Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

FRANZ COURTENS (1854-1943)

Wanneer Franz Courtens het penseel ter hand neemt, is het landschapsschilderen ook in België juist in een nieuwe fase beland. Waar dat zich eerst vooral in het atelier van de kunstenaar afspeelde met het landschap als een grotendeels gefantaseerd decor rond arcadische, mythische of romantische taferelen, trekken de kunstenaars nu naar buiten om daar ter plekke de realiteit te schilderen, waarbij het landschap zelf vaak hoofdpersoon wordt.


In de 19de eeuw is er nog geen sprake van een goed openbaar vervoer naar kleine dorpen en de auto is ook nog niet op onze wegen verschenen. Daarom verblijven de kunstenaars ter plaatse in een herberg of logement. Dat zorgt voor veel onderling contact, waarbij ideeën worden uitgewisseld, commentaar op elkaars werk wordt gegeven. Zo’n groep landschapsschilders bij een dorp of stad wordt dan later aangeduid als een ‘school’, met toevoeging van de naam van de gemeente waar ze samenkomen. Om met hun werk naar buiten te treden in een tijd dat er nog geen sprake is van kunstgalerieën verenigen kunstenaars zich in clubs, die dan zelf ‘salons’ houden, waar ze hun werk aan het publiek tonen en zo mogelijk verkopen.

Omdat Franz Courtens betrokken is geweest bij diverse van deze ‘scholen’, gaan we daar wat nader op in, zodat de vele onderlinge verbanden in deze periode duidelijker worden.


Op 4 februari 1854 komt Franz Courtens in Dendermonde ter wereld in het gezin van een schipper, die tussen Antwerpen en Dendermonde oliën verhandelt en niet meteen brood ziet in een kunstenaarscarrière voor zijn zoon. Uiteindelijk mag Franz zich als 15-jarige toch laten inschrijven aan de Dendermondse kunstacademie. Hij komt daar op het moment dat deze kunstacademie nieuwe wegen is ingeslagen voor wat het landschapsschilderen betreft. Jacques Rosseels is in 1865 directeur geworden en hij is betrokken geweest bij de ‘School van Wechelderzande’. Op de Kalmthoutse heide heeft hij Isidoor Meyers ontmoet, die naar Parijs is geweest en daar kennis heeft gemaakt met de schilders van de ‘School van Barbizon’. Rosseels vraagt Meyers om leraar te worden in Dendermonde. Franz Courtens zal van beiden les krijgen. Zijn derde leermeester is Frans Vinck, meer bekend van zijn historische en allegorische taferelen.


Rond 1830 komt een nieuwe generatie Franse schilders in opstand tegen de academische normen rond schilderen, zij trekken voortaan zelf die natuur in. Het dorpje Barbizon nabij Fontainebleau wordt hun favoriete stek, waar ze elkaar ontmoeten en inspireren. Samen worden zij als ‘School van Barbizon’ aangeduid, hoewel ze niet echt een gezamenlijk manifest naar buiten brengen en ook geen werkelijke vereniging stichten, maar wat hen verbindt is het weergeven van de realiteit, zij zijn dus vertegenwoordigers van het Realisme.


Hun nieuwe aanpak werkt inspirerend op tal van andere schilders, ook Belgische, die op hun beurt het idee lokaal gaan voortzetten. Zo levert het Kempische landschap ten noorden van Antwerpen inspiratie, met name de heide van Kalmthout en de bossen, duinen en vennen rond het dorpje Wechelderzande. Daar is Adraen Heymans opgegroeid, die de aanzet zal geven tot een groep schilders die zich komen uitleven in de natuur rond het dorp en samen verblijven in Gasthof De Keizer, wellicht het enige onderdak voor vreemdelingen aldaar. Heymans is als 17-jarige samen met de 20-jarige Isidoor Meyers naar Parijs getrokken, waar ze de schilders van de Barbizon-school hebben ontmoet en zich in leven houden met het schilderen van gordijnen. Terug in België voegen zich Théodore Baron, Florent Crabeels en Jacques Rosseels bij hen om samen de ‘School van Wechelderzande’ te vormen. Naast Heymans zelf, zullen ook Rosseels en Crabeels uiteindelijk een eigen woning in het dorp betrekken.


Na op de Dendermondse academie de eerste beginselen te hebben geleerd en kennis gemaakt te hebben met het nieuwe landschapsschilderen gaat Franz Courtens in 1873 even naar de Koninklijke Academie van Schone Kunsten in Antwerpen. Maar als twintigjarige wordt hij meer geboeid door wat zich aan de Grote Markt in Brussel afspeelt, boven café La Patte de Dindon (De Kalkoenpoot). Daar op de eerste verdieping komen kunstenaars bijeen om samen te schilderen en met elkaar te discussiëren. Ze tonen hun werk vooral aan elkaar en exposeren daar niet zozeer voor het grote publiek, dat zij via deelname aan andere kunstsalons bereiken. Franz leert er leeftijdgenoten Victor Uytterschout, Paul Hermanus en Henri Cassiers kennen. Het Brusselse artistieke klimaat bevalt Courtens zodanig, dat hij in 1874 naar de Uurplaatstraat 28 in Sint-Joost-ten-Node verhuist, de kleinste van de Brusselse randgemeenten.


Het zal de jonge aquarellist Henry Stacquet zijn, die als eerste een werk van Franz koopt, nadat hij zelf als 22-jarige in 1870 succesvol heeft gedebuteerd op het Salon van Gent. Dat geeft Courtens de moed om ook daar zijn werk te presenteren op de Salon van 1874. Wanneer op een tentoonstelling van de Brusselse kunstkring Le Cercle Artistique een van zijn werken voor 1200 Belgische frank wordt verkocht, begint de erkenning van Franz’ talent.


Het is niet toevallig dat veel kunstenaars, zowel uit het Brusselse als uit de rest van België juist in die wat hoger gelegen randgemeenten gaan wonen en werken. Daar leeft immers het meer bemiddelde volk, omdat in een tijd dat de Zenne nog een open waterloop was, de lagere delen van Brussel minder gezonde dampen van dat riviertje over zich heen kregen, terwijl het hogere deel daarvan gespaard bleef. Daarom staan de paleizen van de machthebbers en de adel al vanouds op hoger gelegen plaatsen als de Koudenberg. Pas kort voor de verhuizing van Courtens, eind 1871, is de overwelving en beddingsverlegging van de Zenne gereed gekomen.


Ook in de nabijheid van de hoofdstad hebben zich kunstenaars laten inspireren door de natuur, wat hier tot het ontstaan van de ‘School van Tervuren’ heeft geleid. De grondlegger daarvan is Hippolyte Boulenger, die zich in 1864 in de Tervuurse herberg In den Vos installeert, maar evengoed in 1868 zijn werk exposeert in La Patte de Dindon. Boulenger beschouwt Tervuren als de voortzetting van de ‘School van Barbizon’ in België. Geboren in Doornik gaat Boulenger na het overlijden van zijn vader in 1850 drie jaar naar Parijs, waar zijn grootmoeder woont. Hij volgt er tekenles, maar keert in 1853 als oma overlijdt terug naar zijn moeder, die in Brussel is gaan wonen. Hij raakt wat op de dool wanneer die enkele maanden later ook dood gaat, maar wordt geholpen door portretschilder Camille Van Camp, die zelf in 1859 enkele weken in Barbizon was geweest.


Als Franz Courtens in Brussel arriveert, is Hippolyte juist gestorven. Maar zijn ideeën leven voort in een tweede groep Tervuurse schilders, waartoe Courtens gaat behoren met onder meer Guillaume Vogels, die in 1883 tot de stichters van de beroemde Brusselse kunstkring ‘Les XX’ gaat behoren, Isidore Verheyden en nu ook vrouwen, Anna Boch, telg uit de bekende keramiekfamilie Villeroy & Boch en Marie Collart, ook uit betere Brusselse kringen.


In 1883 behaalt Franz Courtens zijn eerste grote succes met zijn schilderij Mosselboot - nu in de Staatsgalerie in Stuttgart – waarmee hij wordt geprezen in het tijdschrift L'Art Moderne van 9 september 1883. Hij blijft daarna in dezelfde stijl schilderen. Hij wint hij de gouden medaille van de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam en zes jaar later de Grote Prijs van de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs. Die prijzen geven hem internationaal bekendheid met zijn realistische schilderijen en tekeningen van landschappen en dieren. Hij heeft een eigen stijl, zware borsteltrekken worden gecombineerd met een stralend palet, waarin herfstig groen en bruin en morsig licht veelvuldig verschijnen. Courtens heeft aanvankelijk een eerder fotografische kijk op het landschap dat zich voor hem ontvouwt, maar hij evolueert later naar een bredere en meer synthetische expressie van die indrukken. Daardoor wordt hij wel gezien als een van de voornaamste voorbeelden van de overgang van het realisme naar het impressionisme, een voorloper van de latere Lathemse scholen. De titel ‘Rubens van de landschapsschilders’ wordt door sommige bewonderaars toebedeeld aan de man die zowel.landschappen als marines (zeegezichten) in krachtige composities op doek zet.


Vanaf 1903 geeft Courtens zelf les aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen, waar Floris Jespers en George Van Raemdonck tot zijn leerlingen behoren. De laatste zal vooral bekend worden in Nederland als politiek cartoonist en striptekenaar van Bulletje en Bonestaak naar een scenario van A.M. de Jong voor dagblad Het Volk. In 1904 wordt Franz Courtens lid van de Koninklijke Academie van België.


Franz mag dan in Brussel zijn gaan wonen, veel thuis zal hij niet geweest zijn. Als landschapsschilder is immers de natuur zijn atelier en naast Tervuren hoorde daarbij ook de Limburgse Kempen rond Genk. Gelukkig mag zijn vrouw vaak mee. Zij heeft ook gevoel voor kunst, is zelf voor haar huwelijk kunstenares geweest en is maar wat blij dat haar kinderen dat artistieke gen ook in hun DNA blijken te hebben.


In de 19de eeuw heeft Genck – zoals de naam dan luidt – nog niets met steenkool te maken, al loopt een zekere André Dumont aan het eind van die eeuw reeds rond met de overtuiging dat daar iets in de grond moet zitten. Maar de bevestiging komt pas begin augustus 1901, wanneer in As de eerste tekenen van steenkool uit de grond worden opgehaald. En het zal dan nog tot 1917 duren, voordat de mijn van Winterslag aan echte productie begint, terwijl Waterschei en Zwartberg pas in 1924 starten.


Genck is dus nog een dorpje temidden van bos en heide, waar het eerder wit ziet van de schapen, dan zwart van de kolen. Al in 1846 zakt de eerste kunstenaar af naar die landelijke uithoek, Edmond Tschaggeny. Het zal echter Joseph Coosemans zijn, die al deel uitmaakte van de School van Tervuren, die rond 1874 naar Limburg trekt en onder wiens impuls meer Brusselse schilders naar Genk afzakken. Van even een dagje op en neer is natuurlijk geen sprake in die periode, schilders die naar dat dorp komen overnachten in het plaatselijke Hôtel de la Cloche, gegroeid uit een klein logement van oud-burgemeester Remans.


Een man die rond 1891 in Genk opduikt, is Brusselaar Emile Van Doren. Hij wint het jaar daarop de Prix Donnay, een landschapsschilderkunstprijs van de Brusselse academie. In de jury zitten Joseph Coosemans, Edmond De Schampheleer en, jawel, Franz Courtens. Van Doren neemt zijn intrek in de landelijke herberg Bij Merieës tegenover het oude stationnetje van Genk en zorgt er mee voor dat deze herberg uitgroeit tot dé ontmoetingsplek voor de kunstenaars. Zelf huurt Emile er een kamertje en krijgt hij er zijn eigen atelier en tentoonstellingsruimte. En hij gaat verder, in 1893 laat hij zich als inwoner van Genk registreren, om vijf jaar later met Sidonie-Melanie Raikens te trouwen, de uitbaatster van de herberg. Emile Van Doren doopt die snel om tot Hôtel des Artistes, want heel wat kunstenaars die richting Limburgse Kempen trekken zijn Franstalig. Bovendien komen er nu ook literaire talenten vanuit Brussel naar Genk, waarvan schrijfster Neel Doff vandaag wellicht de bekendste is, dankzij Keetje Tippel, de verfilming van een compilatie van twee van haar romans in 1975 door Päul Verhoeven.


Onder de vele namen van schilders die tot de ‘School van Genk’ worden gerekend, vinden we de ons reeds bekende Anna Boch, Isidoor Verheyden en Théodore Baron terug. En uiteraard Franz Courtens, zodat het duidelijk is dat er tussen als die ‘Scholen’ een grote wisselwerking bestaat qua deelnemende kunstenaars. Emile Van Doren heeft voldoende commercieel succes om in 1913 op de Verloren Kostheuvel in Genk de villa Le Coin Perdu te laten bouwen, die vandaag als Gemeentelijk Museum Emiel Van Doren voor iedereen toegankelijk is.


Franz Courtens heeft ook door Nederland gereisd. Zo neemt hij enige jaren zijn intrek in het Huis te Vogelenzang, een rond 1840 gebouwd huis met uitgebreid landgoed van de familie Barnaart in het dorpje Vogelenzang tussen Heemstede en Zandvoort ten zuiden van de stad Haarlem. De Barnaarts zijn ooit vanuit het Belgische Menen als handwerkslieden naar Haarlem getrokken en hebben daar fortuin gemaakt met garen en band. Vanuit dit optrekje heeft Courtens onder meer de Zaanstreek bezocht en de Nederlandse kust. Hij heeft ook een schilderij van het huis op het landgoed gemaakt. Dankzij zijn contacten met de schilders van de ‘Haagse School’ is Franz ook zoals velen van hen naar de Nederlandse provincie Drenthe getrokken, een streek die ook in 1883 heel kort Vincent van Gogh heeft zien opduiken.


Gezien vanuit Franz’ woning in Sint-Joost, ligt Laken helemaal aan de andere kant van Brussel. Maar toch gaat Courtens daar vanaf 1907 in het paleispark schilderen, op uitnodiging van de Belgische koninklijke familie. Zijn faam is dus tot in de allerhoogste kringen doorgedrongen en na de Eerste Wereldoorlog verleent koning Albert I hem in 1922 de titel van baron. Hij krijgt die wegens zijn verdienste als voorman van de ‘School van Dendermonde’. Enigszins merkwaardig, want tot die Dendermondse School worden Isidore Meyers, Jacques Rosseels, Adriaen Heymans, Florent Crabeels, Théodore Baron en Jan Verhas - als grondlegger - gerekend, in feite de generatie van juist vóór Courtens, waarvan de eerste twee zelfs zijn leermeesters zijn geweest. Bovendien wilde Franz absoluut niet als leider van een of andere school of beweging worden beschouwd. Maar het blijft natuurlijk een blijk van erkenning voor iemand wiens naam vandaag niet meteen belletjes doet rinkelen, maar die in zijn dagen internationaal erkend werd, wat ook blijkt uit werk van hem in buitenlandse musea. In 1932 wordt in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel een grote retrospectieve tentoonstelling van Courtens’ werk gehouden.


Op 2 januari 1943 overlijdt baron Franz Courtens in Sint-Joost ten Node en hij wordt op het kerkhof aldaar begraven. Zijn tweede zoon, beeldhouwer Alfred Courtens (1889-1967), zorgt in 1950 voor een bronzen borstbeeld van zijn vader in Dendermonde. Dat beeld is na diverse omzwervingen sinds 1993 opgesteld in de Franz Courtensstraat, zoals de vroegere Dendermondse Scheldestraat met het geboortehuis van Franz thans heet. Courtens’ oudste zoon Herman (1884-1956) wordt eveneens kunstschilder. Hij is op zijn beurt de grootvader van de kunstschilders Pierre Courtens (1921-2004) en Jacques Courtens (1926-1988). En de jongste zoon Antoine (1899-1969) heeft architectuurles gekregen van Victor Horta, wiens medewerker hij later wordt bij de bouw van het Belgisch paviljoen op de Parijse Exposition des Arts décoratifs et industriels in 1925. Dus inderdaad een gen dat van generatie op generatie doorgegeven is.


Oeuvre (selectie):


Afkortingen:


KMSKA: Koninklijk Museum van Schone Kunsten Antwerpen, Leopold de Waelplaats, Antwerpen.


KMSKB: Koninklijke Musea van Schone Kunsten van België, Regentschapsstraat 3, Brussel.


1874      Dooi in Dendermonde – Stadhuis, Grote Markt, Dendermonde.


1878      Morgen – National Gallery of Victoria, 180 St Kilda Road, Melbourne (Australië).


1880      Mosselboot - ???


1880      De laatste stralen – KMSKB.


1883      Terugkeer van de plicht – KMSKB.


1887      De golfbreker – KMSKB.


1887      Lentelandschap, bollenveld met hyacinten – Neue Pinakothek, Barerstraße 29, München (Duitsland)..


1889      Gouden regen - Szêpmüvêszeti Mûzeum, Boedapest (Hongarije).


1891      Bosgezicht – KMSKB.


1891      Laag hout – KMSKB.


1891      Rustende koeien – Stadhuis, Grote Markt, Dendermonde.


1892      Schaapskudde onder beuken – Národni galerie v Praze, Staromĕstské nám 12, Praha (Tsjechië).


1894      Zonnige dreef – KMSKA.


1894      Herfst – KMSKB.


1895      Dame in het blauw – KMSKB.


1896      Vrouw bij het melken van een koe – KMSKB.


1897      La Zaan–Hollande – Zaans Museum, Schansend 7, Zaandam-Zaanse Schans.


1898      Zonnige dreef – KMSKB.


1900      De woonwagen – KMSKB.


1901      Schaapscheren in Drenthe – Drents Museum, Brink 1, Assen.


1905      Schapen in de Kempen – KMSKB.


1912      Avond over Vilvoorde – KMSKB.


1914      De ruiters – KMSKB.


1920      De aardappeloogst – KMSKB.


????      Herfst – KMSKA.


????      Landschap met schapen – KMSKA.


????      Weikant – KMSKA.


????      De molen – KMSKB.


????      Koeien in de weide – Museum voor Schone Kunsten, Fernand Scribedreef 1, Citadelpark, Gent.


????      Wachtend op hoogtij – Privécollectie.


????      Septemberzon.


????      Gezicht op Huize Bamaart Landgoed Vogelenzang.