel van baron.


Na het aftreden van Lodewijk Bonaparte in 1810, wordt Nederland in 1811 bij Frankrijk ingelijfd. Chassé neemt dienst in het keizerlijke leger en voert een Hollands leger aan, dat wordt ingezet in Spanje. Het levert hem de verheffing tot 'baron de l'empire' op door de keizer himself. Bonaparte zal niet hebben vermoed, dat hij daarmee een toekomstig tegenstander adelt.


Wanneer Napoleon in 1813 een eerste maal wordt verslagen bij Leipzig, verandert David van kamp en neemt dienst in het Nederlandse leger onder koning Willem I. Onder diens vlag neemt hij op 18 juni 1815 deel aan de Slag bij Waterloo, waarin Napoleon Bonaparte zijn laatste nederlaag leidt tegen de verenigde legers van Engeland, Pruisen en Nederland. Voor zijn prestaties ontvangt Chassé ditmaal de Militaire Willemsorde.


In 1830 is luitenant-generaal Chassé commandant van de vesting Antwerpen en als dusdanig heeft hij het bevel over de troepen die in de Antwerpse citadel, het Zuidkasteel, gelegerd zijn. Geen 'havik' zijnde, had deze man zich graag rustig gehouden temidden van zijn 5000 Hollandse jongens, maar het loopt anders.

Wanneer op 25 augustus 1830 in Brussel een oproer uitbreekt, tijdens een voorstelling in de Koninklijke Muntschouwburg van Aubers opera "La Muette de Portici", loopt dat uit op een echte opstand tegen Willem I en een onafhankelijkheidsstrijd van de Belgen. In Antwerpen heeft koning Willem I in de restanten van de Sint-Michielsabdij aan de Kloosterstraat een entrepot, een gevangenis en vanaf 1824 ook een groot wapenarsenaal laten aanleggen. Op 27 oktober 1830 voert een groep Belgische vrijwilligers ("Rebellen!", zou Chassé ons verbeterd hebben) op dat arsenaal een raid uit. En dát gaat onze generaal net iets te ver. Hij start vanuit het Zuidkasteel een bombardement op de stad, bijgestaan door een Nederlands vlooteskader, dat op de Schelde ligt. Een waar bommentapijt daalt neer over Sint-Andries, een volkswijk, met een onvoorstelbare paniek en veel slachtoffers tot gevolg. De Kloosterstraat brandt grotendeels af, met inbegrip van de opslagplaats. Vandaar op die plek thans de Verbrande Entrepotstraat. Wat nog als ruïne overeind staat, wordt in 1833 gesloopt. Nu krioelt het in dezelfde buurt in het weekend van de Hollanders, die afkomen op de vele brocantezaken, intussen ook deels door hun landgenoten gedreven.


Omdat koning Willem I weigert zich neer te leggen bij het verdrag van Londen van 10 oktober 1831, waarin de ontruiming van het Zuidkasteel wordt afgesproken, blijft Chassé met zijn soldaten ook rustig zitten. En kan Leopold I als nieuwbakken Belgische vorst enkel vanop de Sint-Andriestoren een blik op de citadel werpen, zich afvragend aan welk avontuur hij in godsnaam begonnen is. Uiteindelijk rest hem geen andere keuze, dan er een Franse legerdivisie bij te halen onder leiding van maarschalk Maurice Gérard, minister van Oorlog van Frankrijk en ook al een oudgediende van Waterloo, zij het aan de Franse kant. Gérard neemt flink wat volk mee, zo'n 90.000 man, en begint op 29 november 1832 het beleg van de citadel, die hij onophoudelijk bestookt met mortieren en granaten uit zijn veldbatterijen. Liefst 63000 schoten worden er op het Zuidkasteel afgevuurd, terwijl Chassé met 32000 stuks munitie van antwoord dient. Uiteindelijk bestormen de Fransen de vooruitgeschoven Sint-Laureisschans, van waaruit ze een bres in de dikke muren van het Toledobolwerk schieten, waarna Chassé zich op 23 december 1832 uiteindelijk overgeeft met zijn resterende manschappen. Als krijgsgevangenen worden ze allemaal naar Frankrijk afgevoerd, maar na een half jaar mag ook Chassé als vrij man naar huis.


In Breda wacht hem een rustiger fin de carrière als baron en garnizoenscommandant van de grensvesting Breda, waarover hij tussen 1834 en 1839 het bevel voert. Ook speelt hij een bescheiden rol in de vaderlandse politiek, als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Op 2 mei 1849 geeft hij zich tenslotte over aan hogerhand, 84 jaar, het is mooi geweest. Achter de hervormde kerk van buurtschap Ginneken krijgt hij zijn eigen plekje rust toebedeeld, zonder veel poeha, zoals hij het zelf heeft gewild.


Voor Chassé hebben de Antwerpenaren natuurlijk geen goed woord over. Maar de Bredanaars gunnen hem geen rust. Voor zijn moed en volharding wordt in 1874 tussen de kerk en de Ginnekense Markt een groots monument opgericht, waarvan het voetstuk is opgebouwd met de authentieke naamstenen van de vijf bastions van de in 1870 gesloopte Antwerpse citadel: Fernando, Toledo, Pacciotto, Alva en Duce. Vier namen slaan op de opdrachtgever voor dit vestingwerk, Fernando Alvarez de Toledo hertog (duce) van Alva, terwijl Francisco Pacciotto deze vesting in 1567 ontwierp. Koning Willem III komt dit Citadelmonument zelf onthullen. Wat rest van de destijds in Antwerpen gesneuvelde Hollandse jongens, is met de citadelpuinen meegereisd en hier opnieuw ter aarde besteld. Ook Chassé's rust wordt nog eens verstoord, als hij in 1907 uit zijn eenvoudige graf wordt opgedolven om hem alsnog monumentaal te begraven. "Over m'n lijk!", zou hij zich daartegen verzet hebben, maar eenmaal buiten dienst, heb je als generaal ook echt niets meer te zeggen ...


Intussen is er in 1899 ook een Bredase kazerne naar Chassé genoemd. Na de sloop van de vestingwerken vanaf december 1875, wordt er een flinke lap grond rond een voormalige bastion gereserveerd voor een nieuwe kazerne annex exercitieterrein. De kazerne krijgt een 108 meter lange gevel met vier achterliggende paviljoens, allemaal in indrukwekkende neo-renaissancestijl, zodat het lijkt alsof het complex er al eeuwen staat. Van camouflagetechnieken gesproken ...

De kazerne zal het winnen van zijn gebruikers. Die vertrekken in 1993, waarna een twee jaar durend intermezzo van asielzoekers volgt. Op 18 december 1998 openen de kazernedeuren opnieuw, nu voor alleman, wanneer het Stadsarchief en Breda's Museum hun intrek nemen in het gebouw. Zo komt er achter de ouder ogende gevel alsnog een passende vulling. Alsof de architect het altijd al geweten had ...


Om David Hendrik Chassé echter niet helemaal tot stoffig reliek te maken, is er elders op het kazerneterrein een eigentijdse schouwburg neergezet, u raadt het, het Chassétheater. Wat dat met onze generaal te maken heeft?

Wel, is die befaamde Belgische Opstand in 1830 niet begonnen in een theater? De Antwerpenaren hebben hun befaamde theateropleiding ook passend in een naar maarschalk Gérard genoemde straat gevestigd. Daar krijgt jong talent nu les van onder meer Stef Bos. En eens in de vijf jaar wordt die beroemde Slag van Waterloo ter plaatse nog eens overgedaan, met prachtige kostuums en veel theateraal geweld. Allen daarheen!

Wie had ooit kunnen vermoeden, dat achter zo'n rustige man als David Hendricus zoveel emotie en spektakel schuil zouden gaan?