Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

La LOUVIÈRE CENTRUM


Vertrek vanaf station La Louvière-Centre. Ben je met de auto gekomen, dan kan je die hier of aan de overzijde parkeren.


STATION La LOUVIÈRE-CENTRE

Place de la Gare.

La Louvière Centre is één van beide stations van deze vijfde stad van Wallonië met 80.000 inwoners. Het andere station is La Louvière-Sud.


Pas in 1964 krijgt La Louvière een modern station in Expo 58-stijl, dat intussen wat verouderd aandoet als hoofdstation van de vijfde stad van Wallonië.


De toegangsdeuren aan de straatzijde zijn doorgaans gesloten, maar de hal is bereikbaar via een deur aan de zijkant, waar de kaartjesautomaat staat.


In de hal hangt een wandreliëf uit keramiek, vervaardigd door Ernest D’Hossche met materiaal van de S.A. Boch Frères Keramis, vroeger de lokale producent van tegels en gebruikskeramiek. Het reliëf beeldt de activiteiten uit die La Louvière bestaansreden hebben gegeven of nog steeds geven. Zo zie je de mijnbouw, de glasblazerij, de chemie, de landbouw, de metaalnijverheid en de aardewerkproductie. Mijnbouw behoort inmiddels tot het verleden, metaal en glas hebben veel van hun vroegere glans verloren, maar van al die industriële bedrijvigheid zijn er sporen terug te vinden in deze stad.


Vanaf het stationsplein kom je op de Boulevard des Droit de l’Homme. Hier ga je richting rotonde, waarop je in het midden drie blinkende palen met bollen ziet.


LE CAPTEUR DU CIEL – De Hemelvanger

Rotonde Boulevard des droit de l’homme / Rue Sylvain Guyaux.

Deze roestvrij stalen sculptuur is van Pol Bury en als je er even naar blijft kijken, zie je dat de bollen draaien door de wind. Bury is in 1922 geboren in Haine-Saint-Pierre, nu een deelgemeente van La Louvière. Hij is aanvankelijk een surrealistisch schilder, maar eind jaren 1950, begin 1960 gaat hij zich specialiseren in kinetisch werk, nadat hij in Parijs kennis heeft gemaakt met de mobiles van Alexander Calder.


In 1964 verruilt hij de Franse hoofdstad voor de Verenigde Staten en gaat Pol werken met gepolijst staal en koper. Daar ontstaan zijn driedimensionale fonteinen, waarvan de eerste in 1967 bij de universiteit van Iowa wordt geplaatst. Steeds gaat het om trage beweging, vaak veroorzaakt door stromend water, hier door windkracht.  


Ga rond de rotonde en dan rechts de Rue Sylvain Guyaux in, een van beide winkelstraten van La Louvière. (Wandel je tegen rijrichting langs deze rotonde, dan de tweede straat links kiezen en daar aan de rechterkant gaan wandelen.)


LES MARCHES D’AFRIQUE

Rue Sylvain Guyaux 95.

Deze Afro-kapsalon annex shop is gevestigd in een huis dat op de beide hoger liggende verdiepingen telkens een groot oosters aandoend venster heeft behouden. Het gelijkvloers past er - zoals doorgaans bij verbouwing tot winkelpand - absoluut niet bij.


De derde straat rechts inslaan, de Place Jules Mansart.


BRASSERIE LE MANSART

Place Jules Masart / Rue Sylvain Guyaux.

Een hoekpand dat opvalt door zijn donkergele beschildering met aan de gevel diverse sierelementen. Het is een vrij gaaf gebleven brasserie, waarschijnlijk ergens uit de jaren 1920.


Richt je blik op de grond.


HERINNERING AAN EEN EMIGRATIEGOLF

Place Jules Mansart tussen de straatstenen in banden blauwe hardsteen.

“Rejouis-ci passant passante enfant de la Louve, ici le feu bienfaisant détruit maux et tes misères” lees je op de eerste band: “Verheug je hier voorbijganger, voorbijgangster, kind, hier vernietigt het weldadig vuur het kwaad en je zorgen.” Op de volgende banden staan de namen van steden en regio’s waar immigrant-inwoners vandaan kwamen voordat ze zich tussen 1944 en 1967 in La Louvière vestigden. Het is een herinnering aan die periode, waarin een golf aan nieuwkomers de stad overspoelde.


Je ontdekt ook nog vijf koperen sterren, die enerzijds verwijzen naar de kostuums van de Gilles – de mannen met hoge verenhoeden en op klompen die tijdens Waalse carnavals sinaasappels naar de omstanders werpen – en anderzijds naar de vijf continenten waaruit de immigranten afkomstig waren.


MAISON DU PEUPLE-MAISON DU TOURISME DU PARC DES CANAUX ET CHÂTEAUX

Place Mansart 21-23.

Een 19de-eeuws gebouw, dat in 1889 door de coöperatieve vereniging “Au Progrès” van Jolimont wordt gekocht en tot Maison du Peuple (Volkshuis) wordt bestemd. Het staat op de plek waar ooit een zekere Pourbaix woonde, die een rol speelde als dubbelagent om de jonge Parti Socialiste Républicain (PSR) in diskrediet te brengen door haar te beschuldigen van een complot tegen de Belgische Staat.

In 1927 komt er een verdieping op en wordt de gevel aangepast aan de heersende art deco-stijl, die het vandaag nog uitstraalt.


De Stad La Louvière koopt het gebouw in 2002 om er het Maison des Associations (Verenigingshuis) in onder te brengen. Het gelijkvloers is eigentijds gemoderniseerd, doch zonder de oudere bouwstijl van de gevel te storen. Achter het oude gebouw is een geheel nieuw Verenigingshuis opgetrokken in een combinatie van beton, metaal en glas. Hier zijn diverse kantoorruimten en een grote zaal ondergebracht.


Nu is hier ook de Toeristische Dienst van La Louvière (Open ma.-vr. 8.30-18.30u., za. 9-12.30 / 13.30-18u., zo. en feestdagen 9-12.30 / 13.30-17u. met uitzondering van 1 nov.-31 mrt., dan is er ’s zondagssluiting. Ook op kerst- en nieuwjaarsdag zijn de kantoren dicht.)


MARKT EN EVENEMENTEN

Op zaterdagmorgen wordt op dit plein markt gehouden. Regelmatig vinden hier ook evenementen als kunstmarkten plaats onder de zwierige zeilconstructie, die beschermt tegen weer en wind.


Aan het eind van het plein naar links, Rue des Amours.


De straatnaam roept verwachtingen op die het straatbeeld beslist niet inlost en die voor 1839 dan ook zediger Rue du Curé luidde. Waarschijnlijk ligt een kort pad, afgeschermd door bosjes, aan de oorsprong van de huidige naam. Daar werd wel wat afgevreeën op avonden dat er een feest was op de Place des Martyrs – tot 1924 de naam van de Place Jules Mansart, nu genoemd naar de eerste socialistische burgemeester (1896-1903) van La Louvière, aanvankelijk nog naar de gesneuvelden bij de Belgische Opstand van 1830. Maar dat beruchte paadje was in feite te vinden in het straatgedeelte dat nu Rue Vital Roland heet, aan de andere kant van het plein.


CENTRE DE LA GRAVURE ET DE L’IMAGE IMPRIMÉE

Centrum van de prentkunst en het gedrukte beeld.

Rue des Amours 10.

Een in 1988 geopend centrum van de Franse Gemeenschap, waar op drie etages tentoonstellingen worden gehouden rond grafische technieken en de realisaties daarvan, naast een vaste eigen collectie, een documentatiecentrum en ruimte voor workshops.


Je ziet hier creaties van Pierre Alechinsky, Bram Van de Velde, Pol Bury, Roland Topor, Antonio Segui, Pierre Caille en vele anderen. Ook de technische kant van graveren en drukken wordt hier getoond. Het Centrum bezit een collectie van meer dan 5000 prenten, 5000 affiches en 500 kunstenaarsboeken, genummerde uitgaven en prentenverzamelingen, waaronder namen als Edgard Tytgat, Joan Miró, Bram Van de Velde en vooral hedendaags werk van na 1960.


Onder de graveurs waarvan hier werk wordt bewaard zijn kunstenaars als Antonio Tapies, Eduardo Chillida, Jose Maria Sicilia, Valerio Adami, Pat Andrea, Karel Appel, Hans Wap, Sol Lewitt, James Brown, Max Ernst, Louise Bourgeois, Georg Baselitz e.a. Een bibliotheek met 8000 catalogi, boeken en tijdschriften staat ter beschikking van de bezoekers. Er is ook een dakterras aan de voorzijde.


Ook het gebouw zelf draagt wat geschiedenis mee. Daterend uit begin 20ste eeuw mag een eigenaar er in maart 1935 een openbaar zwembad van maken. Edoch bij de inhuldiging doet zich meteen al een verdrinking voor, wat het initiatief meteen een slechte naam bezorgt. In de kelder herinneren witte tegels en een helling nog aan die waterpartij. Na verkoop in 1942 wordt het hier achtereenvolgens een magazijn, parfumfabriek, lunapark en vestiging van Magec, handel in elektrische huishoudapparaten.

Eind 1960 huurt het stadsbestuur het pand om een stuk administratie in onder te brengen tijdens de bouw van het nieuwe stadhuis – dat je straks te zien krijgt. Nadien koopt de stad het gebouw om er expositie- en conferentieruimten van te maken en ook enige tijd de mediatheek te huisvesten.


Open: expo’s di.-vr. 12-18u.,, za.zo. 11-18u.; documentatiecentrum/bibliotheek ma. 13-17u., di.-vr. 9-17u. Info: 064/28.48.58.; www.centredelagravure.be


De Rue des Amours komt uit op de bredere en drukkere Rue de Bouvy, waar je eerst even rechts indraait om dan even verder over te steken naar het


ATHENÉE ROYAL DE LA LOUVIÈRE

Rue de Bouvy 15.

Een staatsonderwijsinstelling, voorheen een École Moyenne d’État en als Cours de Démoiselles enkel voor meisjes. Nu huist hier de 2de en 3de graad van het middelbaar onderwijs.


Vooraan in de sobere tuin staat een beeld van een jonge vrouw met een geweer in de hand. Dit beeld herdenkt twee oud-leerlingen. Marguerite Bervoets is geboren in La Louvière op 6 maart 1914 en na haar opleiding actief als lerares Frans in Vorst bij Brussel en bovendien dichteres met een bundel ‘Chromatisme’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat ze in 1941 bij het verzet als verbindingsagente. Ze wordt gearresteerd bij het maken van foto’s rond het vliegveld van Chièvres en ter dood veroordeeld. Overgebracht naar de gevangenis van Wolfenbüttel bij Brunswick, wordt ze daar op 7 augustus 1944 onthoofd.


De andere vrouw, Laurette Demarets, is in 1921 geboren en helpt als verzetsstrijdster neergestorte geallieerde piloten te ontkomen aan de Duitsers. Bij een eerste arrestatie komt ze nog vrij, maar als ze bij een nieuwe operatie op 26 augustus 1944 in de buurt van Temploux probeert met haar wapen in de hand een controlepost te ontlopen, wordt ze daarbij door een Duitser doodgeschoten.


Op 17 november 1946 hebben oud-leerlingen die deze oorlog hebben overleefd hier dit beeld van Hector Brognon voor hen laten oprichten. De beeldhouwer heeft daarin gelaatstrekken van beide vrouwen verwerkt, zodat het op geen van de twee specifiek lijkt, maar hij heeft het beeld wel een geweer in de hand gegeven, als teken van hun strijd.


Ga bij het atheneum even naar links, zodat je bij een statig gebouw aan een voorplein komt.  


CHÂTEAU GILSON

Rue de Bouvy 11.

Dit neo-classicistisch huis is in de tweede helft van de 19de eeuw gebouwd voor de familie Gravez, maar ontleent zijn naam aan industrieel Augustin Gilson, die het in 1912 koopt. Hij heeft hier de ‘Usines F.Gilson et Ateliers du Thiriau’ opgericht, is van 1891 tot 1896 burgemeester van La Louvière geweest en was een van de initiatiefnemers van ‘La Prévoyance’ (De Voorzorg), een maatschappij die instond voor de bouw van behoorlijke werkmanswoningen.


Augustin mag dan wel overleden zijn in 1921, zijn woning bleef geschiedenis schrijven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hier de Duitse Kommandatur en zijn er verzetsstrijders in de kelders gevangen gehouden.


Als de Stad La Louvière het gebouw in 1947 aankoopt, doet het niet geheel onverdiend een tijdlang dienst als stadhuis- inderdaad, het nieuwe was in aanbouw. Er is toen ook een museum in gehuisvest, daarna wordt het even de mediatheek van de Franse Gemeenschap en vervolgens wordt het overgelaten aan de jeugd als Centre des Jeunes ‘Indigo’. Ook de toeristische dienst heeft er nog een tijdlang bezoekers ontvangen. Maar nu huist er een kunstgalerie in.


Wandel rechts van het huis naar achter, waar je een weids zicht op de tuin hebt, nu openbaar park. Verbaas je over de enorme plataan links voor het bordes en daal dan de houten trappen rechts af naar het park.


L’OMBRE DU LOUP – De schaduw van de wolf

Park Gilson.

Wolven zijn zowat het huisdier van La Louvière. Hier zie je een wandvullend mozaïek uit 2012 van Marco Pellizola met een wolfsilhouet onder de maan, waarbij een al even mozaïeken wolf vanaf het gras naar de schaduw kijkt tussen paaltjes met manen en sterren. Marco heeft dit alles gerealiseerd met leerlingen uit een creatieve workshop, waarvan je aan de andere zijde nog wat werkstukken ziet hangen. Het grote mozaïek is opgedragen aan Franz Badot, vriend van de kunstenaar.


Verlaat het park via de achteruitgang aan de Rue de Belle-Vue en ga linksaf.


Lopend langs de gevels van de Haute École Louvain zie je een aerosoltekening van Jimmy Hendrix op een hoge loodswand met rechts van hem enkele songteksten.


Het grote gebouw aan de overzijde is het hoofdkwartier van Franco Dragone, een Italiaan die in december 1958 in La Louvière komt wonen, omdat zijn vader hier werk vindt in een koolmijn en later in een metaalbedrijf. Zelf is Franco wereldberoemd geworden als ontwerper van de spektakels van Cirque du Soleil (o.a. Saltimbanco en Allegria), maar nu leidt hij zijn eigen bedrijf met 100 man personeel, dat over heel de wereld shows en spektakels organiseert, van Parijs via Las Vegas tot Macao in China.


De Rue de Belle-Vue komt schuin uit bij een kruispunt, waar je de Rue de Bouvy oversteekt en rechtdoor weer de Rue Sylvain Guyaux gaat volgen. Ook die is naar een burgemeester vernoemd, ditmaal een liberaal, tussen 1904 en 1918, van de belle époque naar ‘den grooten oorlog’.


Hoewel het gelijkvloers van de meeste panden in deze hoofdstraat recent is, staan hier enkele fraaie oudere gevels, die we aanduiden met de naam van de zaken die er tijdens onze routeverkenning in huisden. Maar gezien de leegstand in deze straat, kan dat al veranderd zijn wanneer jij hier langs komt. De even huisnummers liggen aan je rechterhand, de oneven dus links.


Le FORST

Rue Sylvain Guyaux 12.

Een café-restaurant met een vrij gave art nouveau-gevel.


PIZZARELLA

Rue Sylvain Guyaux 15-17.

Een Italiaans restaurant achter twee goed onderhouden gevels van oudere datum, in min of meer belle époque-stijl.


SERGE

Rue Sylvain Guyaux 21.

Een kledingzaak onder een gevel met een mooi breed venster, dat enigszins aan een bow-window doet denken. Samen met ‘Pizzarella’ en het hoekpand met brasserie ‘Le Mansart’ geeft het dit straatgedeelte enig cachet.


Rechts de Rue Albert 1 in.


Een stukje winkelwandelstraat met winkelketens naast lokale handelaars. Bij de eerste zijstraat is het autovrije karakter alweer opgegeven in deze ‘Oxfordstreet’ van La Louvière. De bekende grote ketens zie je hier amper, die liggen buiten het centrum bij Cora-shopping, nabij het industriegebied. Wie even hoger dan de etalages kijkt, ziet een aantal opmerkelijke gevels, links even nummers, rechts oneven.


NGV - NEW GENERATION VIDEO

Rue Albert 1 - 37.

Als winkel wellicht minder boeiend dan het pand waarin de zaak is gevestigd: een mooie rode klokgevel met enige versiering.


BELFIUS

Rue Albert 1 -  23-25.

Een zeer breed, enigszins gestreng pand. Op de gevel een bronzen plaquette met de beeltenis van een gehelmde koning Albert I in zijaanzicht en de tekst “La Louvière au Roi-Soldat”, herinnerend aan zijn rol tijdens de Eerste Wereldoorlog. De maker was een naamgenoot, Albert Brichant.


NECKERMAN

Rue Albert 1 – 50 / hoek Rue de la Loi.

Echt wel een speciaal hoekhuis, vooraan zeer smal, dan wijder uitlopend langs beide straten.


Le GRAIN DE SEL + PEARLE

Rue Albert 1 – 30-28.

Enigszins schattig geveltje, wat verdwaald uit de Efteling.


RUNNING

Rue Albert 1 - 2.

Met zijn gevelbrede boograam toch opvallend naast een rechttoe rechtaan gevel.


Je komt aan het eind van de Rue Albert 1 uit op de


PLACE MAUGRÉTOUT

Dit is zowat het stadsplein van La Louvière, met de kerk in het midden en terrasjes rondom. Na jarenlang gewoon als grote parkeerplek te hebben gefungeerd, zijn die auto’s nu onder de grond gestopt - met een wat ongelukkige toegang midden op het plein. Doordat er veel straten op dit plein uitkomen blijft er ook veel gerij rondom. Bij evenementen als het zomerse La Louvrière Plage – beetje strandsfeer met zand, kinderattracties en dj-optredens – wordt het best aangenaam..


De vreemde naam gaat terug op een Henegouws gebruik, waarbij de bevolking van een dorp maatregelen nam tegen iemand die ging verbouwen op een stuk grond, zonder aan de vorige eigenaar een extra geldbedrag – le chapeau - te betalen. Dat was dan een mauvais gré of maugré, in tegenstelling tot een bon gré. Hier was het de naam van een groot terrein, waarop La Louvière in de 19de eeuw is aangelegd. De kerk staat in het midden en de stichter van de stad centraal aan de overzijde.


ÉGLISE SAINT-JOSEPH – Sint-Jozefkerk

Place Maugrétout.

De ‘l’église sans clocher’, kerk-zonder-klokkentoren, wordt dit bedehuis gemeenzaam genoemd. Sinds 20 november 1870 neemt het dankzij de familie Boch de plaats in van de oude Baumkapel, in 1848 gebouwd  aan de huidige Place Jules Mansart.


Joseph Hubert verzorgt het ontwerp voor deze kerk, noemt hem niet naar zichzelf en laat burgemeester Amand Mairaux de eerste steen leggen op 6 oktober 1867, waarna die oude kapel in 1873 wordt gesloopt. Hubert zet wel degelijk een toren op zijn kerk, maar die wordt uit evenwicht gebracht tijdens een aardbeving in 1969 en is uit veiligheidsoverwegingen afgebroken en nooit gereconstrueerd. Maar sinds 1958 heeft de toren wél een beiaard van 47 klokken, dus hoezo, ‘sans clocher’?


Ga je binnen, dan kom je via het portaal in een opvallend lichte ruimte, overdekt met spitsbogen en hoge ramen aan de zijkanten. Na een brand tijdens de Tweede Wereldoorlog is het interieur eigentijds sober gehouden, met aan de zijkant een reeks genadebeelden (Theresia, Maria, Antonius), waarbij een kaars opgestoken kan worden en gebeden worden gepreveld. Er zijn zelfs voorbeelden op de knielbanken aangebracht. Bij het binnenkomen bots je op een doopvont.


Even het plein recht oversteken naar de Boulevard Mairaux.


STANDBEELD AMAND MAIRAUX

Boulevard Mairaux / Place Maugrétout.

Sinds 30 augustus 1890 staat de stichter van La Louvière goud te blinken op zijn sokkel aan het begin van de naar hem genoemde laan, een echt standbeeld uit de koker van Victor Rousseau. Amand is op 28 januari 1817 geboren in Frasnez-lez-Couvin, in de ‘Laars’ van Henegouwen, dus een aardig eindje uit de buurt. Toch brengt hij het van 1854 tot 1869 tot burgemeester van Saint-Vaast..


Op dat moment is La Louvière nog amper een gehucht van Saint-Vaast, maar door de komst van de industrie wonen er in dat deel van zijn gemeente zes keer zoveel mensen als in de oorspronkelijke kern. Het gevolg is dat er voor al die nieuwkomers meer voorzieningen nodig zijn. Wie van oudsher in Sint-Vaast woont ziet het echter niet zitten om daarvoor mee te betalen, want ze hebben er daar zelf geen profijt van. Amand Mairaux ziet dus maar één oplossing: een scheiding van oud en nieuw en zo zal La Louvière ontstaan.


Op 27 februari 1869 keurt de Kamer van Volksvertegenwoordigers daartoe een wet goed, de Senaat volgt op 13 maart en de koning zet de definitieve handtekening op 10 april 1869. Het opschrift ‘Fondateur de La Louvière’ mag dan toepasselijk zijn voor Amand Mairaux, hij heeft de echte stichting niet bij leven en welzijn meegemaakt. Juist de dag voor de aanname van de scheidingswet door de Kamer overlijdt hij in de nabije stad Soignies, op 26 februari 1869.


La Louvière is op dat moment nog enkel ‘gemeente’, de titel ‘stad’ komt er pas in 1985! Maar intussen heeft de nieuweling bij de fusie van 1977 reeds alle omliggende dorpen opgeslokt, waaronder ook moederdorp Saint-Vaast.


In zijn hand heeft Amand het plan van aanleg voor La Louvière, zoals architect Joseph Hubert het uitgetekend heeft.


Als je voor Amand staat, ga je niet de boulevard op, maar vervolg je verder de weg langs het plein naar links, die overgaat in de Rue Keramis, die je uitwandelt tot even voor de rotonde. Links zie je dan het


WOONHUIS ÉMILE SADIN

Rue Keramis 27.

Hier boven café Juramie begint in 1885 de dan befaamde musicus Émile Sadin een muziekschool in zijn eigen woning. Na de start met 22 leerlingen breidt dat aantal zich snel uit en daarom stelt het stadsbestuur enkele lokalen beschikbaar in de linkervleugel van de middelbare meisjesschool in de Rue de Bouvy, die je eerder hebt gezien op deze wandeling. Maar er kan uiteraard enkel na de schooluren muziekles worden gegeven en Sadin ontvangt een subsidie van 375 Belgische frank.

Na Émiles overlijden in 1901 wordt hij opgevolgd door Nicolas Jeumont uit Houdeng-Goegnies, waarna de stad de muziekschool overneemt in 1905.


BEELD VAN DE WOLVIN

Place de la Louve.

Sinds 26 juli 1953 waarschuwt de naam van dit pleintje al voor dit stuk gevaarlijk wild, zo midden in de stad. Dat heeft alles te maken met de naam La Louvière. In duistere eeuwen strekt zich over dit gebied nog een deel van het grote kolenwoud uit, een ruig stuk natuur waarin graag wolven rondstruinen, waardoor het hier in de 12de eeuw reeds als Menaulu of Meneilut bekend staat, een verbastering van het oud-Romaanse meigne au leu, ofwel wolfsput. Dat verandert door de eeuwen: 1157-Luperia, 1168-Lovaria, 1217-Lovière, 1284-Le Lovière … Maar steden zijn vrouwelijk, dus eindigt het ten slotte bij La Louvière.


Zoals we van Roodkapje allemaal weten, hebben wolven iets met kinderen. Hier zelfs met zuigelingen, want op een dag ontdekken archeologen tijdens opgravingen in Gallo-Romeinse overblijfselen resten van een wolvin, die een kind lijkt te zogen. Dat was al niet meer voorgekomen sinds de stichting van Rome door Romulus en Remus, ook zo’n door een wolvin in leven gehouden tweeling. De ideale plek dus voor de rijke abdij van Aulne – aan de Samber tussen Charleroi en Thuin – om hier land te verwerven op beide oevers van het lokale riviertje de Thiriau.


Eeuwenlang was La Louvière zelfs geen gehucht, alleen maar een naam voor een plek ergens in een uithoek op het platteland rond het dorp Saint-Vaast, waar op grond van Aulne een boerderij stond die ‘La Grande Lovière’ genoemd was. Weliswaar worden er al in 1390 kolen ontgonnen rond Saint-Vaast, maar de abdij van Aulne weigert lange tijd daar toestemming voor te geven, wil ‘zijn grond niet laten openen’ zoals het destijds luidde. Vandaar dat de echte bedrijfsmatige ontginning pas begin 18de eeuw op gang komt. Zodra er mijnen zijn, komen ook andere industrieën zich daarbij vestigen en als arbeiders nabij die bedrijven gaan wonen, begint de naam La Louvière een ruimere invulling te krijgen. En op een bepaald moment wil iemand dan weten, waar die naam vandaan komt en als archeologen dan een vreemde vondst doen … Zo ontstaan legendes.


Architect Marcel Depelsemaire bedenkt het monument, de Charleroise beeldhouwer Alphonse Darville mag zien dat hij in 1953 die gedachte hard kan maken.


Maar er is meer te zien dan enkel die wolvin. Iets lager zie je een reliëf van een boer en een boerin. Begroet ze maar als D’Jobri en D’Jobrette, het stadsreuzenpaar. D’Jobri is de bijnaam van de in 1885 in de Baumwijk geboren Joseph Brismet, die tot 1969 heeft geleefd en in heel de Centrumregio ongeëvenaard populair was. Hij was een uitstekend zanger, maar eveneens een acteur en getalenteerde verteller, die in eigen huis tegenspelers van hetzelfde kaliber vond in zijn vrouw Laure (D’Jobrète) en zijn twee oudste dochters Gilberte en Mariette (Djobrinète).


D’Jobri heeft talloze monologen, sketches en songteksten bedacht en was sterk ingebed in het lokale volksleven. Bovendien was hij caféhouder, sterkhouder van de Waalse Haan en Gille bij de vereniging Les Boute-en-Train (De Gangmakers), een folkloregroep van het Waalse carnaval. De Gilles van Binche zijn wellicht het bekendst buiten Wallonië als de mannen met hoge pluimhoeden, geel-rode kostuums, lopend op klompen en appelsienen gooiend naar de toeschouwers. La Louvière heeft sinds 1884 ook zo’n groep.


Tijdens de Waalse Feesten van september 1955 hebben de organisatoren van een handels- en industriebeurs twee reuzen aan de stad aangeboden, D'Jobri en D’Jobrette, vervaardigd door Fernand Liénaud. Dat tweetal opent voortaan de Laetarestoet op Halfvasten. Het woord laetare komt van het Latijn en betekent ‘verheug u’ – de winter is dan voorbij.


Kijk nog even naar de prachtige art nouveau-pui met winkeletalages van Optique Lauwerys aan de overzijde en ga daarlangs de Rue de la Loi in.


CENTRUM DAILY-BUL & C°

Rue de la Loi 14.

Hier huist een heel apart gezelschap, waarvoor alles draait om gedachten en het uitgeven van teksten. Daily-Bul is een initiatief uit 1955 van de kunstenaars Pol Bury – die van de bollen – en André Balthazar, opgericht op de brokstukken van de Cobra-beweging en het surrealisme op de kunstacademie van Montbliart, ergens in de Laars van Henegouwen. Beiden schrijven gedichten, Bury onder het pseudoniem Palone Bultari.


Een dichter heeft slechts een gedachte nodig om van hem een filosoof te maken. Die gedachte noemt Bury een ‘Boule’ – we weten dat hij een voorkeur voor bollen heeft – zonder begin en zonder eind. Van ‘Boule’ tot ‘Bûl’ is een kleine stap voor Bury en dat geeft beter de lichtheid van gedachten weer en ook de speelse geest van de activiteiten die ze willen beoefenen. Twee jaar later verschijnt het eerste nummer van Daily-Bûl, waarvan er tot 1983 veertien zullen verschijnen als spreekbuis van de groep. Want intussen heeft het tweetal versterking gekregen van Christian Dotremont, Pierre Alechinsky (beiden ex-Cobra), Achille Chauvée, Jean-Michel Folon (beeldhouwer), Théodore Koenig en Jean Dypréau.


Naast het tijdschrift worden er boeken uitgegeven, helemaal in de stijl van de groep: controversieel. Wat daar dus in staat is een spel met woorden en gedachten, aanleunend tegen het absurde. Intussen is dat fonds uitgegroeid tot ruim 300 publicaties, verzorgd door meer dan 700 medewerkers, niet enkel uit de regio, maar ook nationale en internationale namen. Ook de vormgeving van deze uitgaven krijgt de nodige aandacht, zowel qua papier, illustratie als typografie.


Sinds 2009 is in dit 19de-eeuwse herenhuis het Centre Daily-Bul & C° gevestigd, waar ook het archief van de groep is ondergebracht, zodat je hier terecht kan om het te raadplegen. Je kan er de boeken kopen of tentoonstellingen bezoeken (di.-vr. 13-17u., za.zo. 14-18u.).


Maar om een indruk te krijgen van het gedachtegoed van Daily-Bul volstaat het al om af en toe de gevels in La Louvière in de gaten te houden, want daar hangen op diverse plaatsen vreemde teksten. Zoals hier aan de gevel o.a. “Le mot tonnerre ne fait pas de bruit” (Het woord donder maakt geen geluid.) En zoek de slak, het symbool van de groep, bedacht door Pierre Alechinsky.


Wandel de Rue de la Loi verder uit tot op de Place Communale – het meer officiële plein van La Louvière.  Voordat we hier verder gaan, ga je eerst naar rechts voor een bocht van bijna 180° om daar een stukje de Boulevard Mairaux op te lopen tot aan een vreemd kunstwerk.


LE SCRIBE

Boulevard Mairaux.

Als je zoiets thuis in de kelder aantreft moet je je zorgen maken. Maar hier heeft Michel François met een wirwar van PVC-buizen een uitvergroting neergezet van een banale krabbel, die mensen onwillekeurig maken tijdens het voeren van een telefoongesprek of zo. In het Nederlands spreek je wel van een droedel. Het alledaagse wordt bijzonder bij de in Brussel wonende François. Maar Michel is geboren in 1956 in het Limburgse Sint-Truiden in een gezin met een schilderende vader en een moeder die danseres en beeldhouwster was, kortom, hij heeft het artistieke in de genen. En dat heeft al gerendeerd: Documenta IX (1992), Belgische inzending Biënnale Venetië (1999), samen met Ann Veronica Janssens, waar hij met paardenbloemen de bezoekers tot blazen verleidde, plus de aankoop van zijn ‘Salon’ door het Parijse Centre Pompidou. In dat salon vol voorwerpen mag de bezoeker nu eens alles aanraken, iets waarvoor anders meteen de suppoosten op je afstormen.


‘Keer om waar mogelijk’ … en ga het plein op. Aan de overkant recht voor je het stadhuis.      


HÔTEL DE VILLE - Stadhuis

Place Communale 1.

Op het moment dat La Louvière een zelfstandige gemeente wordt, is er uiteraard een stadhuis nodig. Het eerste wordt gebouwd naar ontwerp van Joseph Hubert – ja, die van de kerk – hier op een groot stuk landbouwgrond. Begin twintigste eeuw wordt dat gebouw te krap voor alle nieuwe diensten die gemeenten aan hun inwoners verlenen. Toch duurt het nog tot na de Tweede Wereldoorlog voordat daar wat aan gedaan wordt. De zelf uit La Louvière afkomstige architect Paul Emonts kan op 9 september 1967 de eerste steen laten leggen van zijn ontwerp voor een nieuw stadhuis, waarbij hij rekening heeft gehouden met het ook op deze plek geplande theater en conservatorium. Op 25 februari 1971 kunnen de stadsbestuurders in hun nieuwe onderkomen aan de slag. In 1994 wordt er nog een nieuwe vleugel met de Raadszaal toegevoegd.


Maar ook dat stadhuis wordt wat te eng voor de steeds groeiende administratie. Daarom verbindt links een luchtbrug sinds maart 2015 dit gebouw met een uitbreiding van het Brusselse architectenbureau Arter, waardoor het geheel een echte ‘cité administratieve’ is geworden, zoals dat in het Frans heet.


Schuin links op het plein zie je op een roestbruine sokkel een luchtig dier:


LOUVE - Wolvin

Place Communale.

(Omdat dit kunstwerk bij een expo in Daily-Bul over het metaalbedrijf van Gustave Boël hoorde, is het mogelijk dat het er niet meer staat.)

Gezien het thema van de tentoonstelling is het niet verwonderlijk dat deze wolvin is opgetrokken uit metalen plaatjes. Kunstenaar Didier Leemans houdt zich bezig met de – doorgaans menselijke – lichamelijke aanwezigheid in relatie tot de omgevende ruimte en wat daarvan in ons geheugen achter blijft. De relatief jonge kunstenaar, geboren in Ukkel, nu wonend in de Brusselse gemeente Sint-Gillis, heeft een enigszins apart opleidingstraject doorlopen. Hij begon als Erasmus-uitwisselingsstudent in 1991 een schildersopleiding te volgen aan het Londense Saint-Martins College of Arts, om daarna terug in eigen land verder te gaan aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten en zich daarna nog verder te specialiseren in beeldhouwen in Eigenbrakel in 2001.


Het klassiek ogende gebouw links is het


MUSÉE IANCHELEVICI (MiLL) – PALAIS DE JUSTICE

Place Communale 21.

Omstreeks 1888 is begonnen aan dit neoklassieke gebouw met zijn zuilenentree, waarna La Justice de Paix – het Vredegerecht - vanaf 1893 aan de slag kan om lokale geschillen in ‘pais en vree’ te beslechten. Vanaf 1901 neemt hier ook een Conseil des Prud’Hommes – wijze mannen - zijn intrek, een raad voor arbeidsgeschillen in deze industriestad.


Als justitie in 1977 naar een modern gerechtsgebouw verhuist, komen hier tien jaar later opnieuw indrukwekkende heren binnen. Want sinds 15 mei 1987 huist er een museum voor beeldhouwer Idel Ianchelevici. De man is in 1909 geboren in het Roemeense Leova, waaruit hij in 1928 vertrok naar België om zich volledig op beeldhouwen en tekenen toe te leggen. Hij volgt in Luik de kunstacademie en haalt daar in 1933 een 1ste prijs voor beeldhouwen. Dat viert hij met een huwelijk met Elisabeth Frenay en gaat op duurzame huwelijksreis naar Brussel.


In 1935 werkt hij mee aan het Roemeense paviljoen op de Brusselse Wereldtentoonstelling. Daarna stelt Idel tentoon in Tel-Aviv, Parijs, Amsterdam en nog een handvol steden.


Ianchelevici wordt in 1945 tot Belg genaturaliseerd en in deze stad wordt zijn beeld L’Appel (De Oproep) ingehuldigd. Toch blijft Idel ons land niet trouw, want hij verhuist in 1950 naar Maisons-Lafitte in Frankrijk, waar hij op 26 juni 1994 overlijdt, wel op de gezegende leeftijd van 86 jaar.


Hoewel Idel Ianchelevici dus kennelijk geen langdurige banden met La Louvière heeft gehad, wordt hier dit museum geopend, waar een selectie van zijn beeldhouwwerk en tekeningen permanent aanwezig zijn in vijf zalen op het gelijkvloers, waar chronologisch een omvangrijke collectie marmeren, stenen, bronzen en gipsen beelden van Ianchelevici opgesteld zijn en waar ook zijn tekeningen hangen. De eerste verdieping biedt ruimte aan wisselende exposities.


Wie La Louvière binnenkomt langs de E19, de E42 of de autoweg vanuit Soignies, wordt op de Square Keuwet verwelkomt door Idels werk De Oproep, een bronzen afgietsel uit 1967 van een cementen origineel uit 1939, dat toen de eenvoudige mens symboliseerde met zijn oproep tot de geest en het verstand. Destijds is die oproep helaas niet gehoord … Vandaag is deze imposante figuur op blote voeten en rudimentair gekleed vooral een welkom aan de bezoekers van de stad.


Open: di.-zo. 14-17u. Op feestdagen echter gesloten, evenals op dinsdag van halfvasten (‘Laetare’) dat in La Louvière uitbundig wordt gevierd met een carnaval. De toegang is geheel gratis voor de permanente collectie, voor tijdelijke tentoonstelling wordt wel entreegeld gevraagd. Info: 064/28.25.30.


Meteen daarop aansluitend in een eigentijds gebouw:


THÉÂTRE COMMUNAL - Stadsschouwburg

Place Communale 22.

De Stadsschouwburg uit 1960 is van Paul Emonts, dezelfde architect die het stadhuis ontwierp. Binnen is er een zaal voor 1000 toeschouwers met een uitstekende akoestiek. Toch is er in 2009 al een grote renovatie nodig gebleken, die jaren geduurd heeft.


CONSERVATOIRE DE MUSIQUE - Muziekconservatorium

Place Communale 26.

Palend aan dat theater heeft Paul Emonts ook het conservatorium mogen ontwerpen, dat op 29 september 1963 in gebruik is genomen.


Dit conservatorium vindt zijn oorsprong in die privé-muziekschool van Émile Sadin, die in 1905 onder stedelijk beheer komt, van school in academie verandert en heel wat succes kent. Dat geeft het stadsbestuur voldoende argumenten om haar stadsarchitect Ernest Drailly in de jaren 1920 twee gebouwen aan dit plein in een echte muziekschool te veranderen, waarna Paul Emonts in 1963 het slotakkoord mag geven met zijn nieuwbouw.


Op schouwburg en muziekschool zie je nog enkele Daily-Bul teksten, die tot nadenken of bevreemding stemmen.


Nabij het stadhuis zie je op het plein het beeldhouwwerk


MONUMENT VAN DE VREDE

Place Communale.

Beeldhouwer Michel Stiévenart, geboren in Mons in1910 en aldaar overleden in1991, heeft les gekregen van Mechelaar Ernest Wijnants en dat is aan dit werk te zien. De twee broederlijk verenigde mannen staan in vooraanzicht naast elkaar, maar als je om hen heen loopt, blijken ze ineens een wat andere pose aan te nemen. Dat is een trekje dat Michel van Wijnants heeft overgenomen.


Als Stiévenart dit werk realiseert woont hij in Soignies. Het gaat hier om een huldiging van La Louvière als Belgische Vredesstad bij haar 100-jarig bestaan in 1969. Zware jongens, 8 ton blauwe hardsteen, daar wil je geen conflicten mee!


Sla nu links de Rue des Faienciers in, waar wederom een beeld je verwelkomt.


L’AVANT-DÎNER

Rue des Faienciers.

Je ziet hier een muzikaal trio dat is weggeplukt uit de Waalse carnavalstraditie. Op de ochtend van Vette Zondag halen trommelaars de Gilles thuis op om 5 uur, waarbij ze de melodie l’Avant-Dîner spelen. Er wordt dan van deur tot deur gegaan om alle Gilles op halen en per wijk samen te brengen (de rammasage). Daarna volgt een maaltijd met vooral champagne en oesters (die zijn makkelijk te eten met dat kostuum) om dan samen op te trekken naar het stadhuis, waar om 12 uur de rondeau (rondedans) plaatsvindt. Hier toont kunstenaar Robert Michiels dus dat gebeuren voor die maaltijd, l’avant-dîner.


Robert Michiels is autodidact en haalt zijn materiaal van werven en verlaten spoorwegemplacementen, waarmee hij aan het spijkeren en solderen gaat om op zijn eigen manier tot dit staaltje te komen. Op enkele fikse boogscheuten van de vroegere staalfabrieken van La Louvière is de plek geen toeval.


Aan het eind van de Rue des Faienciers ga je rechtsaf de Rue des Emailleurs in en die straatnamen maken al duidelijk waar je gaat uitkomen. Links zie je


LE CENTRE KERAMIS

Place des Fours-Bouteilles 1.

In 2015 is dit museum geopend op het terrein van de vroegere Manufacture Boch. Van de oude fabrieksgebouwen resten enkel nog een drietal flessenovens – de ‘fours-bouteilles’ uit de straatnaam – waarrond een nieuw gebouw is opgetrokken. Het museum toont bijzondere creaties van vroeger en hedendaagse werkstukken, naast een overzicht van het economische en sociale belang van de aardewerkindustrie voor de groei van La Louvière. Aan de hand van het beschikbare materiaal kan je kennismaken met de productiewijze van Boch-Keramis vanaf de grondstof tot het eindproduct.


Er wordt daarnaast een overzicht gegeven van het aardewerk van de 19de en 20ste eeuw, met een nadruk op Belgische keramiek en daarbij betrokken kunstenaars. Er is ook een keramist-in-residence aanwezig, waardoor er ook nieuwe creaties ontstaan. De werking van het museum wordt verruimd door het bieden van stages, concerten, brocantemarkten van Boch-werkstukken, geleide bezoeken en uiteraard een ArtShop. Open: di.-za. 10-13/14-17.30u.


Voor de ingang van het Centre Keramis staat


ÉTAT II – Tweede staat

Rue des Emailleurs.

Van verre lijkt het op een grote stinkzwam, maar dichterbij zie je dat het een creatie uit keramiek is. Émile Desmet heeft hier voor hete vuren gestaan, letterlijk, want om deze craquelé in het aardewerk te krijgen moet er vrijwel een oven rond het werkstuk van klei worden opgetrokken.


De kunstenaar is in 1956 geboren in Doornik, heeft daar de kunstacademie gevolgd en woont en werkt vandaag in Hollain, een kleine 20 kilometer ten zuiden van Doornik aan de Schelde. Hij heeft de halve wereld afgereisd om het keramiekvak tot in zijn vingertoppen te beheersen, van Canada tot Niger, van Finland tot Libanon. Met als resultaat in 1991 de prijs voor jonge beeldhouwers van de Franse Gemeenschap.


Wandel verder de Rue des Emailleurs uit. Je ziet rechts op de schuttingen dat La Louvière nog grootse plannen heeft met dit gebied, waar ooit de Royal Boch-fabrieken floreerden. Aan het eind van de straat nog even linksaf en de Boulevard des Droits de l’Homme oversteken om terug bij het treinstation te arriveren.



LA LOUVIÈRE