Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

LAURENT-BENOȊT DEWEZ (1731-1812)

Tournai / Doornik

In 1731 wordt in het dorpje Petit-Rechain bij de stad Verviers in het toenmalige hertogdom Limbourg als achtste kind van meer dan vijftien uit een bescheiden familie Laurent-Benoît Dewez geboren en op 14 april van dat jaar gedoopt. Zijn vader is officier bij de douane, niet direct een functie die voor de kinderen schitterende vooruitzichten op een boeiende carrière zou bieden. Maar kennelijk krijgt Laurent-Benoît toch een behoorlijke basisopleiding en dankzij voorspraak van de toekomstige abt van de abdij van Saint-Hubert komt hij in 1754 in aanmerking voor een beurs van de Luikse Lambert Darchis-stichting. Dat is een fonds dat in 1696 bij testament is gesticht door Lambert Darchis, een Luikenaar die in Rome een lange en lucratieve carrière heeft gehad bij de pauselijke curie. Hij heeft gezien hoe moeilijk buitenlanders het vaak hadden om onderdak in Rome te vinden, wanneer ze daar als student of pelgrim aankomen. Vandaar een stichting die dat zal verhelpen voor landgenoten uit het prinsbisdom Luik en omstreken, op voorwaarde dat ze Waals Frans spreken. Na Lamberts dood wordt in de Via Monte d’Oro een huis aangekocht, waar studenten en pelgrims gratis kost en inwoning kunnen krijgen voor maximaal vijf jaar, wanneer ze van de stichting een beurs ontvangen. Op het moment dat Laurent-Benoît Dewez zo’n beurs krijgt, heet dat huis sinds 1711 het Collège Darchis. Zowel het huis als de stichting bestaan vandaag nog steeds.


Dewez zal tussen 1754 en 1757 in Rome en Napels verblijven, waar hij in de ateliers kan werken van beroemde architecten als de Italianen Carlo Marchionni, Giovanni Battista Piranesi, Luigi Vanvitelli (zoon van de Nederlandse schilder Gaspard Van Wittel), de Fransman Charles-Louis Clérisseau, de Duitser Johann Joachim Winkelmann en de Schot Robert Adam. Italië is dan duidelijk de bron waaraan iedere kunstenaar of bekwame vakman zich komt laven. De blik is gericht op de erfenis van het antieke Romeinse Rijk, waaruit nieuwe inspiratie wordt gehaald voor een stijl die als neoclassicisme binnen de bouwkunst bekendstaat.


Samen met Robert Adam maakt Laurent-Benoît een studiereis naar Split aan de Kroatische kant van de Adriatische Zee. Nadien vergezelt hij Robert naar Londen, waar deze samen met zijn broers John en William een architectenbureau heeft. Dewez zal daar in 1758 ongeveer een jaar als partner meedraaien, om dan terug te keren naar de Oostenrijkse Nederlanden, waar hij zich in 1760 in Brussel vestigt.


Zijn eerste belangrijke opdracht krijgt Laurent-Benoît Dewez dankzij familiebanden en door tussenkomst van Dom Nicolas Spirlet, toekomstig abt van de abdij van Saint-Hubert, die op goede voet staat met de regering van de Oostenrijkse Nederlanden. Het gaat hier om een nieuw gedeelte van de abdij van Orval. De 18de eeuw is voor wat betreft de Oostenrijkse tijd een periode van rust en behoorlijke welvaart. Ook met de abdijen gaat het goed en daardoor bezinnen heel wat abten zich over hun huisvesting. Vaak gaat het om oude abdijen, waar telkens gebouwen aan toegevoegd zijn, na verwoestingen delen weer zijn herbouwd of stukken zijn afgebroken. Om in al die verschillende gebouwen van een abdij weer enige eenheid te krijgen, gaan abten een beroep doen op eigentijdse architecten en Laurent-Benoît Dewez is de juiste man voor zo’n bouwproject door zijn kennis van de classicistische architectuur, die in Rome in zwang is gekomen. Orval haalt een deel van zijn welvaart uit zijn ijzersmelterijen, waarmee het van eind 17de tot halfweg 18de eeuw tot de top van de westerse ijzernijverheid staat. Dewez zorgt dat vanaf 1760 tot 1769 in Orval naast de oude 12de-eeuwse abdij een volledig nieuwe abdij tot stand komt, waaraan in 1779 nog een nieuwe kerk wordt toegevoegd, die in 1782 wordt ingewijd. Dan is het geld van de abdij op en kleurt de toekomst van alle abdijen stilaan zwart: de Franse Revolutie. Op 23 juni 1793 plunderen de troepen van generaal Loison de abdij van Orval en steken de gebouwen in brand. Daarom valt er in Orval vandaag niet veel meer te zien van Laurent-Benoîts schepping. Op de fundamenten van zijn abdij heeft architect Henri Vaes vanaf ongeveer 1930 tot 1948 een 20ste-eeuwse abdij neergezet in opdracht van abt Marie-Albert van der Cruyssen.


Het zal niet de laatste abdij van Dewez zijn waarvan geen spoor is overgebleven. Want in 1761 maakt hij een eerste ontwerp voor een nieuwe abdij van Affligem met niet minder dan vijf binnenhoven, waarbij hij de inspiratie haalt van het Spaanse El Escorial. Het Oostenrijkse landsbestuur verplicht later de abdij om ook een representatief huis in Brussel op te richten. Dat zal op een nieuw perceel komen in de net opnieuw aangelegde wijk rond het Park van Brussel, waar architect Barnabé Guimard in de Brabantstraat (nu Wetstraat) een pand met drie gevels naast elkaar neerzet rond 1775, dat Laurent-Benoît Dewez mag inrichten. Vandaag heet dat gebouw Hôtel du Greffe en huist hier het Parlement van het Franstalige Gewest op Wetstraat 6. De Affligemse abdijgebouwen worden op 11 november 1796 door de Fransen geconfisqueerd en bestaan niet meer.


In hetzelfde jaar als de bestelling uit Affligem bereikt Dewez ook een verzoek van Dom Jacques Legrain van de abdij van Gembloux. Of hij ook daar een nieuwbouw kan neerzetten. Dat gebeurt tussen 1762 en 1779, met name een nagelnieuw neoklassiek abtspaleis. Vandaag houdt men zich daar met zeer aardse zaken bezig, er huist de Universitaire faculteit van agronomische wetenschappen van Gembloux.

Ook Dom Robert Delezenne, abt van de Doornikse Saint-Martinabdij laat van zich horen. Zijn abdij heeft door de eeuwen heen al heel wat hoge gasten te logeren gekregen, waaronder keizer Karel V en de Franse koning Lodewijk XIV. Die laatste heeft in 1671 de eerste steen gelegd voor een nieuwe abdijkerk, nu wil de abt ook wel een waardig onderkomen voor zichzelf. Dewez zorgt in 1763 voor een prachtig abtspaleis, al snel beschouwd als een van Doorniks mooiste monumenten. Lodewijks kerk wordt door zijn revolutionaire landgenoten gesloopt, Laurent-Benoîts paleis heeft meer geluk, daar trekt vanaf 1809 het Doornikse stadsbestuur in, het is dus nu stadhuis.


Maar het zijn niet enkel abten die opdrachten verstrekken aan de man die het neoclassicisme hier een behoorlijke duw in de rug geeft, gekruid met Engelse en Franse toetsen. Rond 1763 wil graaf Julien Depestre zijn aanzien wat toonbaar maken. Hij heeft in 1758 de heerlijkheid Seneffe gekocht en wil nu

een prestigieuze woning in zijn bezitting. Dewez ontwerpt voor hem het kasteel van Seneffe, dat tussen 1763 en 1768 zal verrijzen. De ‘architect van de abdijen’ heeft het nu stilaan zo druk, dat hij Ghislain-Joseph Henry laat meewerken aan dit project. Hoewel Depestre in 1774 sterft, laten zijn weduwe en zijn oudste zoon de binneninrichting verder completeren en het park aanleggen. Later komen er andere bewoners, onder andere generaal von Falkenhausen, die er zijn Duitse hoofdkwartier vestigt, maar niet zo lang daarna plaats moet ruimen voor Britten en Amerikanen, waarna er ijverige leerlingen van het Heilig Hartcollege komen, om in 1970 in Staatshanden te belanden. Wat wel als Dewez’ meesterwerk wordt beschouwd, is nu gerestaureerd en ingericht als Musée de l’Orfeverie (Edelsmeedmuseum) en dus te bezoeken.


In 1764 komt er een dringende opdracht: de abdij van Vorst is op 26 maart 1764 door brand geteisterd en dat vraagt dus om herstel. Reeds op 12 september van datzelfde jaar kan de gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, prins Karel van Lotharingen, de eerste steen leggen van de door Laurent-Benoît Dewez ontworpen nieuwbouw. Daar bestaat nog een deel van en dat is in 1964 door de gemeente Vorst aangekocht en gerestaureerd tot cultureel centrum, zodat je daar thans terecht kan in een expositieruimte en in de vroegere priorij een restaurant en een receptiezaal aantreft.


En nu hij toch door Karel van Lotharingen is opgemerkt, engageert deze hem in 1766 meteen voor een paar kleinere werkjes aan zijn nieuwe paleis te Mariemont. Karel heeft namelijk in 1745 het oude kasteel aldaar met de grond gelijk laten maken om er een fonkelnieuw paleis voor in de plaats te zetten. Dat is ontworpen door architect Jean Nicolas Jadot, maar er is dus nog wat werk aan en Dewez krijgt van de gouverneur-generaal de directie daarover, want hofarchitect Jean Faulte is net in 1766 overleden. Laurent-Benoît zal de eerste vleugel van dat paleis voltooien. Maar vandaag zie je in het Park van Mariemont vooral een eigentijds museumgebouw. Na even zoeken kom je toch uit bij de ruïnes van Karels paleis, die door een hek zijn afgesloten. Weer de Franse revolutie? Eigenlijk meer de inwoners van de omliggende wijken, die het paleis in die woelige tijd grondig hebben leeggehaald en gesloopt.


Enkele maanden later wordt Dewez per patentbrief op 18 maart 1767 benoemd tot Eerste Architect van Karel-Alexander van Lotharingen, zeg maar tot hofarchitect. Door die benoeming kan men bij publieke en religieuze instellingen voortaan amper nog om Laurent-Benoît Dewez heen bij nieuwbouw. Want het passeren van Dewez zou uitgelegd kunnen worden als kritiek op de artistieke keuze van de regering. Erg geliefd maakt Laurent-Benoît zich daardoor uiteraard niet bij de collega’s, zoals later zal blijken.


Kringen rond het Hof gaan nu ook een beroep op zijn diensten doen om kastelen en herenhuizen te bouwen, dan wel aan te passen aan een modernere smaak en comfort. Zo is er baron de Bonlez, die een gehucht bezit waarvan hij in 1768 de kerk laat verbouwen door Dewez. Dat lijkt een soort test, want nadien bestelt hij bij hem de verbouwing van zijn Brusselse herenhuis en een aanpassing aan zijn kasteel te Bonlez.


In datzelfde jaar 1768 vindt abdis Anne de Croy van de vrouwenabdij van Herkenrode dat ze wel een nieuw abdiskwartier mag hebben. Laurent-Benoît zal haar graag van dienst zijn. Vandaag kun je daar over je leven gaan nadenken in het bezinningscentrum van het Klooster van het Heilig Graf. Andere gebouwen van de beroemde abdij van Herkenrode liggen wat verderop en zijn vrij toegankelijk, met daarbij een kruidentuin. Maar daar is de hand van Dewez dus niet aan te pas gekomen.

Ook de abdij van Opheylissem doet in 1768 een beroep op de architect. Daar zal Laurent-Benoît een prachtige nieuwe abdij optrekken met op de kerk een mooie koepel. Hij werkt hier van 1768 tot 1789 samen met François Roufflart en later nog met Laurent Fontaine. Vandaag ligt Dewez’ schepping in wat nu heet het Provinciaal domein van Hélécine (de nieuwe fusienaam voor o.a. Opheylissem). Alleen: de huidige zeer opvallende koepel is niet die van Dewez, maar is een schepping uit ca. 1870 van Alphonse Ballat.


Niet enkel abdijen geven religieuze opdrachten. Er zijn ook kapittels van kanunniken, zoals dat van Harelbeke. Zij laten tussen 1769 en 1773 naast hun stoere 11de/12de-eeuwse toren een neoklassieke Sint-Salvatorkerk bouwen door Dewez. Door 20ste-eeuwse oorlogsschade is die intussen wel herbouwd in de jaren 1953-’54, maar volgens de originele plannen.

Niet zozeer een kerkgebouw heeft een jaar later abt Baptiste Dufresne van de abdij van Floreffe nodig, zijn kerk met een schip van 90 meter lengte is imposant genoeg en meteen de grootste van alle kloosters in heel België. Hier mag Dewez het kerkinterieur aankleden, wat tussen 1770 en 1775 gebeurt.


Voor de afwisseling houdt Laurent-Benoît zich in 1771 ook een keer bezig met een utilitair gebouw, een vuurtoren voor Oostende. Jammer genoeg ook niet meer te bezichtigen, want gesloopt tijdens WO II.  


Op het hoogtepunt van zijn carrière bouwt Laurent-Benoît Dewez in Sint-Ulriks-Kapelle, in het Pajottenland ten westen van Brussel, kasteel La Motte in 1773. Hier lijkt hij geen opdrachtgever te hebben, maar er zijn aanwijzingen dat hij dit onderkomen heeft gebouwd voor zijn schoonmoeder, de weduwe van P.J. Mertens. Want ja, intussen een gefortuneerd man, is Dewez gehuwd met Marie-Françoise Mertens. Ongeveer in hetzelfde tempo als haar echtgenoot abdijen en kastelen neerpoot, zal zij voor nieuwe bewoners zorgen, liefst vijftien kinderen zal het gezin tellen.

Eerder heeft de architect voor zijn schoonfamilie al een elegant herenhuis laten optrekken in de hoofdstad Brussel aan de Lakensestraat 73. Sinds 13 februari 1992 is die woning een beschermd monument en werd tussen 2008 en 2011 grondig gerestaureerd om er daarna het Belgisch Museum van de Vrijmetselarij in onder te brengen.


In Andenne aan de Maas zijn er adellijke dames die daar de gedachtenis aan Begga, dochter van Pepijn I van Landen, levend houden in een door haar zelf gesticht stift. Daar woonden die kanunnikessen in fraaie huizen rond liefst zeven kerken, want zo had Begga dat gewild, in navolging van de basilieken van Rome. Maar intussen was het verval aardig ingetreden en de adellijke dames vonden het niet echt opportuun om zoveel kerken te onderhouden, dus vragen ze aan de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia of ze die zeven bouwvallen niet mogen vervangen door één fraaie kerk. Goed, antwoordt de keizerin, maar laat die nieuwe kerk dan door een bekend architect ontwerpen. En zo komen de stiftdames bij Laurent-Benoît Dewez terecht. Hij zorgt voor een neoclassicistische kerk met vieringtoren en met een rechte ingangspartij, waarop je met veel moeite kan lezen: DfoDIVæqUe beggæ VoVêre prænobILes anDanenses CanonICæ. (Hier ligt Begga begraven, gewijd als zeer uitzonderlijke Andense geestelijke.) Tel de Romeinse cijfers op en je komt aan 1773, het jaar dat de kerk ingewijd is. Maar Dewez heeft nog tot 1778 werk om alles af te maken aan deze Sainte-Begga-collegiale.


In 1775 is het de abdij van Dielegem in de Brusselse agglomeratiegemeente Jette, die een beroep op Dewez doet. Hij zorgt voor mooie nieuwe gebouwen, die in 1778 af raken. Maar ook dat is geen duurzaam project gebleken. In de Franse tijd wordt de abdij aan een Parijzenaar verkocht, die een groot deel van de gebouwen laat afbreken en de meubels, kunstwerken en rijke bibliotheek voortverkoopt. Gelukkig ontsnapt het prelaatshuis aan die ijver omdat het als woning fungeert. Met de dienstgebouwen maakt na 1929 een verkavelaar korte metten, waardoor enkel Laurent-Benoîts hoofdgebouw resteert, dat tot 1954 als parochiekerk wordt gebruikt en dan door het gemeentebestuur wordt aangekocht. Nu is in het gerestaureerde prelaatshuis een cultureel centrum en het Gemeentelijk Museum van het Graafschap Jette ondergebracht, zodat het te bezoeken is.


Voor de abdij van Vlierbeek in Kessel-Lo begint Laurent-Benoît Dewez in 1776 te bouwen aan een groots plan. Maar daarvan zal uiteindelijk slechts het abts- en gastenkwartier en de kerk worden gerealiseerd. Nadat de monniken in 1797 zijn verdreven, keren er een aantal terug in 1801, maar de fut is eruit en een nieuwe bloei van deze abdij zit er niet in. Als Vlierbeek in 1829 een onafhankelijke parochie wordt, krijgt de kerkfabriek de resten van de vroegere abdij in bezit. De abdijkerk wordt parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw van Vlierbeek en is op die manier gespaard. Het abtskwartier is als particuliere woning in gebruikt.


Door al deze opdrachten kan Laurent-Benoît Dewez zich een eigen buitenverblijf veroorloven. Hij koopt daartoe de heerlijkheden Overbeke en ’t Steen in Elewijt. ’t Steen is een kasteeltje waar een eeuw eerder de Antwerpenaar Pieter Paul Rubens zijn laatste levensjaren slijt met zijn jonge vrouw Heléna Fourment. In 1778 gaat Laurent-Benoît daar met zijn groot gezin wonen in de maanden dat hij niet in Brussel actief is.


En juist wanneer het dus lijkt of alles in Dewez’ leven geslaagd verloopt, komt de kentering. Die begint in 1778 met twee bouwprojecten rond Brussel: de herbouw van de Sint-Pieterskerk in Ukkel en een landhuis voor Karel van Lotharingen in Tervuren. Dat laatste laat Karel bouwen tussen het oude kasteel van de hertogen van Brabant en het dorp Tervuren. Dewez zorgt voor een snelle aanpak, zodat het geheel bemeubelde hoofdgebouw van dit Château Charles op 1 september 1779 door de gouverneur-generaal kan worden ingehuldigd met een uitgebreid feestelijk diner. Maar Dewez voelt zich kennelijk in deze jaren onaantastbaar en is nogal slordig in het opvolgen van de bouwwerf van dit buitenverblijf. En ook in Ukkel loopt het blijkbaar niet allemaal van een leien dakje. Maar de architect heeft dan ook veel om handen.


Vanaf 1779 is hij ook belast met de bouw van een nieuwe rijksinstelling, het Tuchthuis of  de Correctie genoemd. Dat is een modelgevangenis volgens het in die dagen gebruikelijke principe, waarbij gevangenen aan het werk worden gezet voor privé-ondernemers om zo hun kost en inwoning mee te helpen financieren en meteen weer in het gareel te worden gebracht van de normale maatschappij. Het grote gebouw komt in Vilvoorde te staan, nabij het kanaal van Brussel naar Willebroek. Maar kennelijk wordt ook hier niet al te nauwgezet gewerkt door Dewez.

En van die slordigheden maken zijn vijanden – heel wat andere architecten die mooie opdrachten aan zich voorbij zien gaan – gebruik om hem te beschuldigen van nalatigheid, fouten, ja zelfs van fraude. Wanneer die klachten ter ore komen van Karel van Lotharingen, die ook merkt dat het niet opschiet met de afwerking van zijn Tervuurse buitenverblijf, wordt Laurent-Benoît Dewez op 5 februari 1780 ontslagen als hofarchitect. Anderen nemen zijn projecten over, zoals Claude Fisco bij de kerk van Ukkel, die in 1782 gereed komt.

Met het Château Charles loopt het minder gelukkig af. Opdrachtgever Karel overlijdt in augustus 1780 en dan is dus de vraag wat er nu verder moet gebeuren, want het geheel is nog niet af. Keizer Jozef II, die Karel van Lotharingen opvolgt, laat de bouw stilleggen en zet het buitenverblijf te koop. Na verkocht te zijn wordt het Château Charles evenwel al in 1782 weer gesloopt.


Laurent-Benoît trekt zich terug op ‘t Steen, waar hij privé-opdrachten blijft aannemen en zich aan enkele vastgoedoperaties waagt. In die periode bouwt hij in de Brusselse Leopoldwijk diverse huurhuizen, drie herenhuizen voor rekening van de abdij van Affligem.


Bij de invasie van de revolutionaire Franse troepen in de Oostenrijkse Nederlanden in 1793 ziet Laurent-Benoît Dewez de bui hangen, als gewezen hofarchitect met een klandizie uit de gegoede burgerij en de adel lijkt er geen toekomst meer voor hem weggelegd in dit land. En met die jaloerse collega’s zou het zelfs erger kunnen aflopen met zijn rustige bestaan. Hij trekt met zijn gezin naar de Tsjechische hoofdstad Praag, ver genoeg van de Franse dreiging en een stad met een rijke architectuurgeschiedenis. Dewez bouwt daar dan ook diverse particuliere woningen voor de lokale burgerij.


Maar blijkbaar is Praag toch niet de stad waar hij zich helemaal thuis gaat voelen – of is het misschien zijn vrouw die graag terugkeren wil? In elk geval komt het gezin na tien jaar Praag in 1804 terug naar wat dan nog geen België heet, maar bij Frankrijk is geannexeerd. Laurent-Benoît vestigt zich in Groot-Bijgaarden, aan de rand van Brussel en hoopt opnieuw aan het werk te kunnen in zijn vaderland. Maar dat lukt niet, zijn pogingen om weer openbare opdrachten te krijgen blijven tevergeefs, men is hem intussen vergeten. De acht jaar die volgen volstaan om Dewez totaal te ruïneren en op 1 november 1812 sterft de eens zo beroemde bouwmeester in een woning nabij de kerk van Groot-Bijgaarden. Tussen de grafstenen in de buitenmuur van die kerk staat ook de zijne, met een Latijns opschrift waarin zijn leven wordt beschreven. Een afscheid in mineur van een man die de neoclassicistische bouwstijl in onze streken introduceerde en wiens resterende werken vandaag vaak als monument beschermd worden.


Oeuvre (onvolledig):

1760-1769

Notre-Dame-abdij van Orval – nieuw gedeelte naast middeleeuwse abdij, verwoest in 1793 door Franse leger.

Orval 1, Villers-devant-Orval.

1761-1775

Sint-Pieters en Paulusabdij – restauratie en uitbreiding, geconfisqueerd in 1796 en gesloopt na 1797.

Abdijstraat 6, Affligem-Hekelgem.

1762-1779

Abdij van Gembloux– neoklassiek abtspaleis en herbouw kerk (nu: Agro-Bio Tech universiteit Luik).

Passage des Déportés 2, Gembloux.

I.o.v. abt Jacques Legrain.

1763

Abdij van Saint-Martin - abtspaleis (nu: stadhuis).

Enclos Saint-Martin 52, Doornik.

1763-1768

Kasteel van Seneffe – in neoklassieke stijl (nu: Museum van Zilversmeedkunst).

Rue Lucien Plasman 7-9, Seneffe.

I.o.v. graaf Julien Depestre.

I.s.m. architect Ghislain-Joseph Henry.

1764

Abdij van Vorst (nu: expositieruimte en festiviteitenzaal, deel van Cultureel Centrum).

Sint-Denijsplein 9, Vorst.

1765-1778

Sainte-Begga kapittelkerk – vervanging van zeven kleinere kerken.

Place Sainte-Begga z/n, Andenne.

I.o.v. adellijke stiftdames en keizerin Maria-Theresia.

1766

Portiek Vicus Artium (nu: ingang museum M).

Leopold Vanderkelenstraat 28, Leuven.

1766-1774

Paleis van Karel van Lotharingen - vergroot en gewijzigd (nu: ruïne).

Park Mariemont, Morlanwelz.

1768

Kasteel van Bonlez en lokale kerk.

Bas-Bonlez 41, Chaumont-Gistoux-Bonlez.

I.o.v. baron de Bonlez.

1768

Abdij van Herkenrode – abdiskwartier (nu: Bezinningscentrum Zusters van het Heilig Hart).

Herkenrodeabdij 1, Hasselt-Kuringen.

I.o.v. abdis Anne de Croy.

1768-1789

Abdij van Opheylissem (nu: Provinciaal Domein Hélécine).

Rue Armand Dewolf 2, Hélécine.

I.s.m. architecten François Roufflart en Laurent Fontaine.

1769

Staatsieplein Benedictijnerabdij – ontwerp.

Diesterstraat 1, Sint-Truiden.

1769-1774

Sint-Salvatorkerk – gebouwd met behoud van 12de-eeuwse vieringtoren en kruisbeuk.

Gentsestraat z/n, Harelbeke.

I.o.v. Sint-Salvatorkapittel.

1770

Herenhuis voor schoonouders Mertens (nu: Belgisch Museum van de Vrijmetselarij).

Lakensestraat 73, Brussel.

1770

Sint-Cornelius en Sint-Cyprianusabdij – wederopbouw in classicistische stijl.

Weggevoerdenstraat z/n - Abdijstraat 12 - Kerkplein 32-36, Ninove.

1770-1775

Abdij van Floreffe – aanpassing kerkinterieur in neoclassicistische stijl.

Rue du Séminaire 7, Floreffe.

I.o.v. abt Baptiste Dufresne.

1770-1776

Abdij Notre-Dame de Bonne Espérance (nu: College Notre-Dame de Bonne-Espérance).

Rue Grégoire Jurion 27, Vellereille-les-Brayeux (nabij Binche).

1771

Toegangspoort (oude) Hortus Botanicus (nu: beschermd monument).

Minderbroedersvest z/n, Leuven.

1771-1772

Eerste stenen vuurtoren, bijgenaamd ‘De Vlaggestok’ – gesloopt door Duitsers in 1944.

Zeeheldenplein, Oostende.

1773

Kasteel La Motte.

Lumbeekstraat 20, Dilbeek-Sint-Ulriks-Kapelle.

I.o.v. Petronella Mertens-Servaes, weduwe-schoonmoeder van L-B Dewez.

1774-1775

Sint-Columbakerk – als hallenkerk met behoud van vieringtoren ontworpen door Kortrijkse architect Simoen Steyt, bouw geleid door Laurent-Benoît Dewez.

Kerkplein 19, Deerlijk.

1774-1779

Tuchthuis (nu: stadsdiensten Vilvoorde en verenigingslokalen).

Rondeweg 40, Vilvoorde.

I.o.v. keizerin Maria-Theresia.

1775-1776

Priorij van Herlaimont – in verval.

Rue de Piéton, Chapelle-lez-Herlaimont (nabij La Louvière).

1775-1778

Abdij van Dielegem – restant Prelaatshuis (nu: Cultureel Centrum en Gemeentelijk Museum van het Graafschap Jette).

Jan Tiebackxstraat 14, Jette.

1776

Kapel bij Herbimont – afhankelijk van abdij van Floreffe.

1776-1778

Sint-Genesiuskerk – vergroting.

Dorpsstraat 40, Sint-Genesius-Rode.

1776-1783

Abdij van Vlierbeek – kerk en abtskwartier (nu: Onze-Lieve-Vrouw van Vlierbeek parochiekerk en privéwoning).

Molenstraat, Kessel-Lo.

1778-1780

Château Charles – gesloopt in 1782.

Hoogvorst, Tervuren.

I.o.v. gouverneur Karel Alexander van Lotharingen.

1778-1782

Sint-Pieterskerk – niet uitgevoerd ontwerp, overgenomen door architect Claude Fisco.

Sint-Pietersvoorplein z/n, Ukkel.

1779-1782

Abdijkerk abdij van Orval – in 1793 verwoest door Franse leger.

Orval 1, Villers-devant-Orval.

1783

Hôtel Torrington - interieurinrichting (nu: Hôtel du Greffe, Parlement de la Communauté française).

Wetstraat 6, Brussel.

I.o.v. Abdij van Affligem.