Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

GEORGE GRARD (1901-1984 )

Tournai / Doornik

Op 26 november 1901 wordt hij geboren in de Henegouwse stad Doornik, George Grard. Grotendeels tijdens de Eerste Wereldoorlog, van 1913 tot 1917, krijgt George een opleiding in tekenen aan de Doornikse Academie des Beaux-Arts, naar we mogen aannemen naast zijn gewone middelbare school. Eenmaal de oorlog afgelopen, gaat Grard vanaf 1919 diverse cursussen in tekenen, beeldhouwen en decoratieve schilderkunst volgen. Intussen trouwt hij in 1922 met de hoedenmaakster Emilienne Desfrennes. De bij al die cursussen opgedane kennis en kunde krijgen in 1930 een vervolg, wanneer hij een beurs van de stad Doornik ontvangt en ook nog de Rubensprijs in een wedstrijd van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten behaalt.  


Het jaar daarop vestigt George Grard zich aan de Belgische kust, waar hij in Sint-Idesbald in een vissershuisje gaat wonen, terwijl hij in de schuur van een tweede visserwoning een atelier inricht. De Grards hebben intussen heel wat contacten in de kunstwereld gelegd en hun huisje wordt al snel een ontmoetingsplaats voor allerhande zielsgenoten, zoals de kunstenaars Pierre Caille, Creuz, Dasnoy, Paul Delvaux en hun vrouwelijke vakzusters Georgette Dufour en Isette Gabriels, die meteen ook als model voor George fungeren. Want als er één ding duidelijk uitkomt in het werk van Grard, is het wel zijn voorliefde voor het vrouwelijk naakt. Dat was al zo tijdens zijn opleiding, waar de studies naar model zijn voorkeur wegdroegen. Je kan het als een beperking zien, maar bij George Grard gaat het dan wel om een bewust gekozen beperking, waarvan hij alle facetten zal blijven verkennen.    


In 1935 is Brussel het toneel van een Wereldtentoonstelling en George Grard is daar ook met zijn werk aanwezig en behaalt er de ‘Prix de la Roseraie’. Het zijn de jaren waarin binnen de beeldende kunst twee richtingen om de meeste erkenning strijden: figuratief of abstract werken. Grard blijft zijn uitgangspunt trouw en houdt zich ver van deze discussies, blijft dus figuratief beeldhouwen. Zijn voorliefde voor de Belgische kust heeft alles te maken met het daar aanwezige licht, dat ervoor zorgt dat deze Waal de rest van zijn leven op Vlaamse bodem zal doorbrengen tussen zijn zittende, staande en liggende naakte dames. Hoewel dankzij de vele ontmoetingen met andere kunstenaars aan de kust wel eens van de ‘School van Sint-Idesbald’ wordt gesproken, is er van een echte vereniging van gelijkgestemden geen sprake geweest.  


Na de Tweede Wereldoorlog reist George Grard voor zijn gezondheid naar Zuid-Frankrijk, Spanje, Italië, het toenmalige Joegoslavië en Griekenland. Teruggekeerd naar België kan hij meewerken aan een project om in het Brusselse Jubelpark vier sculpturen te realiseren, waarvan hij ‘de Lente’ voor zijn rekening neemt. Hoewel geboren in de herfst, blijkt ‘zon’ en ‘zuiders’ toch toonaangevend in veel van zijn werken. Na deze opdracht voor het Jubelpark wordt de interesse voor Grards werk uit diverse hoeken en van diverse plaatsen in België duidelijk merkbaarBovendien behaalt hij in 1948 de ‘Prix du Hainaut’ en de ‘Prix Picard de la Libre Académie de Belgique’. In deze periode ontmoet hij ook zijn tweede vrouw Francine Van Mieghem.


Tot 1957 zie je in het werk van George Grard een vrouwentype opduiken met volronde vormen en zeg maar ‘een maatje meer’. Dat zal vrij plots veranderen. Als George in 1957 een maand te Stanleyville in Belgisch-Kongo werkt, ontmoet hij daar de Afrikaanse vrouw Anasthasie Kosoagna en zij inspireert hem tot juist grote, rechtopstaande vrouwenbeelden met een eerder uitgerekt slank figuur. Zelf ziet Grard in die nieuwe figuur de verbeelding van de natuur: de oprijzende boom, de ineengebogen berg, het horizontale water. Zijn bekendste beeld in deze nieuwe richting, ‘De Grote Afrikaanse’, wordt tentoongesteld op de volgende Brusselse wereldtentoonstelling, Expo ’58.


Al noemen we George Grard beeldhouwer, een echte houwer is hij nooit geweest. Hij modelleert met klei, werkt in gips en bewerkt zijn vormen niet met beitels maar het vijlen en raspen. Via een tussenstap wordt zo’n beeld in was omgezet en dan in brons gegoten. Waren dat aanvankelijk gladde donker bronzen beelden, dan gaat George in de jaren 1960 een ruwer oppervlak gebruiken, waardoor er een contrastwerking tussen lichte en donker delen ontstaat.


In 1967 wordt George Grard toegelaten als lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten in de categorie Schone Kunsten, afdeling Beeldhouwwerk. En drie jaar later ontvangt hij de vijfjaarlijkse Prijs ter Bekroning van een kunstenaarsloopbaan.


Vanaf 1975 gaat George Grard zich weer meer op tekenen toeleggen, wat te maken heeft met een zwakkere gezondheid, die het werken in gips en op groot formaat moeilijker maakt. Deze tekeningen laten een vrijere en expressievere versie van het werken naar levend model zien. Intussen worden nog van verschillende van zijn bestaande beelden afgietsels gemaakt, die in verschillende Belgische steden een plekje krijgen, doorgaans op openbare plaatsen. Ook worden er nog talrijk idividuele en groepstentoonstellingen hier en in het buitenland rond of met hem georganiseerd.


Op 26 september 1984 overlijdt George Grard in zijn geliefde Sint-Idesbald en hij wordt begraven in Koksijde, waarvan Sint-Idesbald een deelgemeente is. In Koksijde wordt een plein naar George Grard genoemd, waarop zijn beeld ‘De Fluitspeelster’ wordt geplaatst.


Oeuvre:

1947

Niobé / De Lente

Jubelpark, Brussel.


1948

De Volheid

Museum voor Moderne kunst, Regentiestraat 3, Brussel.


1950

Naïade / Waternimf

Pont à Pontbrug, Doornik.


1950 ?

Niobé / De Lente

Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim, Antwerpen.

1950 ?

Zittende Vrouw

Nationale Bank van België, Berlaimontlaan, Brussel.

1950 ?  

De Zee (Dikke Mathille)

Casino, Oostende – thans: Oostende.

1958

De Grote Afrikaanse

Expo ’58, Heizel, Brussel.

1964

De Aarde + De Rivier   

Pont Albert 1er, Luik.

1971

Adam en Eva (doopvont) + Passie en verrijzenis van Christus (tabernakel + altaar)

Saint-Bricekerk, Place Saint-Brice, Doornik.

1976

De Kwartel

Hallen van Kortrijk, Kortrijk.

1979

Vrouw die naar de zon kijkt

Musée des Beaux-Arts, Enclos Saint-Martin 3, Doornik.

1980

De Kwartel

Delvauxmuseum, Sint-Idesbald.

1981

Vrouw die naar de zon kijkt

Stadspark, Veurne.

1983

Vrouw die naar de zon kijkt

Cultureel Centrum, Hasselt.

????

In gewrongen houding

Brugge.

????

Les Poriginelles

Musée du Folklore, Doornik.

????

De Lente

Kerkepanne, Koksijde.

????

De Fluitspeelster

George Grardplein, Koksijde.  

Beelden op kleiner formaat:

Musea te Antwerpen, Brussel, Doornik, Luik, Oostende, Verviers

Werken in de verzamelingen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap

Werken in privéverzamelingen