Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

HALLENKERK

Tournai / Doornik

De meeste rooms-katholieke kerken zijn van het basiliek-type. Dat is ontwikkeld uit de Romeinse markthallen, die langs de wanden naar buiten aflopende daken hebben, om zo het regenwater weg te laten stromen. Om licht tot in het midden van zo’n gebouw te laten vallen, wordt daar het dak wat hoger aangebracht, waarbij het steunt op zuilen die boven de daken van de zijbeuken uitsteken, zodat er een ruimte tussen beide daken overblijft, waardoor het licht kan binnendringen.

Bij veel kerken zie je dat idee overgenomen: een hoge middenbeuk, aan elke kant een lagere zijbeuk. Bij een hallenkerk zijn die twee zijbeuken echter even hoog opgetrokken als de middenbeuk en de ruimte van die zijbeuken is vaak even breed. Doordat de ramen van de zijbeuken nu hoger reiken, komt daardoor voldoende licht binnenvallen om ook de middenbeuk te verlichten. Die constructie is al in de romaanse architectuur ontwikkeld, maar vooral toegepast bij gotische kerkgebouwen. Het voordeel is, dat de zijwaarts gerichte trek- en duwkrachten beter worden verdeeld over het hele gebouw, waardoor er ook geen luchtbogen nodig zijn bij hogere kerkwanden om die tegen te houden.

Wat de daken betreft, zijn er zowel hallenkerken waarbij elke beuk een eigen dak bezit, als kerken waar de drie beuken onder één grote dakkap zijn samengebracht. Meestal zijn de dakkappen in lengterichting boven de beuken aangebracht, maar ook dwarskappen komen voor. En wat de beuken betreft, ook wanneer er twee parallelle beuken naast elkaar zijn opgetrokken, wordt van een hallenkerk gesproken. Meestal zullen het er evenwel drie zijn.

In de 15de en 16de eeuw zijn er diverse basliekkerken tot hallenkerken verbouwd, omdat daardoor het ruimtegevoel groter werd en er ook meer licht binnen kon vallen.