Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

KANUNNIK

Tournai / Doornik

Een wereldlijke geestelijke, die zich aan een leefregel moet houden, de canon, waarvan kanunnik is afgeleid. Aanvankelijk ging het om een geestelijke die aan een bepaalde kerk was verbonden en samen met de andere priesters een vorm van gemeenschapsleven leidde. In tegenstelling tot kloosterlingen, mochten kanunniken privébezit hebben en kregen ze een grotere vrijheid. De aan een kathedraal verbonden kanunniken speelden een rol bij de benoeming van de bisschop en werden door hem betrokken bij het bestuur van het bisdom. In 1917 zijn er in het kerkelijk wetboek bepalingen opgenomen die jet aantal kanunniken dat aan een kathedraal verbonden kan zijn regelt en hen verplichtingen oplegt, zoals het gezamenlijk koorgebed.


De aan een kerk verbonden kanunniken vormen samen een kapittel. Eigenlijk stamt dat begrip uit het klooster, waar dagelijks een hoofdstuk (Latijn 'capitulum') uit de regel werd voorgelezen. Dat gebeurde in de kapittelzaal en de term ging over op de daar aanwezige kloosterlingen, de kapittelleden. Later werd het woord 'kapittel' ook gebruikt voor de groep van kanunniken van één kerk, die dan kapittelheren werden genoemd en de gebouwen kapittelkerken. Je kan zo'n groep ook een college van kanunniken noemen, wat vooral in Franssprekende gebieden gebeurt, waarbij de kerk met de term 'collegiale' wordt aangeduid. Kapittelkerk en collegiale zijn dus synoniemen.


Vrouwelijke kanunniken zijn kanunnikessen of stiftdames. Vaak stond zo’n vrouwenkapittel enkel open voor dames van adellijke of minstens gegoede komaf.

Kanunniken of kanunnikessen beschikten over een terrein rond hun kerk, waarop zij vrijdom van belasting en vaak nog enkele andere voorrechten genoten. Daarom bouwden zij hun huizen – want ze leefden niet gezamenlijk in een klooster en waren vaak welstellend – op de grens van dat terrein. Rond een kapittelkerk zie je dan ook nogal eens statige woningen oprijzen.

Kanunniken en kanunnikessen kregen een prebende, een soort leefloon dat hen door een vorst of edelman werd toegekend, die dan veelal ook de stichter van het kapittel was. Een kanunnik moest voor dat bedrag bepaalde prestaties leveren binnen het kapittel, maar het was mogelijk om tegelijkertijd deel uit te maken van diverse kapittels. Dat leverde sommige kanunniken dan ook een heel aardig inkomen op, terwijl ze soms werden vrijgesteld van vervelende taken, zoals bijvoorbeeld Desiderius Erasmus.