Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

PAUL DU BOIS (1859-1938)

Tournai / Doornik

Op 21 september 1859 wordt in Aywaille, een stadje op zo’n 25 km van Luik aan de Amblève, Paul Du Bois geboren in het gezin van een speelkaartenfabrikant. Paul bezorgt reeds vroeg zijn ouders kopzorgen, want hoe zij zich ook inspannen om van hem een commercieel bediende te maken, het baat niet, Paul schrijft zich in 1877 in aan de Brusselse kunstacademie. Hij volgt er lessen van Louis François Lefèbvre (sierbeeldhouwen), Jean-Joseph Jaquet (antieke beeldhouwkunst), Eugène Simonis (beeldhouwen naar levend model) en in het eigen atelier van Charles Van der Stappen.


In 1883 sluit Du Bois zich als jonge beeldhouwer aan bij Le groupe des XX en is actief bij La Libre Esthétique, waar hij van 1894 tot 1914 regelmatig zal exposeren. Door het winnen in 1884 van de Godecharleprijs met het gipsen beeld Hippomene krijgt Du Bois een beurs voor drie maanden, wat hem de kans biedt zijn studie af te maken in het buitenland.


Terug in België begint hij met Guillaume Van Strydonck in 1888 een atelier voor schilder- en beeldhouwkunst. Dankzij zijn goede reputatie krijgt hij het jaar daarop van het Brusselse stadsbestuur de opdracht om vier vergulde bronzen beelden voor de gevel van het Broodhuis te maken en in 1893 volgt een opdracht voor twee bas-reliëfs voor de achtergevel van het toenmalige Paleis voor Schone Kunsten, intussen het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van België geworden. Ook voor de Kruidtuin in de zich tegen Brussel vlijende kleinste randgemeente Sint-Joost-ten-Node mag Paul twee bronzen beelden tussen de vegetatie opstellen wanneer daar een nieuw gebouw tot stand komt: ‘Vrouw met gans’ in 1894 en in 1896 het intussen verdwenen ‘De Vier Elementen’, dat deel uitmaakte van een verlichtingspaal. Nog in 1894 wordt Du Bois opgenomen in de Leopoldsorde.


Als op het Brusselse Martelarenplein een monument voor Frederik de Mérode wordt opgericht, ontwerpt architect Henry van de Velde de stenen sokkel, maar het bronzen standbeeld daarop is werk van diens schoonbroer Paul Du Bois en wordt in september 1898 onthuld.


Een stabieler inkomen verwerft Du Bois wanneer hij in 1900 wordt aangesteld als docent beeldhouwen en modelleren aan de Academie van de Henegouwse hoofdstad Bergen, waaraan hij tot 1928 verbonden blijft. Al het jaar daarop mag hij ook als leraar aantreden aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten, waar hij tot 1905 les geeft in sierbeeldhouwen, om dan voor de volgende vijf jaar over te stappen naar beeldhouwen naar klassiek voorbeeld. In 1910 sterft zijn leermeester Charles Van der Stappen en mag Paul in diens voetsporen treden als docent beeldhouwen naar levend model aan de École des Arts décoratifs, in welke functie hij tot 1929 actief blijft.


In de Brusselse randgemeente Sint-Gillis wordt tussen 1900 en 1904 een groot nieuw stadhuis opgetrokken aan het Van Meenenplein. Du Bois kan ook daar wat beeldhouwwerk voor leveren, ditmaal in witte steen. De allegorische dames die de Schilderkunst en – jawel – de Beeldhouwkunst voorstellen in nissen tegen de gevel van het ereplein en de vrouw die de Elektriciteit uitbeeldt op de trapleuning zijn van zijn hand. Samen met Gisbert Combaz verzorgt Paul Du Bois tussen 1903 en 1906 de decoratie van een ruimte in het Museum van Elsene, die later als de Octave Mauszaal bekend zal worden.


In 1911 is Paul aan het werk in Luik, waar hij voor het Monument voor Jean Del Court aan de Place Saint-Paul zorgt – voor een beroemde collega doe je dat natuurlijk graag. En in Mons krijgt Antoine Clesse, een man die België bijeen wil houden en dus pleit voor goede relaties tussen Walen en Vlamingen, ook zijn standbeeld in 1918 aan de Place du Parc. Omdat het beeld vernield wordt, komt er in 1932 een nieuwe versie op dezelfde plek.


Wanneer in 1923 koningin Elisabeth in Brussel een beeld van verzetsheldin Gabriëlle Petit heeft onthuld, wil haar geboortestad Doornik niet achterblijven en mag Paul Du Bois voor een passend beeld zorgen, dat in 1924 wordt onthuld aan de Place Clovis, pal achter de Sint-Brixiuskerk.


In 1927 wordt op de Heizelvlakte het Jubelstadion gebouwd, dat je vandaag –maar hoe lang nog? - beter kent onder de naam Koning Boudewijnstadion. Daar worden ook beelden van sporttakken op aangebracht en Du Bois zorgt voor het hardlopen en het hoogspringen, hoog op de gevel.


Aan erkenning intussen geen gebrek: in 1921 wordt Du Bois als Grootofficier opgenomen in de Kroonorde, in 1922 wordt hij Ridder van het Erelegioen en in 1929 krijgt hij een rangverhoging in de Leopoldsorde tot Commandeur.


Naast de grotere opdrachten heeft Paul Du Bois veel op salons van kunstkringen en galerijen geëxposeerd met kleiner werk, waaronder heel wat marmeren en bronzen portretten en bustes, juwelen en zelfs gebruiksvoorwerpen in tin, brons en koper. Dat oeuvre is doorgaans in privéverzamelingen terechtgekomen en binnen overheidsgebouwen of musea.


Paul Dubois overlijdt op 12 augustus 1938 in de Brusselse randgemeente Ukkel. Hij wordt begraven op het kerkhof van Ukkel-Verrewinkel, maar zijn graf is inmiddels echter geruimd. Niet zo ver vandaar aan de Square Larousse 22 op de grens van Vorst en Sint-Gillis, vlakbij de beruchte gevangenis, staat het vroegere woonhuis van Paul Du Bois in art nouveau-stijl, vandaag in gebruik als Bed & Breakfast. In 1943 wordt in het Wolvendaelpark te Ukkel een monument voor hem opgericht, gerealiseerd door architect Léon Sneyers, waarin een replica van Pauls ‘Sereniteit’ is verwerkt.


Oeuvre (onvolledig):

1889

De Kamer van Staangelden; Het synodale of godsdienstige Hof; Het Tribunaal van de Bosbouw; Het Consistorie van de pacht en de visvangst, brons.

Broodhuis, Grote Markt 29-33, Brussel, voorgevel.

1893

De drukkerij; Het muntslaan, bas-reliëfs.

Kon. Museum voor Schone Kunsten van België, Regentschapsstraat 3, Brussel, achtergevel.

1894

Vrouw met gans, brons.

Kruidtuin, Kruidtuinlaan / Koningsstraat 236, Brussel.

1896

De Vier Elementen, bronzen verlichtingspaalornament (verdwenen).

Kruidtuin, Kruidtuinlaan / Koningsstraat 236, Brussel.

1898

Standbeeld Fréderic de Mérode, brons.

Op sokkel van Henry van de Velde.

Martelarenplein, Brussel.

1900

De Faam, brons.

Bakkershuis / Le Roi d’Espagne, Grote Markt 1-2, Brussel.

1900

Gevelbeelden Jaspar de Mol; Bernard van Orley.

Stadhuis, Grote Markt z/n, Brussel – zijgevels.

1905

De Vruchtbaarheid; De Welsprekendheid, brons.

Uit een reeks van twaalf deugden, geplaatst op sokkels van de attiek.

Arcaden Triomfboog, zijde Tervuren, Jubelpark, Brussel.

1905

Standbeeld Alfred Defuisseaux, brons.

Stichter Parti Socialiste Républicain in 1887 te Bergen.

Hoek Rue L. Defuisseaux / Rue Jean Volders , Frameries.

1906

Monument  Hendrik Beyaert, koperen reliëf.

Huis van de Parlementsleden – zijgevel.

Hoek Hendrik Beyaertstraat / Hertogstraat, Brussel.

1909

De Laatste Kus, marmer.

Musée des Beaux-Arts de Liège (BAL), Feronstrée 86, Luik.

1911

Memoriaal Joseph Dupont.

Koninklijke Muntschouwburg, Muntplein / Leopoldstraat 23, Brussel.

1911

Monument voor Jean Del Cour, brons.

In samenwerking met Collin en Fequer.

Place Saint-Paul, Luik.

1918

Monument voor zanger Antoine Clesse, brons.

Opgericht door de Duitse bezetter, heropgericht in 1932 door Marcel Rau.

Place du Parc, Bergen.

1920

De Schilderkunst; De Beeldhouwkunst; De Elektriciteit, witte steen – allegorieën.

Stadhuis, Van Meenenplein, Sint-Gillis.

1920

Monument Marie Depage en Edith Cavell, brons.

Bij Edith Cavellkliniek, Edith Cavellstraat 32, Ukkel.

1924

Standbeeld Gabrielle Petit, brons.

Place Clovis, Doornik.

1927

Hardlopen; Hoogspringen, brons.

Koning Boudewijnstadion, Heizel, Brussel.

1931

Standbeeld Walthère Frère-Orban, brons.

In samenwerking met Van Neck.

Boulevard d’Avroy, Luik.

1931

Monument van de Waalse literatuur en het Waalse Lied.

Beter bekend onder de naam L’Pichou Saint-Piat.

In samenwerking met architect Jules Wilbaux.

Hoek Rue Saint-Piat / Rue des Jésuites, Doornik.

????

Monument ter ere van de Helden van Huy.

La Buissière, Hoei.