Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

FRANÇOIS D’AGUILON (1567-1617)

Tournai / Doornik

Hij wordt geboren op 15 januari 1567 in het centrum van het land, maar hij zal zich tijdens zijn leven zowel zuidwaarts als noordwaarts begeven. François d’Aguilon is van geboorte Brusselaar, maar zijn naam wijst er al op dat de familie van adellijke Spaanse komaf is. Vader Pedro d’Aguillon is als secretaris meegereisd met een gezantschap van koning Filips II naar Frankrijk.

Noblesse oblige, na zijn lagere school in Brussel wordt François voor zijn middelbare opleiding naar het jezuïetencollege van Clermont in Parijs gestuurd, waar hij drie jaar blijft. Vandaar gaat het naar Douai. Het nu in Frankrijk gelegen Douai behoort in die dagen tot de Spaanse Nederlanden en daarom kan je de stadsnaam ook als Dowaai schrijven, maar er wordt niettemin Frans gesproken en in 1562 is daar dan ook een Franstalige universiteit gesticht als tegenhanger van het Nederlandstalige Leuven, maar wel allebei even katholiek. François d’Aguilon start als student filosofie, maar onderbreekt die studie na acht maanden om zich als 19-jarige novice bij de Societas Jesu, zeg maar de jezuïeten, in Doornik aan te melden in 1586. Die sturen hem meteen terug naar Douai om daar zijn cursus filosofie af te maken, wat in 1588 lukt, waarna François er nog een studie wiskunde aan toevoegt, zodat hij uiteindelijk in 1590 zal afstuderen aan deze universiteit. Intussen heeft hij in 1588 zijn gelofte als frater jezuïet afgelegd.

Om zijn studie af te ronden met een dosis theologie, gaat frater d’Aguilon helemaal naar het Spaanse Salamanca. Hij moet daar toch zijn in verband met een familiale erfeniskwestie, dus dat gaat in één moeite door.

Nadat hij in 1592 ook aan die Spaanse universiteit is afgestudeerd keert François d’Aguilon terug naar Doornik, waar hij in 1596 tot priester wordt gewijd. Hij gaat nu zelf les geven in Douai in wiskunde. Maar dat zal niet lang duren, want in 1598 sturen de jezuïeten hem naar Antwerpen om daar met zijn talenkennis als biechtvader voor de Italiaanse en Spaanse inwoners te fungeren. In die dagen ligt er in de citadel van Antwerpen een Spaans garnizoen, dus genoeg zondaars om flink aan het werk te blijven.

Bij de Antwerpse jezuïeten wordt hij al meteen in het jaar van zijn aankomst aangesteld als tresorier, zeg maar de man die de financiën beheert. Die functie vervult hij tot 1608, want vanaf dan wordt hij weer regelmatig in Doornik verwacht.


De Doornikse jezuïeten hebben namelijk besloten om een nieuwe kerk bij hun college te bouwen en omdat François d’Aguilon naast wiskunde ook wat architectuur heeft gestudeerd, treedt hij als architect op. Het wordt een gotische kerk van één beuk, met een vijfzijdige absis en twee zijkapellen die als dwarsschip fungeren. In 1612 is de nieuwbouw af. Bij die Doornikse jezuïeten is sinds 1597 ook een Bruggeling ingetreden, Pieter Huyssens. Die man is meester-metselaar en mag meewerken aan de bouw van de jezuïetenkerk in Maastricht in 1606. Zo doet hij ervaring met architectuur op en hij zal dus vermoedelijk ook betrokken zijn geweest bij de bouw van de Doornikse jezuïetenkerk door d’Aguilon twee jaar later.


Een architect hoeft niet permanent op een bouwwerf aanwezig te zijn, vanaf 1611 combineert François d’Aguilon het bouwmeesterschap met de positie van vice-rector van het Antwerpse college. Hij start daar in datzelfde jaar een speciale opleiding voor wiskundigen, met de bedoeling het wiskundige onderzoek en de studie binnen de jezuïetenorde te continueren. Uit deze opleiding komen meetkundigen als André Tacquet en Jean Charles della Faille en Theodoor Moretus voort, die later allen enige faam verwerven.


In 1613 publiceert de inmiddels onder zijn Latijnse naam bekende Franciscus Aguilonius een zesdelig wetenschappelijk epos over optica: Opticorum Libri Sex philosophis juxta ac mathematicis utiles. Pieter Paul Rubens zal het illustreren en bekende onderzoekers zullen er zich door later inspireren, zoals de Franse wiskundige en ingenieur Girard Desargues, een van de grondleggers van de projectieve geometrie naar wie in onze tijd een maankrater is genoemd en Christiaan Huygens, de Nederlander die de telescoop verder heeft ontwikkeld en daardoor de ringen van Saturnus beter kon zien.

François d’Aguilon gebruikt in dat boek voor het eerst het woord ‘stereografisch’ om de projecties van Hipparchus te beschrijven. In dit werk wordt ook extra aandacht besteed aan het gedrag van licht en kleur, waarbij François vooral het nut voor schilders van die kennis voor ogen heeft. Volgens d’Aguilons theorie over het mengen van kleuren zijn de eenvoudige primaire kleuren wit en zwart of licht en donker. Vanuit deze basiskleuren ontstaan op geheimzinnige wijze de edele kleuren rood, geel en blauw. Bij het mengen van die edele kleuren krijgen we de samengestelde kleuren oranje (goud), groen en paars. Deze theorie van lichte en donkere kleuren was gebaseerd op de geschriften uit die tijd. Middeleeuwse boeken over optiek vonden hun oorsprong bij de oude Griekse filosofische teksten, zoals Plato’s gedicht Timaeus (390 v. Chr.), passages in de geschriften van Aristoteles (350 v. Chr.) en van De Coloribus (Over Kleur) (330 v. Chr.). Aristoteles’ theorie bestaat uit een vaag raamwerk dat niet echt praktisch was, zeker niet vanuit het gezichtspunt van kunstenaars.

D’Aguilon draagt zijn boek op aan Inigo Borgia, de gouverneur van de Antwerpse citadel en rechtstreekse afstammeling van Franciscus Borgia, derde generaal overste van de jezuïeten. François heeft ook nog boeken over catoptrica en dioptrica op de plank staan, maar sterft voor hij die kan afwerken.


Maar we zijn nog niet zover, eerst wordt hij in 1614 benoemd tot rector van het Antwerpse jezuïetencollege. Meteen daarna mag hij beginnen aan een groots project, de bouw van een nieuwe jezuïetenkerk bij het professiehuis in de Scheldestad. Ditmaal geen gotiek, maar de nieuwe stijl van de contrareformatie, waarbij de katholieke Kerk de verloren calvinistische zieltjes probeert terug te winnen. Dat gebeurt met een bouwstijl die monden doet openvallen, de barok. De indeling van de kerk is ook helemaal nieuw: alles wordt dichter bij de gelovigen gebracht en de preekstoel komt tussen hen in te staan. Allemaal ideeën van de Milanese kardinaal Carlo Borromeo.


In Antwerpen mag het ook allemaal wat meer kosten, d’Aguillon bestelt grote hoeveelheden marmer uit Genua. De zuilen van het schip zijn gemaakt van wit marmer en de muren gedecoreerd met marmeren bekleding. Pieter Paul Rubens mag liefst 42 schilderijen leveren voor het plafond en ook nog wat decoratie ontwerpen voor de voorgevel, want dat moet een decor worden dat de passant nieuwsgierig maakt naar wat er binnen wel gebeurt. Natuurlijk laat François d’Aguillon zijn bekwame medewerker Pieter Huyssens invliegen om hem bij te staan. Om zich helemaal op dat grote project te kunnen concentreren, legt François d’Aguilon zijn functie als rector van het college neer.  

Helaas zal de meester niet de voltooiing van het werk dat bij het publiek het meest bekend zal worden kunnen beleven, want op 20 maart 1617 overlijdt François d’Aguilon in Doornik. Het zal dus Pieter Huyssens worden, die de eer te beurt valt de aanvankelijk aan Maria toegewijde kerk af te werken. Op 12 september 1621 is het dan eindelijk zover dat de inwijding kan plaatsvinden. Maar dat is nog te vroeg om een eigen jezuïet als patroonheilige in deze kerk binnen te halen, want stichter Ignatius van Loyola is nog niet heilig verklaard op dat moment en zonder ‘sint’-predikaat geen patronage. Dat komt later nog goed, maar de huidige naam van deze kerk, Sint-Carolus-Borromeus, dateert van veel later, wanneer na de Napoleontische periode deze kerk niet langer een kloosterkerk van de jezuïeten is, maar een parochiekerk.