Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

KARMELIETEN

Marche-en-Famenne

In de tweede helft van de 12de eeuw vestigen zich mensen die via kruistochten of bedevaarten in het Heilig Land zijn beland in het Palestijnse Karmelgebergte ten oosten van Haifa. Ze bouwen er een bidplaats, toegewijd aan de Maagd Maria, in een streek waar volgens de overlevering de Oudtestamentische profeet Elia heeft verbleven. In diens navolging leiden ze een beschouwend leven binnen een kluizenaarsgemeenschap. Maria en Elia zullen blijvend hun stempel drukken op deze groep “Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel”, die later Elia als hun stichter gaan beschouwen, ook al is dat historisch natuurlijk niet juist.


Een groep eremieten dient rond 1209 bij de patriarch van Jerusalem, Albertus Avogrado, een voorstel in om tot enige organisatie te komen. Hij stelt daarom ergens tussen 1209 en 1214 een regel in briefvorm op, bestemd voor Brocardus en de overige kluizenaars op de berg. In 1226 wordt deze regel door paus Honorius III goedgekeurd. Centraal staat permanent gebed: iedereen moet steeds alleen in zijn kluizenaarscel blijven en er dag en nacht de wet van de Heer overwegen en waken in gebed. Al in 1229 past Gregorius IX deze regel aan naar de geest van de bedelorden en in 1247 wordt een definitieve aanpassing bekrachtigd door Innocentius IV. Karmelieten mogen zich vanaf dan ook in steden vestigen, de stille tijden worden verkort en het gemeenschappelijk aspect wordt bevorderd.


Jacques van Virty, bisschop van het nabijgelegen Acron, schrijft rond 1220 in zijn "Historia Orientalis” (Geschiedenis van het Oosten) over de geestelijke opbloei van het door de kruisvaarders veroverde gebied. Maar in 1238 is de islamitische herovering van het Heilig Land zover gevorderd, dat de kluizenaarskolonie op de Karmelberg bedreigd wordt. Daarom krijgen de kluizenaars toestemming om hun orde naar West-Europa over te brengen, wat vanaf het tweede kwart van de 13de eeuw zal gebeuren. In 1291 zijn alle kluizenaars vertrokken van de Karmelberg – zij die niet goedschiks wilden opkramen zijn door de mohammedanen gevangen genomen of gedood – waarna er tot 1631 geen moniale aanwezigheid meer is op die plek.


De eerste stichtingen – Karmels - van de karmelieten duiken op rond de Middellandse Zee: Cyprus, Italië en de Franse Provence. Maar al kort nadien ontstaan er ook kloosters in andere West-Europese landen. De Franse koning Lodewijk IX de Heilige (1214-1270) neemt het initiatief voor de Karmel van Charenton bij Parijs. In de Nederlanden wordt volgens de traditie de eerste Karmel gesticht in 1235 te Valenciennes (dan nog deel van een groter graafschap Henegouwen). Rond 1265 zien we de eerste sporen van karmelitaans leven opduiken in Brussel, Luik, Haarlem, Ieper en Mechelen. In de laatste twee steden bevinden de Karmels zich buiten de stad zelf. Niet veel later verschijnen de karmelieten ook in Brugge, Gent, Arlon en Arras.


Nicolaas van Frankrijk, prior-generaal van de karmelieten tussen 1266 en 1271, verzet zich tegen de accentverschuiving die de aanpassing van de regel met zich heeft meegebracht: van puur contemplatieve orde naar een meer op de gemeenschap gerichte bedelorde. In de hartstochtelijke omzendbrief “Ignea Sagitta” (Brandende Vuurpijl) bezweert hij de monniken om trouw te blijven aan hun eremitische oorsprong. Rond 1265 bevestigt de heilige Simon Stock het oorspronkelijk Mariale karakter van de Karmel en voortaan dragen de monniken een scapulier, twee vierkante stukjes bruine stof, die rond borst en rug worden gedragen.


De karmelieten hebben uit het Oosten hun symbolisch geladen mantel meegebracht, lijkend op de Arabische djellaba, met zeven bruin-wit gekleurde banden die de goddelijke en kardinale deugden moeten voorstellen. Deze opvallende kledij levert hen wel de bijnaam op fratres barrati, barrés, (gestreepte broeders, maar is ook voorwerp van spot, zodat in 1287 besloten wordt een geheel witte mantel te dragen. Voortaan is vooral in de volkstalen de benaming wittebroeders populair. De officiële titel fratres eremite de Monte Carmeli ondergaat eveneens wijzigingen onder invloed van de groeiende Mariacultus en het afnemend belang van het eremietisme in de orde. Zeker vanaf de 14de eeuw, na het verdwijnen van de eksterbroeders die eveneens hun gehechtheid aan Maria door een aangepaste titulatuur hebben laten blijken, noemen de karmelieten zich bij voorkeur fratres beate Marie virginis de Monte Carmeli, waarna in de volkstalen frères de Nostre Dame of (Onze-Lieve-)Vrouwenbroeders ingang vond.


In de Nederlanden worden de Karmel-stichtingen vanaf de 14de eeuw ingedeeld in twee provincies, de Nederduitse met Karmels in Geldern, Schoonhoven, Woudsend, Tienen, IJlst, Edingen, Moers, Leuven, Geraardsbergen, Utrecht, Ouddorp en Antwerpen, en de Franse met Karmels in Vlissingen, Aalst en Marche-en-Famenne. Er wordt in deze periode veel aandacht besteed aan de intellectuele ontwikkeling van de ordeleden, onder meer door het oprichten van studiehuizen. Maar die intellectuele bloei betekent ook het verval van de oorspronkelijke Karmel-principes. Jacht op universitaire titels en beneficia bevorderen het gemeenschapsleven binnen de orde niet. Gegradueerden gaan apart zitten om te eten en laten zich daarbij door een knecht bedienen. Zij krijgen bovendien toestemming om aan een deel van het getijdengebed niet meer te hoeven deelnemen, sommige kloosterlingen gaan hun eigen inkomsten beheren en hier en daar worden kinderen als kloosterling aangenomen. De Grote Pestepidemie van 1347 tot 1354 verzwakt ook de lichamelijke weerstand van de mensen en dat leidt tot toegevingen op het vasten en het zich onthouden van vlees. In 1432 bekrachtigt de ‘bulle Romani pontifices’ deze wijzigingen in de kloosterobservantie – de gehoorzaamheidsregels voor de monniken.


De misbruiken waartegen de hervormers in de 15de en 16de eeuw protesteren blijven niet ongehoord binnen de kloosterorden. Er ontstaat op diverse plaatsen een verlangen om ook binnen de eigen beweging zaken te veranderen en generale oversten doen pogingen om die te kanaliseren in een hervorming van de hele orde.


Op 20 december 1593 worden de ongeschoeide karmelieten, de Ordo Carmelitarum Discalceatorium (O.C.D.), kleine karmelieten of discalsen (van het Latijn discalceatorium, ongeschoeid) door paus Clemens VII losgemaakt van de geschoeide karmelieten, de Ordo Carmelitarum (O.Carm.), grote karmelieten of Onze-Lieve-Vrouwebroeders van de Antieke Observantie. De eerste hebben zich hervormd onder leiding van Johannes van het Kruis (1542-1591) en Teresa van Jezus (1515-1582), beter gekend als Teresa van Avila. Bij deze zogeheten Teresiaanse hervorming wordt teruggekeerd naar de strengere regel van 1247.


In Vlaanderen treffen we ongeschoeide karmelieten aan in Berchem, Brugge, Gent, Ieper en Kortrijk.