Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

ECLECTICISME

Met wat gepuzzel met de letters van dit woord kom je een heel eind in de richting van een nieuw woord: selectie. En dat geeft goed weer waar het bij deze bouwstijl om gaat. De architect legt de bouwdoos 'gotiek' naast 'romaans', 'Vlaamse renaissance', 'barok', 'Louis XVI', 'Grieks klassiek', 'Moors' ... Dan kiest hij uit diverse bouwstijlen de elementen die hem van pas komen en sampled daar een hotel, bankkantoor, justitiepaleis, station of zoals hier in Boechout, een fraai landhuis mee. De kunst is natuurlijk, om al die verschillende fragmenten tot een harmonieus gebouw samen te voegen.


Wie eclectisch wil bouwen, moet dus wel een zeer gedegen kennis van allerhande bouwstijlen bezitten. Dat hebben onze 19de-eeuwse architecten, of ze nu van de Staatsacademies of van de katholieke Sint-Lucasscholen komen, ze kennen hun vak. Ze zijn opgeleid om elk gebouw in één enkele stijl te ontwerpen, keurig volgens het aloude boekje. Daarom is niet iedere bouwmeester enthousiast over zo'n stijlhutsepot. "Geen stijl!", is de mening van de tegenstanders, "Je kan nooit een sterk concept neerzetten als je de regels niet punctueel volgt."


Maar het grote publiek vindt het prachtig en ook de architecten zijn er graag mee in de weer. Want het laat hen toe om een zeer persoonlijke stempel op hun creaties te drukken, terwijl stijleenheid neerkomt op zo goed mogelijk oude voorbeelden navolgen. Vandaag zouden we ongetwijfeld spreken van 'taylor made' bouwen, maatwerk geschoeid op de leest van de persoonlijkheid van de klant of op de functie van het gebouw. Waarbij het meteen duidelijk is, dat in beide gevallen het sleutelwoord 'representativiteit' is. Een eclectisch gebouw moet klasse uitstralen, indruk maken. En daarvoor heb je statussymbolen nodig, niet enkel iets dat perfect bruikbaar is, maar verder amper opvalt. Eclectische gebouwen zien er daardoor steeds uit als kastelen, tempels, paleizen, kathedralen, ... met massa's nutteloze doch fraaie details.


De stijl komt op een moment, dat zich meer en meer een individuele persoonlijkheid ontwikkelt bij een wat breder publiek. Voorgaande bouwstijlen staan grotendeels in het teken van een maatschappij-filosofie, zoals gotiek, renaissance en barok, waar men als individu deel aan heeft. Er is daardoor weinig reden om zich via uiterlijke kenmerken te onderscheiden van de buurman. Eclectisch bouwen appeleert echter juist zeer duidelijk aan die wens individueel te verschillen van de omringende mensen.


Kort nadien, begin 20ste eeuw, zal zich als reactie daarop een compleet andere vormgeving ontwikkelen, het modernisme. Bij deze bouwrichting wordt elke opsmuk juist vermeden en wordt er sober ontworpen, met een efficiënte toepassing van zeer eigentijdse materialen en toegespitst op functioneel gebruik. Flatgebouwen en fabrieken zullen dan ook als eerste in modernistische stijl worden uitgevoerd.


In één ding is het eclecticisme géén achteromkijken: in het materiaalgebruik. Glas en metaal zijn in de 19de eeuw nieuw als bouwmateriaal. Dat is begonnen bij expositiehallen als het 'Crystal Palace' (1850) voor een tentoonstelling in Londen en een showconstructie als de Parijse Eiffeltoren (1889). In België zijn de koninklijke serres van leopold II in Laken (1873) hét grote voorbeeld van nieuw materiaalgebruik. Maar in heel wat eclectische architectuur wordt het gebruik van ijzer aan het oog onttrokken door natuurstenen bekleding. Dat is bijvoorbeeld zo bij het grootste gebouw van Europa uit die dagen, het Brusselse Justitiepaleis (1866-'83) van architect Joseph Poelaert. Van het metalen skelet van o.a. de toren is van buitenaf niets zichtbaar, je lijkt met een kolossale stapel natuursteen te maken te hebben. Tegen het einde van de 19de eeuw wordt dit 'vals' spelen echter door de architecten opgegeven en mogen de materialen volop zichtbaar zijn.


Boechout