Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

HENRY LACOSTE (1885-1968)

Tournai / Doornik

Henry Lacoste wordt op 16 januari 1885 geboren in een familie die al verschillende generaties actief is in de metaalbewerking. Vanaf begin 19de eeuw is ‘Lacoste’ in Doornik in de Rue de Cologne (nu Rue de l’Yser) een bekend adres als het gaat om het maken van sloten of kachels. Grootvader Henry heeft daar zijn zaak gevestigd en zijn op 4 mei 1859 geboren zoon Edmond zal later zijn activiteit voortzetten, maar oriënteert het bedrijf meer in de richting van de kunstsmederij. Samen met zijn zoon Pierre, die ingenieur is, verplaatst Edmond de zaak naar de Quai Dumon. Naast smeedwerk en dinanderie – een artistieke vorm van koper- en messingbewerking, waarbij met gehamerde platen wordt gewerkt – wordt ook brons verwerkt voor verlichtingsamaturen en komt er kerkzilver uit hun werkplaats. Ze hebben daarmee zoveel succes, dat ze hun producten kunnen leveren in heel Europa en zelfs exporteren naar de Verenigde Staten. Pierre Lacoste leidt daarnaast nog een afdeling die zich toelegt op elektrische installaties, verwarming en ventilatie. Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog stoppen al deze activiteiten in 1940 en het bedrijf houdt dan definitief op te bestaan.


Edmonds tweede zoon Henry krijgt in dat milieu van metaalbewerking ook al snel de smaak te pakken om zijn ideeën in materie vorm te geven. Hij kan zijn eerste ontwerpen realiseren onder het oog van zijn vader in diens atelier. Maar Henry wil meer, niet enkel een detail toevoegen aan een interieur of een huis, hij wil alle onderdelen van een woning als een compositie met elkaar verbinden tot één geheel en zo begint zijn interesse in architectuur en in het leven van volkeren.

De jonge Henry volgt klassieke humaniora aan het College van Kain, gaat daarna een jaar filosofie studeren in het Franse Lille, waar hij in 1902 zijn baccalaureaat behaalt. De Griekse en Romeinse wereld zal hem heel zijn leven blijven fascineren.    


Dan gaat Henry Lacoste naar Brussel, waar hij in 1904 start in het atelier van Ernest Acker aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, in de richting architectuur. Tijdens de vier jaar die hij hier doorbrengt is de academiebibliotheek voor Henry een vertrouwde plek, hij is er dagelijks na de lessen te vinden tot sluitingsuur, alsmaar ontdekkend wat zijn voorgangers-architecten hebben gebouwd en hoe ze dat deden. Lacoste is met opzet vlakbij de academie aan de Rue du Midi gaan wonen, om geen tijd te verliezen met heen-en-weer reizen tussen bib en thuis. Aan het eind van die vier jaar wist hij dan ook meer af van hetgeen zich in die bibliotheek bevond, dan zijn leermeesters.


Om zich nog verder in de architectuur te bekwamen, gaat Henry naar Parijs, waar hij les gaat volgen bij G. d’Umbderstock om zich voor te bereiden op het toelatingsexamen van de École National des Beaux-Arts. Hij slaagt dan ook voor dat examen en mag in 1909 les gaan volgen in het atelier van Henri Deglane, een van de architecten van het Parijse Grand Palais, een gebouw met grote hallen, dat voor de wereldtentoonstelling van 1900 is gebouwd en waarin het nieuwe bouwmateriaal ijzer veelvuldig is gebruikt bij het realiseren van de grote glazen overkappingen. Henry’s medestudenten waarderen spoedig zijn kunde als tekenaar en zijn erudiete kennis. Dat is met name het geval bij Louis Madeline, die zich op dat moment voorbereid op het behalen van de Prix de Rome en daarbij grote prijs stelt op de hulp van Lacoste. Wanneer Madeline inderdaad een primus wordt voor de grote Prijs van Rome, betekent dat een levenslange vriendschap tussen de twee studenten. In 1913 behaalt Henry Lacoste zelf het Franse overheidsdiploma van architect.


Sterk geïnteresseerd in de traditionele architectuur van Klein-Azië en het Oost-Romeinse Rijk en archeologie krijgt Henry meteen na zijn opleiding de kans om met de École française d’Athènes naar Griekenland te gaan om daar deel te nemen aan de opmeting van de Apollotempel in Delphi onder leiding van Fougères en Courby. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verrast hen in 1914 en ze worden teruggeroepen.


De Franse regering stuurt Henry Lacoste terug naar zijn geboortestad om daar deel te nemen aan de verdediging van Doornik tegen de vijand. Maar de Duitsers ruimen die weerstand snel op en daardoor is Henry spoedig een gedemobiliseerd man in bezet gebied. In april vlucht hij clandestien naar Nederland om vandaar naar het Belgische leger in Engeland te reizen, waar hij zich als oorlogsvrijwilliger aanmeldt. Zijn kennis wordt benut door hem naar het onbezette deel van België te sturen, waar hij zich in 1915 bij Eugène en Marc Dhuicque voegt voor de ‘Mission Dhuicque’. Het drietal zal onder leiding van Eugène opmetingen doen van tal van gebouwen in Veurne Ambacht die vernietigd dreigen te worden, zodat ze eventueel later conscientieus hersteld of herbouwd kunnen worden en ook kunstwerken of kunstvoorwerpen die zich in de vuurlinie bevinden worden overgebracht naar veiliger oorden. Ze stellen ook de eerste archieven van historische monumenten voor dat gebied op.  


Henry Lacoste zal tot 1919 in militaire dienst blijven en hij zal na afloop van de oorlog in 1918 in de frontstreek monumenten oprichten voor gesneuvelde soldaten, onder meer het “Monument voor luitenant Léon Lefebvre”. In deze periode maakt Henry kennis met Claire, dochter van brouwer Gustave Carbonnelle, met wie hij op 7 mei 1921 in Doornik zal trouwen. In mei 1919 wordt Henry gedemobiliseerd en ontvangt hij als sergeant het Oorlogskruis met de palm evenals de decoraties van vrijwilligers, waaronder het Burgerlijk kruis eerste klasse 1914-1918.


Als de oorlog voorbij is, krijgt hij opdracht om in samenwerking met professor Louis Madeline het grote Frans-Duitse kerkhof van Rossignol in de schoot van het Ardense woud te voltooien en het herinneringsmonument voor de dichter Ernest Psichari te ontwerpen. In Parijs ontwerpt Henry het “Ossuarium voor de Belgische soldaten” op het Père Lachaise-kerkhof.


Zijn geboortestad Doornik vertrouwt hem de herbouw van in de oorlog vernielde dorpskerken toe. Hij tekent dan de plannen voor de renovatie of reconstructie van de dorpen Chercq en Bléharies. In Chercq wordt zijn ontwerp niet geaccepteerd door de plaatselijke gemeenteraad, die het project te duur vindt. In Bléharies daarentegen krijgt hij de vrije hand, maar uiteindelijk zal het bij een kerk, de pastorie en het gemeentehuis blijven. Daardoor dankt men aan hem de prachtige Sint-Aybertuskerk met de preekstoel aan de buitenkant, een religieus gebouw waarbij voor de eerste keer spanten in gewapend beton zijn gebruikt. Hij leidt eveneens de renovatie van het gemeentehuis. Lacoste’s ervaring opgedaan bij het schetsen en opmeten van het bedreigde patrimonium van Veurne-Ambacht wordt hier tussen 1919 en 1926 in de praktijk omgezet


Reeds bij dit renovatieproject gaf Henry Lacoste een persoonlijke interpretatie van traditionele vormen in combinatie met eigentijdse technieken, waardoor hij een heel eigen stijl ontwikkelt en moeilijk valt onder te brengen bij een van de architecturale bewegingen uit de jaren 1920-’30. Het feit dat zijn Beaux-Arts-opleiding steeds zichtbaar blijft in zijn werk maakt hem ook niet geliefd bij de modernisten, die volgelingen van Le Corbusier zijn en volledig willen breken met het verleden en de traditie. Hij wordt door hen gezien als een halfslachtige architect. Maar de laatste decennia is er in het kader van de hernieuwde interesse voor art deco ook weer belangstelling voor Lacoste’s werk gekomen. Diens grote culturele bagage en kennis van de architectuurgeschiedenis laten hem toe om de oude stijl niet klakkeloos te imiteren, ook al neemt hij soms letterlijk voorbeelden over, wanneer hij voor een probleem staat dat al in het verleden door voorgangers efficiënt is opgelost. Architectuur is voor Henry Lacoste juist een samenvatting van alle humane en toegepaste kennis en daar passen termen als ‘functioneel’ of ‘sociaal’ voor hem niet echt bij.


Amper vier maanden na zijn huwelijk in mei 1921 keert Lacoste terug naar Griekenland om zijn opdracht voor het Institut de France verder te zetten. Dat Institut heeft in 1920 al een werk met tekeningen en commentaren van zijn hand gepubliceerd: Fouilles de Delphes – Tome II – La Terrace du Temple (Éd. E. de Boccard, 1, rue de Midi, Paris).


Na afloop van die opdracht voor het Institut de France komt Henry Lacoste terug naar België en gaat hij in Brussel wonen, waar hij een eigen architectenpraktijk opzet en in 1923 een lange loopbaan in het onderwijs begint: hij wordt benoemd tot professor aan het Hoger instituut voor Archeologie en Kunstgeschiedenis in Brussel, waar hij tot 1946 actief blijft en nog eens terugkeert in 1954-‘56. In november 1926 kan hij als opvolger van Paul Saintenoy de leerstoel bekleden van professor in de architectuurgeschiedenis aan de Academie van Schone Kunsten van Brussel. In 1928 wordt hij benoemd tot professor in architecturale compositie ter vervanging van Victor Horta en in 1930 wordt hij atelierhoofd en professor in de architectuurtheorie, om uiteindelijk in 1954 tot zijn pensioen in 1957 directeur van deze academie te worden. Het was een hele kunst om het vroegere Bogaardenklooster in de Zuidstraat, waarin de school sinds 1876 was gevestigd, intact te laten en tegelijk op een waardige wijze het werk van de leerlingen tentoon te stellen.


Intussen is Lacoste ook actief in de praktijk. Zo wordt Henry in 1930 architect van de Belgische opgravingen in het Syrische Apamea, die plaatsvinden onder leiding van professor Fernand Mayenne. Lacoste richt daarover in 1933 in het Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Brusselse Jubelpark de Apameazaal in, waar hij een reproductie laat zetten van een deel van het grote portiek in de hoofdstraat van Apamea. Helaas wordt deze zaal vlak na de Tweede Wereldoorlog door brand vernield. In 1936 en 1953 zal hij nogmaals terugkeren naar Apamea en in 1954 zien we hem in Bagdad archeologisch actief. In diverse opgravingscampagnes begeleidt Henry Lacoste jongeren van de academie en geeft hen de kans om naar Egypte en Griekenland te gaan, waar hij samen met hen studies uitvoert.


Een ander facet van Lacoste’s architectuur zijn de bouwwerken voor grote tentoonstellingen. Zo wordt hij in 1931 de architect van de Belgische deelname aan de Koloniale tentoonstelling in Vincennes bij Parijs, waarvoor hij het paviljoen van Belgisch Congo ontwerpt. En op de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1935 krijgt hij talrijke opdrachten toegewezen, zoals het gebouw voor het Algemeen Commissariaat, de Galerij van de Sierkunsten en het paviljoen van Griekenland. Maar het meest tot de verbeelding spreekt zijn paviljoen van het Katholieke Leven, waarvoor hij een bouwwerk met twee Byzantijns geïnspireerde koepels omringd met goudkleurige obelisken tevoorschijn tovert. Je komt het vaak tegen op oude afbeeldingen van die Brusselse wereldtentoonstelling. En in 1939 is Henry weer paraat in Luik op de Waterexpositie, waar hij aan de Maasoever nog maar eens een paviljoen van Congo opricht.


Als een gevolg van die laatste tentoonstelling vertrouwen de mijnmaatschappijen van Zwartberg en Beringen hem de bouw van kerken toe, de zogeheten mijnkathedralen in de mijncités. Tussen 1937 en 1941 wordt in het Genkse Zwartberg de Sint-Albertuskerk gebouwd, terwijl tussen 1939 en 1943 in Beringen de Sint-Theodarduskerk verrijst.


Van zijn overige ontwerpen zijn vooral bekend geworden het sanatorium van Buizingen uit 1927, het Instituut voor Medisch Onderzoek van professor Pierre Nolf in Brussel uit 1933, het Home Familia in Den Haan uit 1939, het Home A. Van Acker, later als RTT-tehuis bekend geworden, in de Kartuizerduinen van Oostduinkerk in 1948-’49 en als later werk de renovatie in 1967 van het kasteel van Colonster na een brand, waarbij hij heeft samengewerkt met Jean Opdenberg. Het kasteel is een onderdeel van de Luikse universiteit.


Heel zijn loopbaan door neemt Henry Lacoste ook deel aan talrijke urbanistische studies, met name voor het tracé van de Noord-Zuid-verbinding in Brussel en voor de reconstructie na de Tweede Wereldoorlog van de steden Doornik en Namen. Maar niet al deze stedenbouwkundige projecten zijn daadwerkelijk uitgevoerd. Zo zijn onder andere zijn plannen voor de omgeving van het Brusselse Zuidstation, de Kunstberg en de Sint-Michielskathedraal in die stad (ca 1960) en voor de heraanleg van Ladeuzeplein te Leuven (1937) nooit gerealiseerd.


In en rond zijn geboorteplaats Doornik laat men hem eveneens bouwen: café La Verte-Feuille in Rumillies, het interieur van restaurant le Carillon aan de Grand-Place, café Ibis op het Saint-Jacques-kruispunt in opdracht van de Saint-Yves-Ibis brouwerij van zijn schoonvader en een huis met bronzen deur in de Enclos Saint-Martin op het terrein van de vroegere abdij, alle in Doornik. In het gehucht Allain tekent hij de plannen voor het Monument voor Herman Planque, een jonge steenhouwer die in 1916 weigerde om voor de Duitsers te werken en die na zes maanden gevangenschap twee dagen na zijn vrijlating overleed op 29 april 1917. Zelfs weinig Doorniknaren weten dat de afscheidsruimte bij de ingang van het Cimetière du Sud (Zuiderkerkhof) door deze architect is ontworpen. Doornik dankt aan hem ook de reconstructie van twee voetgangersbruggen over de Schelde na hun vernieling tijdens de Tweede Wereldoorlog.


Naast al dit praktische werk was Henry Lacoste ook lid van diverse architectuurverenigingen. Hij wordt in 1948 verkozen tot corresponderend lid van het Institut de France voor Schone Kunsten. In 1955 wordt hij als lid aangenomen door de Koninklijke academie van België in de categorie Schone Kunsten. Hij is tevens lid van de Académie d’architecture de France, corresponderend lid van de Koninklijke commissie voor Monumenten en Landschappen, waar hij in 1958 effectief lid van wordt. Zijn verslagen en zijn redevoeringen voor die Commissie ondersteunen de bestudering van de talrijke Brusselse en Brabantse monumenten. Van 1950 tot 1952 verzekert hij het voorzitterschap van de Société centrale d’architecture de Belgique.


Henri Lacoste heeft een grote invloed uitgeoefend op de generatie die na de Tweede Wereldoorlog van start ging in de architectuur. Hij overlijdt op 28 april 1968 in de Brusselse gemeente Oudergem.


Oeuvre (onvolledig):

1919-1920

Pastorie – herstel schade WO I.

Noordstraat 1, Lo-Reninge.

I.s.m. Oostendse architecten Charles Pil en Henri Carbon.

1919-1926

Saint-Aybertkerk en pastorie – wederopbouw na WO I; art decostijl.

Rue Wibault Bouchart 24, Brunehaut-Bléharies.

1920

Monument voor Herman Planque.

Place Herman Planque, Doornik-Allain.

1922

Ossuarium voor de gesneuvelde Belgische soldaten in WO I.

Kerkhof Père-Lachaise, Rue du Repos 16, Parijs.

1922

Café La Verte-Feuille.

Splitsing Chaussée de Renaix / Chaussée de Frasnes, Rumillies.

1924

Sint-Alenatoren – restauratie van middeleeuwse toren (nu: nieuwe restauratie jaren1970).

Gemeenteplein z/n, Dilbeek.

I.o.v. gemeentebestuur Dilbeek.

1924

Gemeentehuis – verbouwing van Au Grand Cabaret in gemeentehuis, ontwerp in Doornikse stijl deels gebruikt door architecten Bruyère.

Rue Wibault Bouchart 11, Brunehaut-Bléharies.

1924-1933

Kerkhof van Lessines – ontwerp.

Chemin d’Ath z/n, Lessines.

1926

Eigen woning van Henri Lacoste – art decostijl, beschermd monument.

Jean Van Horenbeeklaan 145, Oudergem.

1927-1933

Geneeskundige Stichting Koningin Elisabeth, instituut voor medisch onderzoek van professor Pierre Nolf – beschermd monument.

Brugmannziekenhuis, Jean-Joseph Crocqlaan, Brussel-Jette.

I.o.v. Raad van de Godshuizen.

1927-1938

Kindersanatorium Baronne Lucie Lambert – 1927 en uitbreidingsplannen 1938 (nu: vervallen, sinds 1989 eigendom van projectontwikkelaar).

Kluisbos 41-51, Halle-Buizingen.

I.o.v. barones Lucie Lambert en Association National Belge contre la Tuberculose.

1928-1930

Café-restaurant Le Carillon – verbouwing oud baljuwhuis tot café; aanpassing in 1937.

Grand-Place 64 / Reduit des Sion 1A, Doornik.

1929

Kerkhof van Blandain, afscheidsruimte (gerestaureerd in 2015), opbaringsgebouw, gemeentelijk grafkelder – ontwerp plan van aanleg.

Rue de la Souvenance, Doornik-Blandain.

1929-1930

Ontwerp paviljoenen van Nestor Martin en Arthur Martin – tijdelijke expositiegebouwen.

L’Exposition internationale 1930.

Parc de la Bouverie en Champ de Manoeuvres (nu wijk Droixhe), Luik.

I.s.m. architect L. De Vestel.

1930-1931

Paviljoen van Belgisch Congo – tijdelijk expositiegebouw.

L’Exposition coloniale internationale 1931.

Parijs-Vincennes.

I.o.v. Belgisch Ministerie van Koloniën.

1930-1938

Opgraveningen van de Romeinse stad Apamea.

Syrië.

1933-1935

Paviljoenen Belgische Regering, Katholiek Leven, Letland, Griekenland, Cristallerie Val-Saint-Lambert, Onderdeel Decoratieve kunsten met beeldhouwersterras, standbeeldenkiosk en meubelgalerij – tijdelijke expositiegebouwen.

Wereldtentoonstelling, Brussel-Heizel.

I.s.m. R. Pechère en architect A. Herman (fonteinen).

1936

Huis Pion.

Rue l’Enclos Saint-Martin 18, Doornik.

I.o.v. schilder Louis Pion.

1936-1937

Uitbreiding Preventorium Familia (nu: gesloopt in 1981 – terrein verkaveld voor privéwoningen).

Driftweg 55, De Haan aan Zee.

I.o.v. Compensatiekas voor Gezinsvergoedingen De Familie.

1937

Plan voor heraanleg Mgr. Ladeuzeplein – niet gerealiseerd.

Leuven.

1937-1941

Sint-Albertuskerk en pastorie – mijnkathedraal in mijncité.

Kerkplein z/n, Genk-Zwartberg.

1939

Paviljoen van Belgisch Congo – tijdelijk expositiegebouw.

L’Exposition internationale de la technique de l’eau,

Maasoevers van Atlasbrug tot ingang Albertkanaal, Luik.

I.o.v. Ministerie van Koloniën.

I.s.m. M. Devigné.

1939-1943

Sint-Theodarduskerk, pastorie, feestzaal – mijnkathedraal in Byzantijnse stijl in mijncité.

Koolmijnlaan z/n, Beringen.

1941

Villa Rotthier – vergroting bestaand huis.

Waterloosesteenweg 38, Sint-Genesius-Rode.

I.o.v. L. Rotthier.

1944-1953

Universiteitsbibliotheek Katholieke Universiteit Leuven – herinrichting leeszalen.

Mgr. Ladeuzeplein 21, Leuven.

1946

Mardasson Amerikaans gedenkteken – niet gerealiseerd ontwerp.

Colline de Mardasson, Bastogne.

I.s.m. architecten C.Strebelle, M. en P. Mignot.

I.s.m. beeldhouwer Jacques Moeschal.

1948-1950

Home Achiel Van Acker – in 1971 nieuwe zuidvleugel van Hoeilaartse architect F. Stiphout (later: R.T.T.-home; nu: gesloopt in 2011).

Kinderlaan 41, Koksijde-Oostduinkerke.

I.o.v. Ministerie van Verkeerswezen, Telegrafie en Telefonie - Sociale Werken R.T.T.

1951

Café Ibis - inrichting (nu: restaurant An-Nam).

Rue du Cygne 37 / hoek Rue du Bourdon Saint-Jacques, Doornik.

I.o.v. brasserie Saint-Yves-Ibis van zijn schoonvader.

1965-1967

Kasteel van Colonster – na brand restauratie en aanpassing aan eigentijds gebruik.

Allée des Erables, Bât B 25, Luik-Sart-Tilman.  

I.o.v. Universiteit van Luik.

I.s.m. architect Jean Opdenberg.

????

Afscheidsruimte Cimetière du sud (Zuidkerkhof).

Rue du Faubourg des Postes / Place Martin Luther King, Doornik.

Maison Piron (Tournai)

© foto: Danielle Janssens