Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JAN COCKX (1891-1976)

Jan Cockx is in 1891 geboren in Boechout. Hij gaat voor de Eerste Wereldoorlog aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten de richting schilderkunst volgen. Wanneer de oorlog in 1914 verder studeren onmogelijk maakt, wijkt Cockx uit naar de streek van Diest. Hij is dan al volop bezig met schilderen, waarbij zijn werk beïnvloed wordt door het fauvisme, dat zich uit in kleurintonaties in grote vlakken. Cockx sluit zich aan bij de Brusselse kunstvereniging ‘Doe Stil Voort’ die in een eerste fase actief is geweest tussen 1903 en het begin van WO I met als leden onder meer Joe English, Leon Spilliaert en Piet Mondriaan. Nog tijdens de laatste oorlogsfase in 1917 wordt deze kunstkring opnieuw actief, maar nu met een nieuwe garde, mede omdat enkele vroegere leden afhaken omwille van de sympathie van sommigen met de bezetter. Bij deze tweede lichting behoort Jan Cockx, samen met onder andere Felix De Boeck en Jozef Peeters. Er wordt nu veel sterker ingezet op kubisme en abstractie, maar de groep is geen lang leven meer beschoren, want na het einde van de oorlog wordt Doe Stil Voort in 1918 al opgeheven.


Jan Cockx sluit zich dan aan bij de Antwerpse kunstkring ‘Ça ira!’, die tussen 1920 en 1923 een eigen tijdschrift uitgeeft. Hij neemt ook deel aan tentoonstellingen van moderne kunst, waardoor hij in 1920 in Parijs kan exposeren, in 1922 in Antwerpen en het jaar daarop in Genève.   


Vanaf 1924 legt hij zich toe op avant-gardistische keramiek en wordt de eerste zelfstandige keramist van Vlaanderen. Wanneer in april 1927 de kunstkring ‘Moderne Kunst’ in Antwerpen ontstaat, is Cockx ook weer present. Hier ontmoet hij collega’s als Paul Joostens, Frank Mortelmans en Gerard Baksteen.  Zijn schilderijen evolueren stilaan van sobere brede vlakken naar het figuratieve.


Intussen is Jan Cockx weer naar de omstreken van Antwerpen teruggekeerd, met een atelier in Mortsel. Maar het tij is met de crisis van de jaren 1930 voor kunstenaars gekeerd en overleven van kunst wordt moeilijk. Vandaar wellicht dat Cockx zich om den brode aansluit bij de Duitse Organisation Todt, een initiatief van de bouwondernemer Fritz Todt, gesticht in 1938. De deelnemers houden zich bezig met het aanleggen van wegen en uitvoeren van bouwwerken en omdat O.T. al snel een Duitse overheidsinstelling wordt met activiteiten in de door de Duitsers tijdens WO II bezette gebieden, wordt al wie daarbij betrokken is uiteindelijk beschouwd als een soort collaborateur. Cockx ondervindt dan ook na afloop van de Tweede Wereldoorlog dat andere kunstenaars hem beginnen te mijden. Tot overmaat van ramp is zijn Mortselse atelier vernield bij het geallieerde bombardement op 5 april 1943 op de Erlafabrieken, waarbij de Amerikaanse bommenwerpers sterk gestoord zijn door aanvallen van Duitse jachtvliegtuigen en hun bommenlading grotendeels op de Mortselse dorpskern hebben afgeworpen.


In 1950 keert Cockx terug naar zijn geboortedorp Boechout en gaat in de Molenlei 39 wonen. In zijn atelier gaat hij nu ook lino's en houtsneden vervaardigen, tapijten en meubels ontwerpen en monumentale muurschilderingen maken. Voor zijn schilderijen kiest hij de zee als onderwerp, al dan niet met idyllische baadsters, en daarnaast stillevens in een naturalistische stijl. Maar zijn werk zal nooit meer de vroegere kwaliteit halen en Cockx raakt stilaan geïsoleerd van de echte kunstwereld.


Op zaterdag 28 augustus 1976 wil een 16-jarige buurjongen niets vermoedend via de achterdeur even binnenwippen bij de 85-jarige kunstenaar, die sinds de dood van zijn vrouw enkele maanden eerder helemaal alleen woont. Hij kan dat best baas, maar de naburige familie Van Goethem springt bij als het nodig is. Hun zoon ziet dat het ruitje van het enige niet van tralies voorziene venster stuk is, terwijl de luiken geforceerd lijken. Hij rent direct naar huis en de familie waarschuwt de Rijkswacht.

Wanneer de Rijkswachters het huis binnendringen, vinden ze Cockx zittend aan zijn tafel met een kunstboek binnen handbereik. Maar een grote plas bloed en acht hulzen kaliber 6 mm maken duidelijk dat het niet om een vredig huiselijk tafereel gaat. Jan Cockx blijkt vermoord te zijn met diverse schoten door zijn hoofd vanop korte afstand. Andere buurtbewoners verklaren later, dat zij op donderdag 26 augustus rond 21 uur inderdaad schoten hebben gehoord. Cockx zelf wellicht niet, de man is al jaren doof. Wie deze moord begaan heeft en met welk motief wordt nooit opgelost.  


De gemeente Boechout heeft zijn naam verbonden aan een tweejaarlijkse prijs voor schilderkunst, uitgereikt aan kunstenaars onder de dertig jaar. Kunsthistoricus Koen Broucke publiceert een boek over Jan Cockx en maakt geschilderde reconstructies van enkele van Cockx’ werken waarvan nog zwart-wit foto’s blijken te bestaan. Een groot deel van het oeuvre van de kunstenaar is namelijk verloren gegaan. Het bekendste werk van Jan Cockx is vermoedelijk Portret van Roger Avermaete, dat tot de Collectie van de Provincie Antwerpen behoort.


In Boechout bestaat nog de ver achter de rooilijn gelegen atelierwoning van Jan Cockx, waarvan de vensters allemaal in een andere stijl zijn uitgevoerd en met decoratieve muurvlechtwerken, die oorspronkelijk in de 16de en 17de eeuw gebruikt worden om puntdaken te verstevigen. Een keramische ruiter te paard op de buitengevel is een eigen werk van Cockx en ook de koperen lantaarn bij de voordeur dateert uit de jaren dat de kunstenaar hier woonde en werkte.

Boechout