Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

JACQUES DE LALAING (1858-1917)

Tournai / Doornik

De op 4 november 1858 in Londen geboren Jacques de Lalaing komt uit een aristocratische familie waarvan de oorsprong in de 15de eeuw ligt. Als zoon van een Belgische diplomaat en een Engelse aristocrate, groeit hij in Engeland op. Kunst maakt al vroeg een belangrijk deel uit van zijn leven. Wanneer hij als marine-kadet op het schoolschip ‘Britannica’ is aangemonsterd, onderbreekt hij die opleiding in 1875 om aan de Brusselse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten les te gaan volgen in het atelier van Jean-François Portaels. Hij zoekt daar ook contact met Louis Gallait en Alfred Cluysenaar.

Zijn eerste eigen werken zijn portretten van zijn broers Philippe, Antoine en Max. Jacques zal in de loop van zijn carrière een veel gevraagd portrettist worden, die diplomaten, prelaten, politici, industriëlen, wetenschapperslui en kunstenaars op zijn doeken heeft vastgelegd. En ook veel vrouwen, te beginnen met Christine du Tour van Bellinchave, de echtgenote van zijn oudste broer Charles. En hij zal steeds trachten niet enkel het uiterlijk, maar ook de persoonlijkheid van de geportretteerde te vatten.

Daarnaast schildert Jacques de Lalaing landschappen (“Après l’inondation” – Na de overstroming), mythologische taferelen (“Combat des Centaures” – Het gevecht van de Centauren), historische taferelen (“Courrier intercepté” – Onderschepte post), allegorieën (“Le fer et l’or” – IJzer en goud) en intieme genretaferelen (“Enfant au bain” – Kind in bad). .


Jacques de Lalaing stelt voor het eerst tentoon in 1882 met de groep L’Essor, die een aantal realistisch en naturalistisch schilderende kunstenaars verenigt. Hij wordt door de beeldhouwers Thomas Vinçotte en Jef Lambeaux aangemoedigd en begint in 1884 te beeldhouwen, waarbij hij in Vinçotte een goede leermeester vindt.

De eerste officiële opdracht voor Jacques de Lalaing komt op 6 januari 1886 van Karel Buls, burgemeester van Brussel, die hem vraagt voor de eretrap van het Brusselse stadhuis een aantal muur- en plafondschilderingen te maken rond het thema van de gemeentelijke macht. Hoewel Buls zegt niet te willen raken aan de vrijheid van de kunstenaar om het thema naar eigen inzicht te behandelen, geeft hij de Lalaing wel een uitvoerige documentatie over het onderwerp met de nodige ideeën van wat volgens hem op die schilderingen uitgebeeld zou moeten worden. Eind januari 1888 heeft Jacques zijn ontwerpschetsen gereed, waarbij hij trouw is gebleven aan de geest van de opdracht, maar zich heeft gehouden aan zijn eigen werkwijze, wat wil zeggen werken volgens de traditionele compositieregels en de klassieke normen. Want Jacques de Lalaing heeft nooit enige behoefte gevoeld om tegen de principes van de academische opleiding in te gaan, houdt zich verre van avant-gardistische experimenten die rond de eeuwwisseling van 1900 toch in artistieke middens schering en inslag zijn. Nadat het Brusselse bestuurscollege nog wat wensen heeft geformuleerd accepteert de Lalaing in maart 1888 de definitieve opdracht en gaat aan het werk.


Intussen is hij ook gaan beeldhouwen en vanaf 1887 zal Jacques de Lalaing een hele tijd aan een project bezig zijn, dat hij aanvankelijk “Base de mât-électrique” noemt, wanneer hij dat op de Brusselse Salon van dat jaar exposeert in een plaasteren uitvoering. Het gaat om een sculpturale basis voor een lantaarnpaal van de elektrische verlichting, die in die jaren stilaan opkomt. Rond een mast kronkelen slangen en klauwen tijgers, die elkaar als prooien in de gaten houden. Het succes dat Jacques met dit werk oogst, zet hem aan om het idee op grotere schaal uit te werken met als doel het op een openbare plaats opgericht te krijgen. Het eerste idee is om de lantaarnpaal voor het Brusselse stadhuis te plaatsen. Maar de kunstcritici vinden dat het werk daarvoor te naturalistisch is en niet in het kader past van de Grote Markt. De voorzitter van de Société Bruxelles-Attractions wil echter het opmerkelijke kunstwerk graag op een van de kruispunten van de Louisalaan zien verschijnen en spreek daarover de prins van Chimay aan, die minister van Landbouw, Industrie en Publieke Werken is. Deze stelt aan Brussel voor om het werkstuk op gemeentelijke kosten aan te kopen. Een ingenieur van de afdeling Electricteit van de stad Brussel vraagt een advies aan bij de Société Électricité et Hydraulique de Charleroi over het oprichten van een hydro-elektrische pyloon met drie lampen voor de Ambiorixsquare. Maar de hoop op een spoedige opstelling in Brussel vergaat wanneer het college de kunstenaar laat weten verder geen gevolg aan dit project te geven wegens te hoge kosten voor het gemeentelijk budget.

Uiteindelijk zal Jacques Lalaing in 1907 een derde versie van het inmiddels “Mât – Tigres” herdoopte werk vervaardigen, dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog door de gemeente Schaarbeek wordt aangekocht om het te plaatsen op het rondpunt voor het Josaphatpark. Het blijft daar staan tot de jaren 1950, wanneer het drukke verkeer tot demontage van “Mât – Tigres” leidt en de onderdelen lange tijd in een gemeentemagazijn belanden. Dankzij enkele fervente kunstliefhebbers komen die daar in 1993 weer uit en wordt het kunstwerk opnieuw opgericht, nu bij het kruispunt van de Louis Bertrand- en Voltairelaan.


Later gemaakt, maar eerder op een openbare plaats terechtgekomen zijn twee bronzen standbeelden die Jacques de Lalaing in 1888 en 1889 maakt. Eerst wordt op 30 september 1888 het beeld van José Goffin onthuld op de Place Josse Goffin in Clabecq. Daarmee wordt eer bewezen aan een man die voor veel werkgelegenheid in de Waals-Brabantse gemeente heeft gezorgd, want Goffin was een der oprichters van het metalurgische bedrijf Forges de Clabecq. Zoals veel Waalse staalindustrie is dat bedrijf intussen verleden tijd, ondanks een wekenlange staking om sluiting te voorkomen. Met het tweede standbeeld wordt Jacques de Lalaings naam ook aan de overkant van de Atlantische Oceaan bekend, want het beeld van Robert Cavelier de la Salle staat sinds 29 oktober 1889 in het Lincoln Park te Chicago. Die opdracht krijgt Jacques van Lambert Tree, een rechter die als ambassadeur voor de USA een tijdlang in Brussel had verbleven. Nog een tweede bronzen beeldhouwwerk van de Lalaing is aan buitenlanders opgedragen en wel zijn “Monument voor de officieren, onderofficieren en soldaten van het Britse leger die in Waterloo gesneuveld zijn”. Een hele mond vol voor een complex monument dat op 26 augustus 1890 door de hertog van Cambridge wordt onthuld op de begraafplaats van Brussel te Evere. Daar staan ook nog monumenten voor gesneuvelde Fransen en gevallen Duitsers, maar die slaan niet op het gebeuren van 1815, maar op een latere oorlog, de Frans-Duitse van 1870, waarbij ook een Napoleon was betrokken, keizer Napoléon III van Frankrijk, een neef van Bonaparte.


Intussen hebben Jacques’ schilderingen in het Brusselse stadhuis indruk gemaakt en dat resulteert in een verzoek van de Belgische Senaat in 1890 om ook daar voor wat aankleding te zorgen met doeken waarop gebeurtenissen worden afgebeeld, die de verschillende regimes die elkaar in onze streken hebben opgevolgd karakteriseren. De Lalaing weet dat op drie schilderijen samen te brengen, die in 1896 worden ingehuldigd en die samen 113 m² innemen. Dat is meteen een goed argument om Jacques in datzelfde jaar te verkiezen tot lid van de afdeling Schone Kunsten van de Koninklijke Academie van België. Hij zal die sectie in 1904 en 1913 zelfs een keer leiden.


Dan wil men in Antwerpen ook iemand huldigen, de toen nog onbesproken bewonderde Camille Coquilhat, die in de État Indépendant du Congo (Kongo-Vrijstaat) van koning Leopold II een stevige rol heeft gespeeld bij onder meer de oprichting van de Force Publique, een binnenlandse leger- en politiemacht voor de nieuwe Centraal-Afrikaanse staat. Hij is ook de stichter van Équateurville, dat na zijn dood in 1891 in Coquilhatville werd herdoopt en thans Mbandaka heet. De Société Royale de Géographie d’Anvers bestelt bij Jacques de Lalaing op 1 april 1893 een monument voor Camille, dat uiteindelijk in 1895 wordt onthuld in het Antwerpse Koning Albertpark in aanwezigheid van delegaties van het Belgische leger en de Antwerpse burgerwacht, maar verder vrijwel geen volk. Ook toen was Camille Coquilhat geen naam waar de mensen van wakker lagen. Wie vandaag naar dat monument gaat kijken, ziet dat Jacques zijn voorkeur voor naakt en vrouwen hier fraai heeft verwerkt, want de hoofdrol wordt gespeeld door een negerin, die de lof van Congopionier Coquilhat uitbundig lijkt te bezingen, terwijl een thans vrijwel onleesbaar medaillon op een rotsblok de held himself weergeeft.


Na Camille Coquilhat is het de beurt aan Jules de Burlet om gehuldigd te worden, aan de andere kant van de taalgrens in Nijvel. Die stadsgenoot heeft het hele politieke parcours van burgemeester, volksvertegenwoordiger, senator, minister en voorzitter van de ministerraad – zeg maar premier – doorlopen, om ten slotte als Minister van Staat en Belgisch ambassadeur in Portugal te eindigen. Jacques krijgt de opdracht voor het monument in 1898, het jaar na het overlijden van de Burlet. Tijdens een tweedaags festijn op 29 en 30 juli 1899 wordt bronzen ‘Jules’ onthuld op een pleintje dat vandaag Square Gabrielle Petit heet. Jacques heeft opnieuw niet kunnen weerstaan aan het toevoegen van lichamelijke kracht. Niet aan de Burlet zelf, die wordt als buste weergegeven in advocatentoga. Maar die toga valt langs een zijkant van de hoge sokkel, waar een vrijwel naakte antieke krijgsman de strijdbaarheid van Jules symboliseert.  


Nog in datzelfde jaar 1898 begint Jacques de Lalaing aan een nogal filosofisch beeldhouwwerk, dat uit drie figuren bestaat en de titel “Les trois âges de l’Humanité” (De drie leeftijden van de Mensheid) meekrijgt. Het gaat hier niet om het leven van één persoon, waarbij je zou kunnen denken aan jeugd, volwassenheid en ouderdom, maar over de menselijke beschaving. Op de weg naar vandaag onderscheidt Jacques de Lalaing drie karakteristieke fasen: de barbaarse kracht van het prille begin, de organisatie van de samenleving en de omlijsting van de beschaving door de kunsten. Vandaar drie bronzen figuren: een gespierde primitieve man met een knots die het element ‘brute spierkracht’ uitbeeldt, een zittende man in Romeinse toga, die wet en orde brengt in de samenleving en midden tussen hen een uitbundige dame, die gezeten op een Ionisch kapiteel lier speelt, terwijl er ook toneelmaskers te zien zijn, de Griekse bijdrage aan onze beschaving via de kunsten. Deze drie figuren uit de oude wereld staan voor de voorouders van onze beschaving. Oorspronkelijk wil Jacques de Lalaing hen rond een zuil met bovenop een feniks groeperen, met de gedachte aan de opeenvolgende beschavingen. Op verzoek van burgemeester Karel Buls koopt de stad Brussel het werk in mei 1898 aan, waarna het in november 1899 een plaats krijgt in het hogere deel van het park bij het Ambiorixsquare. De blauwstenen sokkels en de lagere muur die het drietal verbindt zijn ontworpen door architect Ernest Acker. Het is dus geen feniks geworden.


Het wordt nu dus behoorlijk druk met creaties voor Jacques de Lalaing, maar de man beschikt over een onverwoestbare werkkracht en het nodige talent om zowel zijn vele geschilderde portretten als zijn beeldhouwwerk te realiseren. Zo begint hij in de zomer van 1899 ook nog aan wat wellicht als zijn meesterwerk beschouwd mag worden, het beeld “La Lutte équestre” (Het Ruitergevecht), waarbij hij twee naakte mannen op paarden een met spierkracht bevochten strijd laat aangaan, hetgeen de beeldhouwer de gelegenheid biedt om zijn kennis van de menselijke anatomie – gespannen spierbundels, lichaamsuitdrukkingen – volop te etaleren. Als voorbeeld heeft de Lalaing zijn eigen schilderij uit 1884, “Les Lutteurs”, dat thans in het Doornikse Handelsgerecht hangt. Na een onderbreking van twee jaar neemt Jacques de draad weer op en in 1902 is het plaasteren model gereed. Omdat zijn eigen atelier te krap is om het werkstuk daar in de bedoelde grootte uit te voeren, moet Jacques op zoek naar een andere ruimte, die hij uiteindelijk zal vinden in een zaal van het Jubelparkcomplex. Het duurt nog tot begin 1907 voordat dit werk volledig af is, want de Lalaing is een perfectionist die tijdens het werkproces blijft corrigeren en aanvullen. Uiteindelijk krijgt hij begin 1908 de toezegging van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten dat zijn ruitergroep zal worden aangekocht. Maar wanneer blijkt dat het de bedoeling is om het beeld in Leuven te plaatsen op de Volksplaats – kort na de Tweede Wereldoorlog omgedoopt tot Monseigneur Ladeuzeplein – protesteert de kunstenaar, zijn beeld past niet binnen dat kader. Uiteindelijk geeft de minister toe en wordt “Het Ruitergevecht” in 1909 aan het einde van de Brusselse Louisalaan geplaatst, bij de ingang van het Terkamerenbos. Voor de sokkel zorgt collega-beeldhouwer Joseph Diongre. En blijft het Ladeuzeplein vrij voor Jan Fabre …


Intussen heeft Jacques de Lalaing niet werkloos toegekeken. De stad Oostende is in 1900 bij hem komen aankloppen voor een monumentaal beeld van koning Leopold I. Dat wordt een bronzen ruiterstandbeeld op een tamelijk hoge sokkel op roze zuilen, met in die sokkel twee bronzen reliëfs verwerkt. Op het ene zie je een vissersvrouw in een boot als symbool voor de Oostendse visserij, op het andere rijdt een vrouw op een paard, terwijl twee engeltjes haar beschermen en zij een tweede paard in toom houdt. Dat samen met het jaartal 1830 moet de ‘Blijde Intrede van België in het Concert der Natiën’ weergegeven. We zijn in een tijdsperiode waarin het allemaal best wat pompeus mocht zijn en klinken. Na wat zoeken vindt het Oostendse stadsbestuur een geschikte plaats, de Place de la Commune, zoals dat toen in deze koninklijke badstad heette – dus de Gemeenteplaats. Daar is Jacques het niet echt mee eens, maar de Oostendenaren houden voet bij stuk en zo kan burgemeester Alfons Pieters op 5 augustus 1901 koning Leopold II verwelkomen, die vergezeld is van prinses Clementina en prins Albert om het monument voor zijn vader – die zoveel voor de bloei van Oostende heeft gedaan – in te wijden. De Place de la Commune wordt herdoopt in Leopold I-plein, maar echte Oostendenaren blijven tot op vandaag over ‘het Peird’ spreken.   


In 1903 heeft Jacques zijn handen vol met opdrachten van het bestuur van de Brusselse gemeente Sint-Gillis. Het tamelijk kolossaal uitgevallen stadhuis aldaar moet aangekleed worden met beeldhouwwerk en wandschilderingen en bij de Lalaing is men zeker van kwaliteit en keurigheid. De wandschilderingen die ‘De Nijverheid’ en ‘De Handel’ voorstellen zijn in 1904 gereed, het jaar daarop bezorgt Jacques de marmeren beelden voor de eretrap die ‘De Gerechtigheid’ en ‘Het Onderwijs’ uitbeelden.


Inmiddels is zijn faam ook tot in de verste uithoeken van België doorgedrongen en dat brengt het provinciebestuur van Limburg in 1907 op het idee om hem een allegorisch beeld van ‘Limburg’ te laten maken. Die bronzen dame prijkt nog steeds op het inmiddels ‘oud’ provinciehuis in de Lombaardstraat te Hasselt. Vervolgens komt Gent aan de beurt met twee opdrachten voor het Citadelpark, waarbij Jacques zich weer flink kan uitleven. In 1910 wordt daar zijn “Tijgers die elkaar een prooi betwisten” geplaatst, waarbij de Lalaing zich weer eens ontpopt als een uitmuntend animalier, een dierenbeeldhouwer. De andere opdracht is een allegorie van “De Schelde, de Leie en hun bijrivieren”. Bij allegorieën gaat het om mensen die iets verzinnebeelden, hier zit een man tegen een rotspunt, terwijl een vrouw aan de andere kant rechtop staat, hij de Schelde, zij de Leie, aan alle kanten van de rots hun kinderen. Dit gezinnetje komt in 1913 gereed.


In datzelfde jaar 1913 is Jacques de Lalaing ook wat verderop present, in het West-Vlaamse Pittem, waar hij een bronzen pater Ferdinand Verbiest als Chinese mandarijn voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk laat zitten, daarmee de beroemdste man van Pittem waardig vereeuwigend. En nog steeds in 1913 wordt weer aan de andere kant van Vlaanderen, nu in Westerlo, een huldemonument voor Henri de Merode ingewijd op de Grote Markt. Jacques heeft deze kasteelheer laten flankeren door ‘De Wet’ en ‘Het Geloof’ in klinkend brons.


Een kunstenaar met zowel talent als succes in twee sectoren wordt ook graag gevraagd in colleges die enig gezag moeten uitstralen. Jacques de Lalaing wordt dan ook benoemd tot lid van het directiecomité van de Koninklijke Musea van Schilder- en Beeldhouwkunst van België. In dat Brusselse instituut is hij in 1912 ondervoorzitter en in 1914 voorzitter. De ruime bekendheid van de Lalaing maakt hem ook een veelgevraagd jurylid, onder meer voor de Prijs van Rome, de internationale jury in Bern voor het Monument van de Postunie en zo meer. Zelf exposeert Jacques de Lalaing op salons en in galeries in Brussel, Parijs, Berlijn, Saint-Louis en Venetië. Zijn werk wordt opgenomen in de verzamelingen van musea in Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent en Doornik.


Zijn artistieke gevoeligheid zet zich ook voort in een sociale bewogenheid, met name met de mensen rondom hem, zoals zijn modellen. Wanneer een van hen, Nel Wouters, de vrouw van schilder Rik, iets blijkt te mankeren, laat hij haar door zijn eigen huisarts verzorgen. En als Marie Van Wymeersch, een ander model, grote problemen krijgt met het Belgische gerecht, helpt Jacques haar ons land te ontvluchten en zorgt hij ervoor dat zij middelen heeft om zich in het Zwitserse Bazel te vestigen en daar als modiste te gaan werken.


Stilaan komt de Eerste Wereldoorlog steeds naderbij. Jacques de Lalaing revolteert en is ontstelt door de gruwelverhalen die uit het veroverde Verdun komen. Begin 1917 engageert hij zich als voorzitter van het directiecomité van de Musea voor Schilder- en Beeldhouwkunst van België in een verzet tegen de vervlaamsing van de Belgische instituten, zoals die door de Duitse bezetter wordt doorgevoerd. Oorlogsomstandigheden en ziekte lijken Jacques’ krachten eerder te mobiliseren dan af te remmen. Toch zal Jacques de Lalaing de vrede niet meer meemaken, want op 10 oktober 1917 overlijdt hij in zijn woonplaats Brussel.


Oeuvre op openbare plaatsen:

1886

Muur- en plafondschilderingen rond de eretrap.

Stadhuis, Grote Markt, Brussel.

1887-1910

Le Mât-Tigres (De mast met de tijgers), brons

Eerder ook Mât-électrique genoemd en bedoeld als basis voor een lantaarnpaal.

Kruispunt Louis Bertrandlaan – Voltairelaan, Schaarbeek.

1888

Standbeeld José Gofin, brons.

Place Josse Gofin, Clabecq, brons.

1889

Standbeeld Robert Cavelier de la Salle, brons.

Lincoln Park, Chicago, Verenigde Staten.

1890

Monument voor de officieren, onderofficieren en soldaten van het Britse leger die gedood werden in de slag bij Waterloo, brons.

Kerkhof van Brussel, Kerkhof van Brussellaan, Evere (zijde Zaventemstraat).

1890-1896

Drie schilderijen voor de Belgische Senaat.

Parlementsgebouw - Senaat, Wetstraat, Brussel.

1893-1895

Monument voor Camille Coquilhat, brons en steen.

Koning Albertpark, zijde Mechelsesteenweg, Antwerpen.

1898-1899

Standbeeld Jules de Burlet, brons.

Square Gabrielle Petit, Nijvel.

1898-1899

Les trois âges de l’Humanité (De drie leeftijden van de Mensheid), brons.

Square Ambiorix, Brussel.

1899-1909

La Lutte équestre (Het Ruitergevecht), brons.

Terkamerenbossquare (ingang Terkamerenbos eind Louisalaan), Brussel.

1901

Ruiterstandbeeld Koning Leopold I met twee reliëfs, brons.

Leopold I-plein, Oostende.

1903-1904

Wandschilderingen De Nijverheid en De Handel.

Stadhuis, Maurice Van Meenenplein, Sint-Gillis.

1903-1905

Standbeelden De Gerechtigheid en Het Onderwijs, marmer.

Stadhuis - eretrap, Maurice Van Meenenplein, Sint-Gillis.

1907

Standbeeld Limburg, brons.

Oud-Provinciehuis, Lombaardstraat, Hasselt.

1910

Tijgers die een prooi betwisten, brons.

Citadelpark, Gent.

1913

Schelde en Leie, brons.

Citadelpark, Gent.

1913

Standbeeld Ferdinand Verbiest, brons.

O.L.Vrouwekerk, Markt, Pittem.

1913

Monument graaf Henri de Merode, marmer en steen.

Grote Markt, Westerlo.

1917

Kaïn en Abel, plaaster.

Musée des Beaux-Arts, Rue de l’éclos Saint-Martin, Doornik.