Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

LEERLOOIERIJ

Virton

Op 19 september 1991 vinden twee Duitse bergbeklimmers in de Ötztaler Alpen in het Italiaanse deel van Tirol de ijsmummie van een man die zo’n 3300 jaar voor Christus daar heeft geleefd. Ötzi, zoals hij spoedig wordt genoemd, heeft voorwerpen van leer bij zich, waarbij de diersoort waarvan die gemaakt zijn nog herkend kan worden. Om maar te zeggen dat het bewerken van dierenhuiden tot leer al enige tijd gebeurt en dat leer behoorlijk duurzaam kan zijn.


In de middeleeuwen zijn er in de meeste Vlaamse steden huidenvetters aan het werk, in de Waalse steden tanneurs. Beide woorden gaan terug op een bewerking om van huiden leer te maken. Bij het Vlaamse woord gaat het over het schrapen van het vet van de huid, waarna dat opnieuw gebruikt wordt om die er weer grondig mee in te wrijven, waardoor rotten door vocht of hard en breekbaar worden door droogte wordt voorkomen. ‘Tanneurs’ verwijst naar tannine, de stof die vrijkomt uit de schors van eikenbomen, die vroeger onmisbaar was om van een dierenhuid leer te maken. Maar voor het zover is, is er heel wat werk aan de winkel.


Leerlooiers, om het thans gangbare woord te gebruiken, maken een onderscheid tussen huiden en vellen. Volwassen runderen hebben huiden, kalveren, schapen of geiten leveren vellen. Alles begint natuurlijk met het slachten van deze dieren, waarna de huid voorzichtig wordt verwijderd. Geen huid is daarbij gelijk aan een ander, doorgaans zijn er ook op een vrijwel gave huid sporen van natuurlijke of menselijke activiteit te vinden, waarbij de ernst en de hoeveelheid van deze beschadigingen – huidfouten in het jargon – de kwaliteit van het basisproduct bepalen. Natuurlijke huidfouten zijn horzelgaten, luizenbeten, door motten aangevreten plekken, terwijl de menselijke foutjes ontstaan door brandmerken van het vee, prikkeldraadletsels, beschadigingen bij het villen of later bij het looien en dergelijke. Ook de dichtheid van de huidporiën bepaalt mee de structuur en de kleurnuances van het latere leer. Het leven van het dier is dus grotendeels van zijn huid af te lezen.


Na het villen worden zoveel mogelijk resten van de huid verwijderd die kunnen bederven, waarna deze ruwe huiden worden verkocht aan de leerlooiers. Verloopt die handel in huiden in de middeleeuwen nog lokaal, waarbij de koopwaar van het vee op het platteland rond de steden komt, in de 19de eeuw wordt het een grootschalige handel, waarbij bijvoorbeeld Antwerpse zakenlui grote eigen kuddes op de Argentijnse pampa’s hebben grazen, waarvan de huiden via de Antwerpse haven België binnenkomen. Huiden die ver vervoerd moesten worden, werden ingezouten, pekelen genoemd, en moesten nadien eerst met vaak spoelen ontzout worden, voordat verdere bewerkingen konden gebeuren.


De behaarde zijde van een runderhuid wordt uiteindelijk de mooie bovenzijde van het leer, waardoor er dus eerst onthaard moet worden. Dat gebeurt door de huid te weken in kalkrijk water, wat de vezelstructuur losser maakt en die dan te smarten door hem op een gebogen smartblok te hangen, waar een lichte verrotting aan de oppervlakte optreedt door het broeien in een donkere, vochtige, warme ruimte. Daardoor kan het haar er gemakkelijker worden afgeschraapt. Maar dat kalken van de huiden en nadien weer het verwijderen van die kalk moet diverse malen gebeuren, waarbij de huiden uit de baden worden gehaald en voorzichtig anders gevouwen worden om de logende werking van de kalk overal te laten insijpelen. Dat kan wel twee maanden in beslag nemen.


Aan de binnenzijde van de huid zitten nog restanten vlees, vet en bindweefsel, die met een scherp mes verwijderd worden, dit is het vlezen. Wat er daarbij van zo’n huid afkomt, wordt gedroogd op een lijmraam of bewaard in een lijmkuip, waar er kalk over wordt gestrooid om bederf te voorkomen. Dit restproduct gaat dan als lijmvlees naar een lijmfabriek, waar het via lang koken verwerkt wordt tot een dierlijke lijm, huidlijm, onder andere gebruikt voor boekbinden, het verlijmen van onderdelen van muziekinstrumenten of als lijm bij schoenherstelling. Dit aan weerszijden schoonmaken van een huid wordt wel ploten genoemd, vandaar dat in een stad als Gent er een Plotersgracht is.


Na deze bewerkingen komen we eindelijk aan het looien van de schone huiden toe. Daarvoor zijn er deels in de grond ingegraven diepe eikenhouten kuipen nodig. Die worden gevuld met run, een mengsel van water en de gemalen schors van eikenbomen. Die schors wordt eerst losgeklopt van de bomen, vaak het werk van kinderen, daarna wordt de schors verder van de boom geschild. Dat gebeurt als de sapstroom van de boom het sterkst is, in mei en juni. Na het drogen van de schors in schuren wordt die eek genoemd en daarna vermalen in schorsmolens. Na het toevoegen van water wordt eek tot run. In die kuipbaden worden nu de huiden gehangen tussen lagen run. Zo’n pakket huiden wordt stevig aangestampt en moet voortdurend vochtig worden gehouden in deze kuipen, die qua afmetingen aangepast dienen te zijn aan de grootte van de huiden. De bedoeling is om de eiwitten in de dierenhuid onoplosbaar te maken, waardoor de huid niet langer zal verrotten door vocht, noch zal verharden door uitdroging en bovendien bestand wordt tegen temperatuurverschillen.


Dit looien kan maanden duren, voor de beste kwaliteit leer zelfs twee tot drie jaar. Intussen moet de run af en toe vernieuwd worden, zowat eens om de drie maanden. Het looien wordt stopgezet door stoffen aan dit zure mengsel toe te voegen, die het zuur neutraliseren, dus zogeheten basen of alkalische stoffen. Daarvoor worden aanvankelijk uitwerpselen van honden of varkens gebruikt, wat het eindproduct niet meteen aangenaam doet ruiken.

Rond 1840 komt men op het idee de looikuipen te laten draaien, waardoor de looizuren makkelijker vrijkomen uit de run en ook beter indringen in de huiden. Dat samen verkort de looitijd spectaculair tot enkele weken. Al snel worden ook deze draaiende kuipen gebruikt voor het reinigen en spoelen van de huiden, zoals boven beschreven. Dat die draaiende kuipen niet eerder zijn toegepast ligt niet aan een gebrek aan kennis, maar komt eenvoudigweg omdat de drijfkracht ontbrak om deze zware kuipen te laten draaien. De uitvinding van de stoommachine lost dat op.


Met het looien houdt het productieproces van het leer niet op. Wanneer de natte huiden uit de kuipen komen, worden ze meteen nog eens afgekrabd en geschuurd, waardoor het leer zijn glans krijgt. Daarna volgt nog het walsen, om het platter en gladder te maken. Afhankelijk van het soort leer dat men wil hebben, wordt het nu na het drogen nog geperst, ingevet, gebleekt of gelakt. Om leer na het drogen weer soepel te krijgen, volgt tegenwoordig het walken, dat is machinaal kneden van het leer.

Een runderhuid is 4 tot 6 mm dik en voor speciale leersoorten wordt die nu veelal gesplitst in een bovenhuid van ongeveer 0,9 mm. Een tussenlaag – het splitleer – die van mindere kwaliteit is wordt als afdekleer gebruikt en de onderlaag dient om schoenzolen te maken.


Er worden vaak drie soorten leer onderscheiden. Bij vetleer voor laarzen en werkschoenen wordt de gedroogde huid ingesmeerd met traan en rundvet en daarna bewerkt met koperrood om een zwarte kleur te krijgen. De binnenzijde wordt geblancheerd – op gelijke dikte gebracht  en schoongeschaafd met een breed stalen mes – en ook nog gekrispeld, dat is soepel slaan met een krispelbord, een van boven vlak stuk hout met een gebogen onderzijde, bekleed met in de breedte gegroefde kurk, koperen of loden platen, waarmee over een dubbelgevouwen stuk leer wordt gestreken. Krispelen kan ook nog aan de buitenzijde – de nerfkant – gebeuren om een bepaalde tekening aan te brengen in het leer.

Bij grauwleer wordt de binnenzijde geblancheerd en met traan gezuiverd voor het maken van bruine schoenen. En overleer wordt voor het maken van schoenen of rijdierzadels gebruikt. Om dat te maken wordt het leer opgespannen en twee weken in vers stromend water gehouden. Daarna wordt het nog een week lang gekalkt in een kalkkuip en weer ontkalkt in vuil water, om ten slotte geschaafd te worden en nog enkele bewerkingen te ondergaan in een kuip.  


Alle soorten leer worden tegenwoordig ook nog gebeitst met kleurstoffen, die tot 1 mm diep doordringen. Daarbij ontstaan kleurnuances doordat niet elk stuk leer evenveel kleurstof opneemt. Bij gelakt leer wordt op het geverfde leer nog eens een kleurlak op waterbasis aangebracht.


Wat in de middeleeuwen nog een verzameling kleine bedrijfjes is, groeit vanaf de 19de eeuw uit tot echte industriële bedrijven met veel werknemers en een Europees afzetgebied, zoals we die bijvoorbeeld in Malmedy hebben gekend, om dan vandaag uit te groeien tot grote internationale concerns, waar synthetische looistoffen het productieproces bepalen en bestrijdingsmiddelen tegen bacteriën en schimmels worden toegevoegd. Opkomende industrielanden hebben daarbij de Europese concurrentie goeddeels weggeblazen en kunststoffen concurreren met natuurlijk leder.


In onze steden leeft het leerlooien vaak nog voort in straatnamen: de Huidevettersstraten en de Rues des Tanneurs in België of de Looiers- en Lauwersgrachten in Nederland. De Gentse Plotersgracht kwam hoger al ter sprake en in Brugge kennen ze de Witte en de Zwarte Leertouwersstraat. In de eerste woonden de ambachtslui die zeem- en schapenleer bereidden, in de tweede ging het over schoenen en laarzen.


Zoals elk ambacht hebben de middeleeuwse leerlooiers ook hun patroonheilige, in dit geval zelfs twee, Crispinus en Crispianus. Waarschijnlijk gaat het om twee broers met kroeshaar, hun  namen zijn namelijk afgeleid van het Latijnse crispus (gekruld of kroes). Afkomstig uit een voorname Romeinse familie uit Rome hebben ze zich bekeerd tot het christendom en dat is in de derde eeuw onder keizer Diocletianus nog niet iets om openlijk mee uit te pakken. De toenemende christenvervolging onder diens regering doet beide broers uitwijken naar de verre Romeinse provincie Gallië, waar ze zich vestigen in Noviodunum Suessionum, vandaag bekend als Soissons ten noordoosten van Parijs.


Daar gaan ze aan de slag als schoenmakers, waarbij ze hun christelijke inspiratie laten gelden wanneer het om arme klanten gaat, die hoeven niet te betalen voor een reparatie. En ze blijven hun geloof verkondigen, wat hen snel in beeld brengt wanneer de christenvervolging zich onder mede-keizer Maximianus ook uitbreidt naar Gallië. Prefect Rictiovarus laat hen oppakken en wanneer Crispin en Crispian weigeren aan hun geloof te verzaken, worden ze in het openbaar gemarteld om een voorbeeld te stellen. Er worden repen huid gevild, er worden priemen (schoenmakerswerktuigen) onder hun nagels gestoken, maar die vliegen er wonderbaarlijk even snel weer onderuit en verwonden hun beulen. Ook een poging om hen verzwaard met molenstenen te verdrinken in de rivier de Aisne mislukt doordat ze boven blijven drijven en een afwisselende behandeling met vuur en ijskoud water doet hen al evenmin van ideeën veranderen als een douche met kokend lood. Maximianus moet al die mislukte strafuitvoeringen telkens aanhoren en wordt er radeloos van, zodat hij in het jaar 286 uiteindelijk bevel geeft beide broers te laten onthoofden als ultiem redmiddel.


Voor de bevolking is het intussen duidelijk dat het hier toch om zeer uitzonderlijke mannen gaat en ze worden vrijwel meteen als christelijke martelaren vereerd. Aanvankelijk worden hun lichamen ter aarde besteld op de Romeinse begraafplaats van Soissons, maar later worden hun overblijfselen als relikwieën bewaard in de Saint-Crépin-le-Grand abdij nabij de rivier de Aisne. Die abdij is meermaals gedeeltelijk vernield en weer gerestaureerd tot hij aan het begin van de Franse Revolutie in beslag is genomen, waarbij in 1793 de relieken uit het bijbehorende schrijn zijn gehaald en weggeworpen. Na het concordaat tussen Napoléon Bonaparte en de paus kon in 1802 de abdijkerk opnieuw geopend worden en toen is een inwoonster van de buitenwijk waar de abdij zich bevond komen aanzetten met twee schedeldelen van de relikwie. Intussen bestaat de abdijkerk niet meer en is er elders in Soissons een nieuwe Saint-Crépinkerk gebouwd, naar verluidt op de plek waar de broers terechtgesteld zijn.


Maar er is twijfel in hoeverre beide broers eigenlijk in Soissons onthoofd zijn, of dat ze daarvoor eerst naar Rome zijn overgebracht. Feit is dat heel wat van hun relieken vanuit die laatste stad verspreid zijn over Europa, waardoor in de 12de eeuw de Duitse stad Osnabrück ook enige beenderen in handen kreeg omdat Crispijn en Crispiaan ook van die stad de patroonheiligen zijn. En de Antwerpse Sint-Carolus-Borromeuskerk bezit eveneens een relikwie, net als het Museum voor Kerkelijke Kunst in Workum, een stadje aan het IJsselmeer in de Nederlandse provincie Friesland. Ook de Angelicaanse Kerk vereert beide broers en daar gaat het verhaal dat zij zich helemaal niet in Soissons, maar in Kent gevestigd zouden hebben.


Kortom, er is lichte twijfel aan allerhande details uit hun wedervaren, maar op 25 oktober worden ze elk jaar als heiligen herdacht, deze schutspatronen van leerlooiers, schoenmakers en … pedicures – denk bij die laatsten aan die priemen onder hun nagels!