Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Marche-en-Famenne

JEZUÏETEN

Als in het plaatsje Azpeitia in de Spaans-Baskische provincie Guipuzcoa op 24 december 1491 Iñigo wordt geboren, staat die wieg niet in een arbeidersstulpje, maar in het kasteel van de familie Lopez de Loyola. Iñigo's jeugd is dan ook die van een rijkeluiszoontje, dat naar zijn eigen zeggen 'galante ridderavonturen' beleeft. Tijdens de Frans-Spaanse oorlog (François I tegen Karel V) verdedigt Iñigo in 1521 de stad Pamplona en raakt aan zijn beide benen gewond. Om te herstellen hangt hij zijn wapens op in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Montserrat en begint op zijn ziekbed te lezen. Strips of stationromannetjes bestaan nog niet, het zijn heiligenlevens waaruit zijn lectuur bestaat. Die hebben wel zo'n invloed op hem, dat hij het soldatenleven vaarwel zegt en in 1534 een pelgrimstocht naar Palestina onderneemt. Na zijn terugkeer gaat Iñigo voor priester studeren, waarbij hij dankzij zijn rijke afkomst scholen tot in Engeland en de Nederlanden kan bezoeken. Een aantal studiemakkers ziet in de Spanjaard hun leider.


Op 15 augustus 1534 verenigen ze zich in een kapel in het Parijse Montmartre tot een broederschap, waaruit de Societas Jesu voortkomt, later bekend als de jezuïeten, die dan ook steeds SJ achter hun naam gaan schrijven. Zodra Iñigo in 1537 tot priester is gewijd in Venetië, gaat hij zich als Ignatius van Loyola volledig inzetten voor de uitbouw van zijn strijdlustige orde. Het militaire verleden van de stichter drukt een groot stempel op de interne organisatie van zijn sociëteit, discipline wordt er met hoofdletters geschreven. Het zijn de hoofdletters IHS, staande voor Iesus Hominum Salvator, Jezus de Redder der Mensheid, maar ook voor In Hoc Signo, In Dit Teken, daarmee duidelijk makend in wiens dienst de jezuïeten de strijd zullen aangaan met de buitenwacht, want hun missie zal wereldwijd worden en geen avontuur wordt daarbij geschuwd. Paus Paulus III erkent op 27 september 1540 de jezuïetenorde en hun generaal-overste Ignatius zal snel diverse universiteiten stichten, waar zijn volgelingen worden opgeleid. Een van de bekenste volgelingen is Franciscus Xaverius, een man die in het Verre Oosten en Japan op missie trekt en uiteindelijk onthoofd wordt. Een beroemde Vlaamse jezuïet is Ferdinand Verbiest, die vanuit Pittem in 1659 naar China vertrekt en daar astronoom van keizer K’ang Xi wordt.


Maar eerst is er voor de jezuïeten volop werk aan de winkel in het oude Europa, waar zij zich bezighouden met het bestrijden van al wat protestants is. Ze worden de stoottroepen van de Kerk tegen al wie afwijkt van de Roomse leer en hebben dan ook een zeer belangrijk aandeel in het herstel van de macht van Rome tijdens de contra-reformatie, die met het Concilie van Trente (1545-1563) een nieuw elan vindt.


Ignatius van Loyola overlijdt tijdens dat concilie in Rome op 31 juli 1556. Een urn met zijn resten bevindt zich in Rome in een kapel in de befaamde jezuïetenkerk Santissimo Nome di Gesù (De heiligste naam van Jezus). Ignatius wordt in 1622 door paus Gregorius XV heilig verklaard. Zijn naam wordt vaak in verband gebracht met het Griekse woord ignis, vuur, vandaar dat hij als 'de vurige' wordt aangeduid.


In onze streken krijgen de jezuïeten pas vaste voet aan de grond na de dood van hun stichter in de periode dat hier het aartshertogenpaar Albrecht en Isabella de Zuidelijke Nederlanden bestuurt. Sinds 1571 zijn ze aanwezig in Brugge, in 1573 kopen ze in Antwerpen een huis van Gaspar Schetz, waar ze een Latijns college voor 300 leerlingen stichten. En in 1580 krijgen ze in Mechelen de beschikking over het voormalige paleis van Margaretha van York aan de Keizerstraat.


In Antwerpen kunnen ze zich aanvankelijk niet handhaven omdat zij in 1581 weigeren de eed van trouw af te leggen aan het calvinistische stadsbestuur. Maar ze komen des te krachtiger terug vanaf het moment dat Alexander Farnese in 1585 Antwerpen inneemt.


Paus Clemens XIV schaft de jezuïetenorde in 1773 af, waardoor ze overal hun kloosters, kerken en scholen moeten verlaten in de Oostenrijkse tijd onder Maria Theresia. De jezuïetenorde wordt in 1814 door paus Pius VII gerehabiliteerd, maar hun prachtige barokke kerken die ze bij hun kloosters hebben laten bouwen zullen ze nooit meer terugkrijgen. Veel van die kerken, zoals bijvoorbeeld de Antwerpse Sint-Carolus Borromeus, de Leuvense Sint-Michiels of de Naamse Saint-Loup zijn namelijk inmiddels parochiekerken geworden.


Tournai / Doornik