Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

GOTIEK

Bouwstijlen worden nooit zomaar door een of andere architect verzonnen, maar wortelen in een maatschappijbeeld. Zo komt de gotiek voort uit een verandering in het idee over god. Voorheen is de christelijke God een soort boeman, de Jaweh van Mozes, die met donderende stem zijn geboden dicteert, die op twee stenen tafelen worden geschreven voor de nietige mensen. Hij is een god waar je bang voor bent, waar je amper naar durft op te kijken en die je met gebeden en gaven te vriend moet houden. Het verschil met de vroegere goden van natuurvolkeren is dat Jaweh maar alleen is. Pas veel later, met de komst van Jezus Christus, wordt hij een vader met een zoon. Een zoon die zegt dat zijn vader de mensen liefheeft en hen zijn hemel aanbiedt als beter alternatief voor deze aarde. En zelfs sterker, die God de Vader houdt zich persoonlijk met jou bezig, omdat hij het beste met je voorheeft. In de middeleeuwen dringt dat besef pas goed door en wordt de god voor wie je bang moet zijn, vervangen door een god die je liefheeft. Je moet nu niet meer gebukt lopen, angstig dat je iets verkeerds gaat doen, maar je mag naar deze god opkijken.


Die veranderde houding wordt ook in de bouw van de kerken zichtbaar: “Sammy kijk omhoog” wordt het parool en de richting van het gebouw wordt nu verticaal in plaats van de eerder horizontale lijnrichting van romaanse kerken. Het hiernamaals bestaat ook slechts uit één hemel, niet uit verschillende vertrekken. Dus wordt ook de kerkruimte tot een eenheid gemaakt, in plaats van een verzameling op elkaar aansluitende vertrekken. Wie een kerk binnenstapt, moet reeds een voorsmaakje van de hemel krijgen, door de overweldigende ruimtewerking en de mystieke sfeer.


Bouwtechnisch wordt dat gerealiseerd door het gebruik van nieuwe vormen. Met de halve ronde boog uit de romaanse kerken overspan je een vrij brede ruimte en kan je enkel hoger komen, door diverse halve bogen als arcades op elkaar te stapelen. Om hoger te bouwen, kun je de boogcirkel in zijn geheel optillen en op zuilen zetten, wat tot de hoefijzerbogen van Moorse moskeeën zoals in het Spaanse Cordoba leidt. Je kan ook de cirkel bovenaan knikken, zo krijg je de gotische ogief, ofwel spitsboog, waarbij de punt meteen omhoog wijst. Daarnaast is er de techniek van de kruisribben, die het mogelijk maken de druk- en trekkrachten van een hoog gebouw op te vangen en via gebogen ribben naar slanke zuilen af te leiden. Door toevoeging van steunberen aan de buitenkant en pinakels ofwel filialen als tegengewichten op de uiteinden van kaarsrechte kolommen, wordt zo’n open constructie extra ondersteund. Om de drukkrachten van een hogere middenbeuk over de lagere zijbeuken te leiden, worden luchtbogen gebruikt, waarvan de schuin oplopende delen soms met reeksen kleine beeldjes worden versierd. Die zitten aan de buitenzijde van de kerk en mogen daarom wat meer ‘werelds’ zijn, dus mensen in plaats van heiligen.


Er zijn nu geen zware romaanse muren meer nodig, de wanden tussen de zuilen kunnen dun blijven en mogen met grote vensters worden opengewerkt. In die vensters komen ramen, waarbij de kleine glasoppervlakken – grote waren technisch nog onmogelijk - in lood worden gezet, zodat ze samen één groot geheel vormen. Door dat glas te brandschilderen en in allerlei vormen te snijden, worden de vroegere wandtapijten vervangen door een soort reusachtige dia’s. Als daar de zon doorheen schijnt, worden de kleuren op de stofsluiers in de lucht binnen de kerk geprojecteerd en ontstaat de mystieke sfeer. Ook de heiligenbeelden worden bij dit idee ingeschakeld: ze worden langgerekt, wapperen niet teveel met de handen, maar houden hun ledematen dichter tegen hun lijf, terwijl ze veel plooien in hun mantels hebben.


Om de blik toch ook naar het altaar te richten, worden de dwarsschepen wat korter gemaakt en blijven er reeksen kleine zuiltjes tussen de galerijbogen onder en de lichtvensters bovenaan bestaan, het zogenaamde triforium, waarachter het looppad schuilgaat, dat dwars door de pilaren rond heel de binnenruimte gaat als een soort dienstgang om bij de hogere kerkdelen te kunnen.


Deze gotische stijl ontstaat rondom Parijs en in Noord-Frankrijk. Tussen 1140 en 1143 laat Suger (ca.1081-31 jan. 1151), sinds 1122 abt van het cisterciënzerklooster van Saint-Denis nabij Parijs, maar ook diplomaat en raadgever van achtereenvolgens de Franse koningen Lodewijk VI en VII, zijn abdijkerk van een nieuw koor voorzien, waarbij voor het eerst de gotische stijl volledig wordt toegepast. De cisterziëncers zullen van dan af de stijl via hun kloosters verspreiden over heel Europa. Daarbij ontstaan er twee varianten: kerken met twee westtorens, waaronder de ingang komt, naast kerken met vele torens rond de kruising van schip en dwarsbeuk, zogeheten vieringstorens. Naarmate de gotiek zich verder ontwikkelt, worden de torens hoger. Totdat ze uiteindelijk instorten, als de grenzen van het ambachtelijk kunnen zijn bereikt.


We onderscheiden Vroege gotiek (1140-1250), Hooggotiek (1250-1350) en Late of Flamboyante gotiek (1350-1500). Doordat de gotische bouwstijl zich over heel Europa verspreidt, zijn er heel wat lokale varianten. Zo volgt de Brabantse gotiek het Franse voorbeeld met veel monumentaliteit.


Het woord gotiek voor deze bouwstijl ontstaat pas later, tijdens de renaissance, en is van Italiaanse herkomst. De Italianen kijken dan bewonderend terug naar hun verleden. Voor hen is de uitheemse vormentaal de bouwstijl van dat barbaarse volk, de Goten, dat hun roemrijke Romeinse cultuur in de vernieling gedreven heeft en het Romeinse Rijk ten gronde richtte.

Tournai / Doornik