Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JOSÉPHINE DE BEAUHARNAIS (1763-1814)

Marche-en-Famenne

Al bij haar geboorte op 23 juni 1763 in het plaatsje Trois-Ilets op het Caraïbische eiland Martinique, dan nog een Franse kolonie, heeft ze een naam die kan tellen: Joséphine Marie Josèphe Rose Tascher de la Pagerie. Deze Creoolse schone komt naar Frankrijk, waar ze in 1779 trouwt met burggraaf Alexandre de Beauharnais, een eveneens van Martinique afkomstige Franse generaal, die nog in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog heeft gestreden. Als vertegenwoordiger van de adelstand heeft hij in 1789 zitting in de Franse Staten-Generaal, maar als in dat jaar de beroemde Franse Revolutie uitbreekt, schaart hij zich aan de zijde van de revolutionairen.


Als generaal wordt hij benoemd tot aanvoerder van het Rijnleger, waarvan hij de capitulatie bij Mayence in 1793 niet kan voorkomen. Dat wordt hem beslist niet in dank afgenomen en enkele maanden later belandt hij in Parijs onder de guillotine, op 23 juni 1794, nota bene de verjaardag van zijn vrouw.


Joséphine, die intussen twee kinderen van hem heeft, Eugène en Hortense, wordt zelf opgesloten. Zij komt vrij nadat Maximilien de Robespierre, de man die op 10 juni 1794 met zijn nieuwe wet de Grote Terreur op gang heeft gebracht, op 26 juli daaropvolgend ten val is gebracht door de Conventie. Wanneer twee dagen later Robespierre en 27 van zijn vrienden onder de guillotine zijn beland, behoort Joséphine tot een revolutionaire kerngroep, samen met Barras en Thérésa de Cabarrus-Tallien. Paul Barras is de man die in de nacht van 27 op 28 juli Robbespierre en zijn aanhang heeft gearresteerd in het Parijse stadhuis. Thérésa’s echtgenoot Jean Tallien is eveneens betrokken geweest bij het ten val brengen van Robespierre, waartoe hij werd aangemoedigd door zijn vrouw, die op dat moment in de gevangenis zat. Eenmaal op vrije voeten zal zij door de Parijse bevolking worden verheerlijkt als Notre-Dame-de-Thermidor, het laatste woord is de revolutionaire naam voor de maand juli, om ten slotte in het Belgische Chimay terecht te komen aan de hand van een heuse prins. Dankzij deze vrienden wordt Joséphine snel een van de meest opgemerkte dames in de Franse hoofdstad.


Paul Barras is van oude Provençaalse adel en heeft een zekere Napoléon Bonaparte leren kennen bij het beleg van Toulon. Die connectie komt nu van pas, want met diens hulp kan Barras een royalistisch oproer in de Conventie op 5 oktober 1795 neerslaan.


Nadat de situatie in Frankrijk enigszins gestabiliseerd is, sluit Napoléon Bonaparte op 9 maart 1796 een burgerlijk huwelijk met de zes jaar oudere Joséphine. Het wordt een passionele liefdesrelatie, waarbij Joséphine zich een jaloerse echtgenote toont. Niet geheel ten onrechte, want Bonaparte neemt het niet zo nauw met de huwelijkstrouw tijdens zijn Egyptische veldtocht. Het conflict loopt zo hoog op, dat een echtscheiding in de lucht hangt, maar Joséphine weet de affectie van haar man te herwinnen. In 1804 wordt zij tot keizerin gekroond in de Parijse Notre-Dame, waarvoor eerst wel even in zeven haasten een kerkelijk huwelijk is gesloten. De paus is bij de kroning aanwezig, maar Napoléon grist de keizerskroon voor diens handen weg om zichzelf tot keizer te kronen, daarmee aangevend dat hij niemand boven zich erkent.


Napoléon wil als Italiaanse Corsicaan graag een uitgebreid gezin, of minstens een zoon die hem kan opvolgen. Wanneer dat niet lukt met Joséphine dwingt hij haar tot een echtscheiding in december 1809, waarna hij in april van het jaar daarop hertrouwt met de Oostenrijkse aartshertogin Marie-Louise, die hem in maart 1811 aan de zo verlangde zoon helpt.


Joséphine blijft niet met lege handen achter. Met een royale vergoeding en het behoud van haar titel als keizerin trekt ze zich terug op het kasteel van Malmaison, even buiten Parijs. Daar weet ze nog in 1814 het hoofd op hol te brengen van de Russische tsaar Alexander I, die aan het hoofd van een geallieerde coalitie zojuist Parijs is binnengetrokken, terwijl haar ex-man naar het Italiaanse eiland Elba is verbannen. Diens definitieve verdwijning van het politieke toneel met de slag bij Waterloo op 18 juni 1815 maakt ze echter niet meer mee, ze overlijdt op haar kasteel op 29 mei 1814. “Na een bewogen leven”, zijn hier geen ijdele woorden.