Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

EUGEEN DE RIDDER (1893-1962)

Louis De Ridder is een mandenvlechter in het Klein-Brabantse Hingene. Maar dat is daar bijna iedereen, daarom gaat Louis zijn geluk beproeven in de grote stad Antwerpen. Hij leert er zijn vrouw kennen, Maria Van Herck, vanuit Begijnendijk naar de Sinjorenstad komen afzakken en werkend in hotel Fult aan de De Keyserlei. Louis en Maria vervlechten hun beider levens en zetten een zaak op in biezen manden en korven, die ze uit Klein-Brabant laten komen, dus een logische keuze.

Op 24 juni 1893 wordt in hun woning aan de Lange Beeldekensstraat zoon Eugeen Domien geboren. De jongen leert viool spelen en tijdens zijn studie voor onderwijzer aan de Gentse Staatsnormaalschool krijgt hij o.a. les van Emiel Hullebroeck, waardoor hij uitgebreider kennis maakt met muziek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog geeft Eugeen les aan de Antwerpse Schippersschool op 't Eilandje. Naast zijn job als onderwijzer schrijft hij culturele kritieken voor De Volksgazet, kindervertellingen en sociale liederen, want Eugeen is een echte ‘rooie’. Zo zijn er de Ballade van den Rooden Zanger uit 1921 op muziek van Jan Broeckx en het socialistische turnerslied Volharding. In 1922 is De Ridder een van de oprichters van de Vlaamse Toeristen Bond en als hij later voor de VTB ook reisleider wordt, komen daar zelf geschreven reisgidsen uit voort, onder andere over de Guldensporenstad Kortrijk en over Antwerpen.

Wanneer Emiel Hullebroeck op 30 november 1922 de Nationale Vereeniging voor Auteursrecht (NAVEA) opricht – voorloper van SABAM (Société d’Auteurs Belge / Belgische Auteurs Maatschappij) – staat Eugeen De Ridder als lid mee aan de wieg.

Eén van Eugeens liedteksten zal tot het geheugen van een hele generatie Vlamingen gaan behoren. In 1938 schrijft hij het lied In de stille Kempen, dat onder de naam van het tweede deel van de titelzin een regelrechte hit wordt: Op de purp’ren hei. Wanneer Eugeen rond die tijd componist Armand Preud’homme ontmoet, zorgt die in 1939 voor een melodie en zenden ze het als operettesong in voor een wedstrijd van het Nationaal Instituut voor Radio (NIR), voorloper van de VRT. Het NIR vraagt Armand om de muziek uit te werken voor een orkest en daar krijgt hij welgeteld drie dagen voor, waarna deze orkestrale uitvoering in het programma De Zonnekloppers wordt uitgezonden. Na de Tweede Wereldoorlog zal Preud’homme er in 1949 samen met De Ridder een volledige operette van maken, die op 6 juli van dat jaar in première gaat in de Concordiaschouwburg te Antwerpen. Eind jaren 1950 brengt His Master’s Voice er zelfs een plaatopname van uit. En wanneer in 1969 de Koninklijke Vlaamse Opera het werk op zijn repertoire zet, trekt ‘Op de purp’ren hei’ volle zalen en roepen de toeschouwers bij de première de componist op het podium.

Na het einde van zijn onderwijscarrière trekt Eugeen De Ridder zich in 1946 terug in zijn villa aan de Smisstraat (nu Dr. Theo Tutsstraat 37) in het rustige Boechout, waar hij zijn artistieke talenten verder ontplooit. Hij bezorgt dan ook teksten aan Jef Van Hoof, Renaat Veremans en Emiel Hullebroeck, componisten met een sterke Vlaamse inslag. Maar De Ridder schrijft ook voor zangers in het populairdere genre: Bob Benny, Will Ferdy en voor Louis Neefs De Poppenstoet.

Op 13 april 1962 overlijdt Eugeen De Ridder in Boechout. Hij wordt bijgezet op het Schoonselhof in Antwerpen (op perk O, rij A). Sinds 1988 hangt er een gedenkplaat aan de gevel van zijn vroegere Boechoutse woning. En precies een eeuw na zijn geboorte heeft Eugeen een straat in Boechout naar zich vernoemd gekregen en eert de in Boechout wonende Lierse volksschrijver Wim Van Gelder deze dorpsgenoot met een boek over Eugeen.

Boechout