Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Marche-en-Famenne

KANT

Er zijn weinig textielsoorten waarbij je zoveel betaalt voor een lap stof, die voor het grootste deel uit gaten bestaat. Maar die leegte is zo subliem omkaderd, dat hij voor ons oog vaste vorm krijgt.


Kant omvat stoffen die via twee sterk verschillende technieken worden vervaardigd: naaldkant en kloskant.


Naaldkant komt voort uit het borduren, waarbij met naald en draad versieringen op stof worden aangebracht. Rond 1540 komen Venetiaanse borduursters op het idee deze werkwijze om te keren: draden uit de stof wegnemen en het overgebleven raster van schering- en inslagdraden als ondergrond gebruiken om dan met knoopsgat- en cordonsteken uit de borduurtechniek de mazen op te vullen. Begin 17de eeuw vragen hun klanten om de aldus versierde stukken steeds groter te maken. Dus moeten de borduursters alsmaar bij grotere oppervlakten van een weefsel draden uittrekken. Eerst hebben de wevers tijd gestoken in het maken van een zo gaaf mogelijke stof, vervolgens er veel tijd gestoken in het opnieuw uiteenhalen van het weefsel, niet echt een efficiënte werkwijze. Daarom gaan de borduursters voortaan zelf een basisraster van draden maken, in het Italiaans recticella genoemd, om vervolgens daarin met andere draden een versiering aan te brengen. Dat betekent de geboorte van de naaldkant.


Kloskant heeft zich ontwikkeld uit het passementswerk. Passement is vlecht- en insteekwerk dat als versiering aan kleding of meubelstoffering wordt toegevoegd: sierboorden, galons, kwastjes, franjes, pompons en zo meer. Om de verschillende draden die een passementswerker tegelijkertijd voor een werkstuk gebruikt niet hopeloos door de war te laten raken, windt hij die rond loodjes, beentjes, houtjes. Dat worden later klosjes met één wat dikker uiteinde om ze makkelijk vast te kunnen nemen. In de loop van de 16de eeuw komt hieruit het vlechten met dunne draden voort, waarbij regelmaat in het hanteren van de klosjes voor een patroon zorgt, waarin via het spel van lichte draden en donkere open delen een tekening verschijnt.


Vooraf wordt het patroon uitgetekend op papier, de kantbrief, die op een stevig kussen wordt vastgemaakt. Tijdens het klossen worden de draden met spelden op het kussen vastgezet, waardoor deze techniek in Vlaanderen als spellewerck bekend wordt. Het is niet meer uit te maken, of deze techniek het eerst in Venetië, danwel in de streek rond Antwerpen is toegepast, want op beide plaatsen duikt hij vrijwel tegelijk op. Dat heeft te maken met het nauwe contact tussen beide havensteden en de boekdrukkunst die juist in deze tijd opgang kent en waardoor patronenboeken het idee snel verspreiden. Het in 1557 in Venetië gepubliceerde La Pompe lijkt het eerste uit deze reeks te zijn geweest.


De gegoede burgerij laat de randen van hun onderkleding die uitsteken onder de mouwen van jassen of aan de kragen zichbaar worden, met deze opengewerkte nieuwe stoffensoort versieren. Het woord ‘kant’ is daarvan afkomstig. Aanvankelijk zijn de gebruikte patronen zuiver geometrisch, vooral veel driehoeken. Die geven zo’n band het uitzicht van een rij tanden, dents in het Frans, waardoor kant in die taal ‘dentelle’ wordt genoemd. De Engelse term ‘lace’ betekent ook galon en gaat dus terug op het passementswerk.


Meestal worden voor kloskant zeer lange draden gebruikt, die niet worden afgeknipt, maar waarmee doorlopend wordt gewerkt. Om niet met onhandige overvolle klossen te moeten werken, worden beide uiteinden van zo’n draad op een klos gewikkeld, die elkaar in het midden ontmoeten. Aan elke draad hangen dus twee klossen, waarmee tegelijk wordt gewerkt, zodat je steeds een paar hanteert. Het midden van de lange draad wordt met een speld bovenaan op het kloskussen vastgezet. Er wordt altijd met een flink aantal draadparen tegelijk gewerkt, zodat er rond zo’n kussen tientallen klossen kunnen hangen.Kantklossen bestaat uit twee basishandelingen: kruisen en draaien, telkens met twee paren tegelijk uitgevoerd, dus met vier klossen. Om te beginnen ligt het ene pa ar aan je linkerhand, het andere aan je rechter. Een opeenvolging van kruisen en draaien heet een slag. Door variatie in de reeks kruisen en draaien te brengen, ontstaan de verschillende soorten slagen: linnenslag, netslag en zo meer.


Elk kantwerk bestaat uit een motief op een achtergrond. Je kan dezelfde klosparen gebruiken voor zowel motief als achtergrond, of voor beide verschillende klosparen gebruiken, wat moeilijker is. In het laatste geval wordt het motief op bepaalde plaatsen met haakjes aan de achtergrond bevestigd.


Al die mogelijkheden leiden uiteraard tot een grote diversiteit in werkwijzen en kantsoorten. Meestal wordt kant genoemd naar de stad, waar de werkwijze werd gevolgd, die typerend is voor dat kantwerk: Brussels, Mechels, Rijsels of Lille’s, Valenciennes, Binche, Chantilly, Point de Paris … Maar dat houdt niet in, dat zulk kant ook werkelijk uit die stad afkomstig is. Zo’n werkwijze werd dikwijls op heel wat verschillende plaatsen toegepast, zodat Brussels kant best uit Turnhout kan komen. In sommige grote kantcentra, zoals Marche-en-Famenne, werd geen eigen soort gemaakt, maar werden diverse soorten vervaardigd, zoals Rijsels, Valenciennes en Cluny. Ook werd hier veel met picot gedaan, gestoken motieven die een kantwerk extra versieren.


Nadat Venetië en Vlaanderen zich tot toonaangevende kantcentra hadden ontpopt, kwam in de tweede helft van de 17de eeuw Frankrijk op als kantleverancier. Jean-Baptist Colbert, minister van Financiën en Handel onder de regering van zonnekoning Lodewijk XIV, laat op 5 augustus 1665 een wet stemmen voor het oprichten van kantproductiecentra, de “Manufactures Royales des Poincts de France”. Om de nodige expertise aan te trekken, richt hij zich tot Venetiaanse en Vlaamse specialisten, die hij met geld en het vooruitzicht op de Franse nationaliteit naar Frankrijk tracht te lokken. Points de France is de verzamelnaam voor die toen ontstane producten. Alençon en Agentan zijn twee bijeen liggende Franse steden, die hun naam aan twee soorten naaldkant hebben gegeven.


Torchon is een wat makkelijkere kanttechniek, waarbij de doorlopende draad tot een diverse malen wordt gedraaid om een wat dikkere werkdraad te krijgen, waarmee schelpen, bladeren en dergelijke motieven worden gemaakt. Bij kantcursussen wordt met dit type kant gestart. In Cluny kant worden vaak rosetten gemaakt en patronen met langere evenwijdige lijnen, zogeheten tralies. Bij Mechels kant worden de motieven met een dikke platte draad afgelijnd. Een minder kwalitatieve imitatie staat bekend als Rijsels of Lille’s kant en is populair geworden, doordat het goedkoper was en later makkelijk machinaal te vervaardigen viel. Kant van Binche wordt gemaakt met ragfijne draden en bezit daardoor een zeer grote dichtheid. Er wordt vaak een motief in verwerkt dat aan sneeuwvlokken doet denken. Ook Valenciennes is een zeer dichte kantsoort, waarvoor bij het vervaardigen tot 600 klossen tegelijk worden gebruikt voor een stukje kant van enkele centimeters. Dit kant staat ook bekend om de kokette patronen. Wanneer je een motief ziet, dat zich als een slang door het kantwerk kronkelt, waarbij begin en eind zich op dezelfde positie bevinden, heb je waarschijnlijk te maken met Russe, een kantsoort waarbij met een beperkt aantal klossen wordt gewerkt.

 

Bij Brussels kant wordt niet met lange doorlopende draden gewerkt, maar met kortere draden die geknoopt worden, waarbij de knoopjes met een schaartje zeer kort worden afgeknipt, zodat ze bijna niet zichbaar zijn. De motieven worden vastgezet op een drochel ondergrond. Dat is een uit de losse hand gemaakt raster, dat later is vervangen door machinaal gemaakte tule, een uitvinding uit 1808 van de Engelsman John Heatcothe. Tule is genoemd naar de Franse plaats Tulle, waar in de 18de eeuw weefsels met grote zeshoekige mazen vervaardigd werden. Brussels kant wordt ook Point d’Angleterre genoemd, omdat juist deze soort al vanaf 1545 uit Antwerpen is uitgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk. Duchesse wordt eveneens met een niet doorlopende draad gemaakt en door het werken met draadbundels wordt een driedimensioneel effect verkregen. Met de naaldkanttechniek gemaakte medaillons en bloemen worden in deze kantsoort verwerkt. De naam verwijst naar de vrouw van de Belgische koning Leopold II, Marie-Henriette, aartshertogin (duchesse) van Oostenrijk. Brugse kant is heel wit en met de gebroken draadtechniek worden veelal bloemmotieven verwerkt. Chantilly is zwarte kant, die speciaal voor de Spaanse markt werd gemaakt. Hiervan is Point de Paris-kant afgeleid, waarin als motief vooral bloemenmanden die met een glanzende contourdraad worden omgeven zijn verwerkt.


Kantwerksters werkten steeds in opdracht van een ondernemer, die voor de draad en de klosbenodigdheden zorgde en nadien het afgewerkte product opkocht. Ze werden betaald per stuk of kregen een zeer laag uurloon. Omdat vrouwen zich niet in gilden mochten verenigen, konden ze daar als groep niet tegen ondernemen. Kantklossen gebeurde vaak in vochtige kelders, omdat in die atmosfeer de draden minder vlug braken. Bij het vrijetijdsklossen van vandaag speelt dat geen rol meer, omdat men nu aan een eigen tempo kan werken en omzichtiger de draden hanteert. Wanneer je een hoog werktempo moet halen, kan dat laatste natuurlijk niet. Werken in kelders betekende ook dat je permanent in kunstlicht – kaars of olielamp – zat, dus slecht voor je ogen. Toen eind 19de, begin 20ste eeuw de minimumlonen wettelijk werden opgetrokken, werd handmatig vervaardigd kant te duur en daarmee verdween deze professionele kantproductie uit West-Europa. Nu komt veel machinale kant uit Azië, die vaak als handwerk in onze toeristische centra wordt verkocht. Echte oude kant is peperduur, maar het is steeds een luxeproduct geweest.


Er worden de laatste decennia opnieuw kantkloslessen gegeven aan academies of via aparte opleidingen. Naast de oude technieken worden nu ook nieuwe vormen en materialen als jute en kunstvezels toegepast om tot eigentijdse werkstukken te komen. Marche-en-Famenne bezit een heuse kantacademie, voorts zijn er Aarschot, Brugge, Binche, Antwerpen en Lier waar cursussen worden gegeven van erkend niveau. Binche en Marche-en-Famenne bezitten een kantmuseum.