Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

EUGÈNE DHUICQUE (1877-1955)

Eugène Dhuicque is Brusselaar, geboren op 23 oktober 1877 in Sint-Joost-ten-Node, door hem wellicht eerder Saint-Josse genoemd. Hij is een natuurlijke zoon van Hendrik Beyaert en zal later als architect naar het werk van zijn vader blijven opkijken.


Eugène volgt les in stedenbouw aan de Brusselse academie tussen 1897 en 1899 met een voorkeur voor monumentenzorg. Hij loopt stage bij Emile Janlet, waarna hij gaat werken bij Paul Selmersheim, architect-inspecteur voor historische monumenten. Daardoor maakt Eugène kennis met de restauratiewerven van de kathedralen van Parijs, Chartres en Troyes. Deze opleiding in de restauratiepraktijk vormt de basis voor Dhuicque's grote interesse voor monumentenzorg, een belangstelling die zich ook zal vertalen in theoretisch werk rond dat thema. In 1908 wordt Dhuicque docent middeleeuwse architectuur aan de Brusselse academie.


In 1915 wordt hij door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten aangesteld tot hoofd van de bijzondere 'Mission Dhuicque', waarin hij zich samen met zijn broer Marc en Henry Lacoste inzet voor de redding van kunstvoorwerpen en historische gebouwen in de kuststreek.


Na de Eerste Wereldoorlog zal Dhuicque zich juist door zijn kennis van monumentenzorg verzetten tegen de plannen om het verwoeste Ieper klakkeloos te reconstrueren, zoals Jules Coomans het heeft gepland en ook zal uitvoeren. Zowel vanuit de SCAB (Société Centrale d'Architecture de Belgique) als de KCML (Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen) ijvert Eugène Dhuicque voor een progressieve restauratiedoctrine, die het behoud van de historische gelaagdheid en authenticiteit van het monument nastreeft - dus de veranderingen in de loop der tijden aan een gebouw behouden, omdat ze nu eenmaal zijn aangebracht en dus authentiek zijn - waardoor hij het 19de-eeuwse principe van stijleenheid veroordeelt (dat zegt dat je een gebouw moet herbouwen naar de oorspronkelijke toestand en zelfs liefst naar een wellicht nooit uitgevoerde situatie, die de architect echter wel bedoeld zou - kunnen - hebben, dus dan bouw je nieuw 'oud', zoals in heel wat steden begin 20ste eeuw en na WO.I inderdaad is gebeurd.).


Eugène Dhuicque pleit voor de oprichting van een gespecialiseerde restauratieopleiding voor architecten in navolging van het Franse voorbeeld. In 1928 wordt hij eerst docent en later hoogleraar aan de faculteit toegepaste wetenschappen aan de Université libre de Bruxelles, waar hij onder meer burgerlijke architectuur en architectuurgeschiedenis doceert. In 1933 neemt hij het initiatief tot oprichting van een gespecialiseerde opleiding stedenbouw, wat in 1936 leidt tot de stichting van het Institut d'Urbanisme et d'Aménagement du Territoire (IUAT). Hier geeft hij een cursus over de ontwikkeling van de steden en van 1939 tot 1950 is hij tevens directeur van deze opleiding. Dhuicque speelt ook een vooraanstaande rol in de SCAB, waarvan hij in 1912 en 1919 voorzitter is. Hij is ook in 1921-'22 directeur van het tijdschrift L'Emulation, waarin hij een belangrijk deel van zijn eigen werk publiceert.


Als scheppend architect begint hij te werken in de beaux-arts-stijl, die enkele van zijn herenhuizen kenmerkt. Maar hij ruilt die stijl snel in voor een Frans geïnspireerde art deco. Hij hanteert daarbij weliswaar veeleer een traditionele vormentaal met nadruk op eerlijke en duurzame materialen. Eugène koestert grote bewondering voor collega's als Hendrik Beyaert en Emile Janlet. Tot zijn eigen oeuvre behoren een vestiging van G.K.F, een handelpand en appartementsgebouw op de hoek van de Antoine Dansaertstraat en de Oude Graanmarkt in Brussel (1924-'27), maar ook een industrieel complex als de elektriciteitscentrale van Langerbrugge in de Gentse kanaalzone (1913) met aanpalende tuinwijk (1921-'28). Later treedt enige verstrakking op in zijn ontwerpen, maar dat evolueert nooit tot een zuiver functioneel modernisme. Op 16 januari 1955 wordt zijn naam voor het laatst aan een steen verbonden, die dag sterft deze bouwmeester in Ukkel, een stukje residentieel Brussel.


Oeuvre (onvolledig):


1906-1910

Monument der Twee Congressen.

Plaza des los Dos Congressos, Buenos Aires (Argentinië).

In samenwerking met beeldhouwer Jules Lagae.


1908

Herenhuis.

Jacob Jordaensstraat 29-31, Brussel-Flagey.


1912

Herenhuis.

Franz Merjaystraat 183, Brussel-Elsene.


1913

Elektriciteitscentrale Langerbrugge.

Langerbruggekaai 3, Gent.

Directeursvilla (nu EHBO en kantoren), barenzaal, machinehal, ketelhuis.


1920

Herberg Die Nobele Roose.

Noordstraat 11, Veurne.

Herstel oorlogsschade.


1921-1928

Tuinwijk Herryville.

Gent-Evergem.

Tuinwijk van de elektriciteitscentrale Langerbrugge.


1923

Filiaal Nationale Bank van België.

Kerkstraat 20-22, Dendermonde.


1924

Conciërgewoning Nationale Bank van België.

Kerkstraat 18, Dendermonde.


1924-1927

Handelsgebouwen Gérard Koninckx Frères (G.K.F.).

Antoine Dansaertstraat 75-79 + Oude Graanmarkt 7-11, Brussel.


1924-1927

Papeteries de Belgique (nu Instituut Anneesens-Funck).

Groot-Eilandstraat 39, Brussel.

Art deco-gevel aan de Zespenningenstraat.


1932

Aanleg Armand Steurs Square.

Brussel-Sint-Joost-ten-Node.


1935

Technische laboratoria Société carbonchimique.

Saint-Ghislain-Tertre.


1935-1937

U.L.B. Instituut voor lichamelijke opvoeding, Gebouw E2.

De Solbosch-campus, Franklin Rooseveltlaan, Brussel-Ter Kameren.