Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

DRAPERIE

De welvaart van veel middeleeuwse steden in de Nederlanden is nauw verbonden met de lakenindustrie, vrijwel de eerste bedrijfstak die grootscheeps wordt aangepakt en met de nodige reglementen is omgeven. Onder 'lakens' worden dan allerhande wollen weefsels verstaan, het gaat niet over beddengoed. Hoe ging dat, van schaap tot stof?


We beginnen bij het geblaat. Schapen die de beste wol leveren grazen in Engeland. Die wol wordt grotendeels uitgevoerd naar het continent via één ankerpunt: Calais, daar bevindt zich de Engelse wolstapel. Waarom Calais? De overtocht over zee is daar het kortst, bovendien is in die tijd een flinke hap Frankrijk in Britse handen, zodat het een binnenlandse aangelegenheid blijft. Wanneer in 1558 de Fransen Calais op de Engelsen heroveren, is dat meteen het einde van de wolstapel. Er worden enkele pogingen ondernomen om die wolstapel naar Brugge of Middelburg te verplaatsen, maar veel hebben die niet om het lijf. Wol gaat nu ook een politieke betekenis krijgen. Afhankelijk van de relaties tussen Engeland en koning Filips II van Spanje en de Nederlanden, profiteren onze steden al dan niet van de invoer van hoogwaardige Engelse wol. Daarnaast verandert de economische situatie, doordat de Engelsen meer en meer zelf hun wol gaan verwerken. De betekenis van de wolhandel neemt af ten voordele van nieuwe producten als 'saai' - een weefsel van vlas - en linnen.


In de middeleeuwen wordt wol niet in balen verscheept, want die is moeilijk van de schaapshuid te verwijderen zonder tondeuze, die dan nog onbekend is. Daarom worden de schapen geslacht, waarna vlees en vel apart worden verhandeld. Wol komt dus met huid en haar aan op de stapelplaats en die vellen worden aan de drapeniers verkocht, zoals ondernemers die zich met wolhandel bezig houden worden genoemd.


Ter bestemming, worden de vellen naar de ploters gebracht, die ze in kuipen laten weken. Daarna worden ze in dichte hokken samengepakt, waardoor ze gaan broeien en de wortels van de vezels in de huiden gaan rotten. Met stompe messen wordt uiteindelijk de wol van de huid geschraapt. Van de resterende schapenhuiden wordt zeemleer gemaakt.


Voor de tweede bewerkingsfase gaat alles naar de wolwassers, die vuil en vet eruit halen, waardoor het product soms wel de helft aan gewicht verliest. Wassen is belangrijk om later bij het verven de kleurstof goed door de wol te laten opnemen. Alleen wol van de beste kwaliteit wordt in dit stadium reeds geverfd, omdat dan de kleuren dieper in de wol doordringen.


Ongeverfde wol belandt na het wassen bij de wolkamsters of wolkaardsters. Die vetten hem opnieuw in - smouten - om de vezels soepeler te maken, zodat die zich beter laten kammen of kaarden en minder snel breken. Lange wol met weinig kroezing wordt gekamd, wat gladde garens geeft voor soepele stoffen. Minder lange wol met grotere kroezing wordt gekaard. Daarbij wordt de wol ontward en dan zo gemengd dat de korte vezels ineenstrengelen tot minder sterke draden, waarvan zeer warme en zware stoffen worden geweven.

 

Dan volgt het erg arbeidsintensieve spinnen. Bij weven is een stevige ketting- of scheerdraad, de warp, en een minder sterke inslagdraad, de yef. Voor stevige warpdraden wordt een spinrok of spintol gebruikt, die met de hand wordt bediend. Voor de minder sterke yefdraad kan een spinnenwiel worden gebruikt, dat met een voetpedaal in beweging wordt gebracht. Een spinnenwiel werkt veel sneller dan een spinrok of -tol.


Het weven staat onder toezicht van printers en waardijns, die letten op het correct functioneren van het scheerraam van het weefgetouw, het gebruik van garens van gelijke kwaliteit en het werken met toegelaten wolsoorten. Mindere wolsoorten mogen niet voor lakens gebruikt worden. De weefdichtheid bepaalt de kwaliteit van een laken. Het voltooide weefsel wordt opgespannen en door een lakenmeter gecontroleerd op juiste lengte en breedte, waarbij het meteen op weeffouten wordt onderzocht door de waardijns. Een goedgekeurd laken krijgt een eerste loodje.


Nu volgt een uitvoerige appretuur - een finishing of nabehandeling. Nopsters of wiedsters verwijderen met scherpe nopijzers de knoopjes die zijn ontstaan bij het herstellen van een gebroken draad. Kleine gaatjes worden dichtgestopt en daarna krijgt een gereed laken een tweede loodje.


Dan komen vollers in actie. Een pas geweven laken heeft veel mazen, die worden door het vollen opgevuld. Dat begint met briëren, het reinigen van een laken van vet en vuil met volaarde, die vet opneemt. Daarna wordt het laken schoongespoeld en tot een soepele massa gekneed door het met een half pond boter in te vetten. Laag per laag wordt het laken in een houten kuip - de volkom - gedrapeerd met tussen elke laag wat volaarde om de stof week te maken en urine om de vezels te laten samentrekken. Over dit geheel wordt uit een ketel kokend water gegoten. Daarna betrappen de voller en twee knechten letterlijk het laken in de volkom, waardoor de vezels gaan krimpen en het weefsel dus dichter wordt. Het laken vervilt en krijgt een sterker en soepeler oppervlak. Vooraf wordt vastgesteld hoever zo'n laken mag krimpen, waardoor van vollers een flinke vakkennis wordt vereist. Een te sterk gekrompen laken wordt niet van een loodje voorzien en de voller moet de lakenhandelaar schadeloos stellen. Per laken duurt het betrappen zo'n twee volle dagen. Met een volmolen kunnen diverse lakens tegelijk in verscheidene houten kommen worden bewerkt met houten stampers, maar deze met paardenkracht aangedreven volmolens beschadigen toch enigszins de vezels en mogen daarom niet voor elke soort laken worden gebruikt.


Na het vollen wordt het vuile laken in de gracht gewassen, waarna het op open rekken te drogen wordt gehangen. Met kaardebollen van de kaardedistel wordt het laken geruwd door met deze bollen over het laken te strijken om de wolhaartjes uit de viltlaag omhoog te halen en ze allemaal in dezelfde richting te zetten. De voller spant het laken daarna op een raam en met een windas wordt het gekrompen laken op de juiste lengte uitgerekt. Aan deze spanramen wordt door de waarders de kwaliteit van het laken vastgesteld.

 

Goedgekeurde lakens gaan naar de lakensververs om ze 'in het stuk' met plantaardige aftreksels te verven. Dit in tegenstelling tot de kwaliteitslakens, die al na het eerste wassen 'in de wol' zijn geverfd. Na het verven komen de lakenbereiders, waarvan de belangrijkste de droogscheerders zijn. Zij halen met een lange zware schaar de opstaande haartjes van de wol. Daarna zorgen de uitreders voor het vouwen en zij zetten met enkele steken het laken vast, dat daarna nog geperst wordt onder een zware lakenpers ter verhoging van de glans.


Na al deze bewerkingen kan de eigenaar van de stof - de drapenier - over zijn gereed product beschikken om het te verhandelen op een van de jaarmarkten of rechtstreeks aan zijn klanten te verkopen.