Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

LOUIS XIV DE FRANCE DE BOURBON (1638-1715)

Tournai / Doornik

Op je vijfde koning worden en dan niet als voorbijgaand spelletje, het overkomt niet iedereen. Maar het overkomt wel de op 5 september 1638 in het paleis van Saint-Germain-en-Laye geboren Louis de Bourbon, telg van een geslacht dat met zijn grootvader Henri de Bourbon de Navarre op de Franse troon belandt, nadat overgrootvader Antoine de Bourbon door zijn huwelijk reeds koning van Navarre, een Spaanse koninkrijk, was geworden. Het koningschap is dus stilaan een vanzelfsprekendheid in deze familie. Vader Lodewijk XIII zit bij de geboorte van Louis op de Franse troon, maar heeft de leiding van zijn land goeddeels uit handen moeten geven aan een geestelijke leider, kardinaal Armand Richelieu, die daartoe uitgekozen is door de moeder van Lodewijk XIII, de befaamde koningin Maria de Médici. Toch heeft de kardinaal geen vrij spel, Lodewijk wil alle details van zijn beslissingen weten en krijgt daardoor de bijnaam ‘le Juste’, zeg maar Pietje Precies. Wanneer Lodewijk XIII trouwt met Anna van Oostenrijk, duurt het nog drie-en-twintig jaar voordat onze Louis wordt geboren. In die tussentijd is de machtige Franse adel bij gebrek aan een kroonprins zijn hoop gaan stellen op prins Gaston d’Orléans, de broer van Lodewijk XIII. En dat zal zijn gevolgen hebben, wanneer Lodewijk XIII op 14 mei 1643 komt te overlijden in Saint-Germain-en-Laye.


Voor een goed begrip van de politieke situatie waarin straks Lodewijk XIV aan de macht komt, een overzicht van redelijk complexe ontwikkelingen die zich vanaf begin 17de eeuw in West-Europa afspelen:

Richelieu heeft zich bij leven en welzijn drie grote doelen gesteld: het vernietigen van de politieke macht van de hugenoten (de Franse protestanten); de uitschakeling van de oproerige adel ten voordele van de absolute monarchie, waarin de koning alle macht in handen houdt; de strijd tegen het Oostenrijkse Huis Habsburg, dat de macht in handen heeft in zowel Oostenrijk, Spanje als de Spaanse Nederlanden, plus nog eens de functie uitoefent van keizer van het Heilige Roomse Rijk, het gebied van de Duitse keurvorsten. Vooral het feit dat de Habsburgse gebieden het koninkrijk Frankrijk omringen, is Richelieu een doorn in het oog en zal in het leven van de jonge Louis ook een grote rol gaan spelen. De kardinaal-Eerste Minister wil Frankrijk uitbreiden tot natuurlijke grenzen en dat zijn voor hem de Atlantische Oceaan in het westen, de Pyreneeën en de Middellandse Zee in het zuiden, de Alpen in het zuidoosten en de Rijn in het noordoosten en het noorden. Dat idee zal ook de basis vormen van het buitenlands beleid van de latere Lodewijk XIV.


De hugenoten worden door Richelieu verslagen in oktober 1628 bij La Rochelle en bij de daarop volgende vrede van Alès in 1629 mogen zij zich terugtrekken in versterkte woonoorden in het zuiden van Frankrijk en daar hun geloofsovertuiging behouden. In zijn strijd tegen de adel weet Richelieu ’s konings broer Gaston d’Orléans onder de duim te houden en de Staat op alle domeinen een beslissende rol toe te bedelen. De Habsburgers zit hij dwars door steun aan buitenlandse protestanten, waarmee zij in oorlog zijn en door de Zweedse koning Gustaaf-Adolf  financieel te steunen wanneer die de Duitse protestanten steunt in de Dertigjarige Oorlog. Zo kan Frankrijk zich aanvankelijk afzijdig kan houden van dat geweld.


Die Dertigjarige Oorlog woedt sinds 1618, dus al twintig jaar bij de geboorte van Lodewijk XIV. Het is een strijd van de Duitse keizer en de Spaanse koning tegen de protestanten, die vooral in de noordelijke Duitse staten het bestuur in handen hebben en daarbij dus worden gesteund door Zweden.


Wanneer de troepen van de Duitse keizer, versterkt met Spaanse soldaten uit de Spaanse Nederlanden, het Schwabische stadje Nördlingen bezetten, is er de Zweden en de protestanten alles aan gelegen om die plaats terug in handen te krijgen, vooral om emotionele redenen. Hoewel Frankrijk officieel nog niet in deze oorlog is betrokken, krijgen zij daarbij wel steun van Franse eenheden. Maar de slag op 5 en 6 september 1634 bij Nördlingen verliezen de Zweden en de protestanten.


De Fransen raken betrokken bij de Dertigjarige Oorlog als de Spanjaarden op 15 augustus 1636 het stadje Corbie innemen, 15 km van Amiens in Picardië, en daardoor zelfs Parijs bedreigen. Na een beleg van drie maanden worden ze verjaagd. Daarna belegert hertog Bernhard von Sachsen-Weimar – een door Frankrijk financieel gesteunde Duitse legeraanvoerder – het stadje (Alt-)Breisach op de rechter Rijnoever, een versterking van het Duitse Rijk. De inwoners houden het ondanks honger maanden vol, gevangenen eten zelfs bezweken collega’s op, zo erg is het met de voedselvoorziening in Breisach gesteld. Uiteindelijk geeft het stadje zich op 7 december 1638 over. Na de dood van Bernhard in  Neuburg op 19 juli 1639 ziet Richelieu kans om de leider van diens legertroep, commandant Erlach, over te halen Breisach aan Frankrijk af te staan, iets wat Bernhard zelf geweigerd had.

Op 9 augustus 1640 neemt Richelieu de stad Arras (Atrecht) in, die op dat ogenblik tot het grondgebied van de Spaanse Nederlanden behoort. Hij legt daarmee de basis voor een latere fortengordel die de grens met de Spaanse Nederlanden moet verdedigen. Bij de inname van Arras wordt de bekende toneelschrijver en duellist Cyrano de Bergerac gewond door een sabelslag in de nek.


Daarna is het de beurt aan de Spaans-Franse grens, waarbij Richelieu gebruik kan maken van een rebellie in Catalonië, een vorstendom dat zich dan nog een eind uitstrekt in het huidige Frankrijk. De Catalanen zijn al een tijd niet gelukkig met het bewind van hun Spaanse vorst Felipe IV (Filips IV) en wanneer er een incident plaatsvindt tijdens de Corpus Christi processie van 7 juni 1640, die wordt bijgewoond door een groot aantal seizoenarbeiders, breekt er een heuse volksopstand uit in Barcelona. Op 17 januari 1641 roept Pau Clavis er de Republiek Catalonië uit, maar hij sluit meteen een verdrag met de Franse koning Lodewijk XIII, die als graaf van Barcelona wordt erkend, waardoor hij de soevereiniteit over Catalonië krijgt. Een buitenkans voor de Franse politiek om de grens tot aan de Pyreneeën te verleggen. Felipe trekt echter met een leger op tegen de stad Tarragona en laat daar zijn soldaten hard optreden. Een Frans leger weet hem te stoppen en op 9 september 1642 wordt slag geleverd om de stad Perpignan – dan nog Spaans – die eindigt met de overgave van het Spaanse garnizoen in die stad, waarbij blijkt dat er nog slechts 500 overlevenden zijn. Zo komt Catalonië een tijdlang onder Frans bestuur, waarbij later het noordelijke deel voorgoed bij Frankrijk wordt gevoegd. Enkele maanden nadien overlijdt Richelieu op 4 december 1642 en koning Lodewijk XIII het jaar daarop op 14 mei 1643. Louis de Bourbon wordt zijn opvolger als Lodewijk XIV, hij is dan nog geen tien dagen tevoren 5 jaar geworden.


Maar een vijfjarig kind laten regeren, daar kan uiteraard geen sprake van zijn en dus wordt na de dood van Lodewijk XIII zijn vrouw regentes voor de toekomstige koning Lodewijk XIV. Zij laat zich omringen door mensen die kardinaal Richelieu reeds rond zich heeft verzameld, waaronder de Siciliaan Jules Guilio Mazarini, vanaf 1635 aan het Franse hof als pauselijk nuntius, die zich in 1639 tot Fransman laat naturaliseren en in 1641 door paus Urbanus VIII tot kardinaal wordt gewijd. Na de dood van Richelieu in 1642 en Lodewijk XIII het jaar daarop, krijgt Mazarin – zoals voortaan zijn achternaam luidt – een enorme invloed op de Franse politiek. Die ontleent hij aan zijn goede relatie met koningin-moeder Anna van Oostenrijk, met wie hij naar verluidt een geheim huwelijk sluit. Mazarin omringt zich met kundige medestanders. Zo zal Jean-Baptist Colbert, zoon van een lakenkoopman uit Reims, de Franse economie onder handen nemen. Michel Le Tellier wordt vanaf 1643 de man die het koninklijke Franse leger gaat opbouwen.


Intussen duurt de Dertigjarige Oorlog voort. De Spanjaarden vallen vanuit de Spaanse Nederlanden Frankrijk binnen. Nabij Rocroi, een Franse gemeente op ongeveer 6 km van de Franse grens met de huidige Belgische provincie Henegouwen, vindt op 18 en 19 mei 1643 een veldslag plaats waarbij de beruchte Spaanse troepen vernietigend worden verslagen door de Fransen, die geleid worden door de 21-jarige generaal Lodewijk II de Bourbon, prins van Condé, een familielid van de koning. Deze generaal zal later bekendstaan als ‘le Grand Condé’. Hij behaalt nog enkele overwinningen op de Spanjaarden, wat meehelpt om de Dertigjarige Oorlog te beëindigen met de Vrede van Westfalen in 1648.


De Vrede van Westfalen is een in feite een hele reeks verdragen tussen de partijen van de Dertigjarige Oorlog, gesloten tussen mei en oktober 1648. Zo wordt op 15 mei 1648 de Vrede van Münster gesloten tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en Spanje, dat voor hen meteen het einde betekent van de Tachtigjarige Oorlog, die begon met de opstand van de lokale adel in de Nederlanden tegen het Spaanse bewind van koning Felipe II (Filips II). Op 24 oktober 1648 volgen het Verdrag van Münster tussen het Duitse Keizerrijk en Frankrijk en het Verdrag van Osnabrück tussen het Duitse Keizerrijk en Zweden. Frankrijk krijgt daarbij de Elzas in bezit en drie prinsdommen binnen het hertogdom Lotharingen – Metz, Toul en Verdun -, die eigenlijk reeds vanaf 1552 door de Fransen werden bezet. Er wordt geen vredesverdrag gesloten tussen Frankrijk en Spanje, dus tussen die landen duurt de oorlog voort. Dat is ook de bedoeling van Mazarin, die Frankrijk wil uitbreiden tot de natuurlijke grenzen Rijn, Alpen en Pyreneeën. Vandaag strekt Frankrijk zich inderdaad voor een groot deel tot die grenzen uit, enkel in het noorden en noordoosten is de Rijn een onbereikbare grens gebleven. Maar in de dagen van Mazarin was het Franse grondgebied een stuk kleiner.


Mazarin moet de kosten van de Dertigjarige Oorlog via een belastingverhoging compenseren. De adel weigert die zware belastingen te betalen, zich daarbij beroepend op oude vrijheden en privileges. Daardoor wordt nu de burgerij extra zwaar belast. Als in mei 1648 de gerechtelijke officieren van het Parlement van Parijs – geen volksvertegenwoordiging zoals onze 21ste-eeuwse parlementen, maar een rechtscollege – weigeren om een speciale belasting te betalen en een vergadering van adellijke Parijse families bijeenroepen, laat Mazarin de leiders van het parlement in augustus 1648 plots arresteren. Daarop komen de Parijzenaars in opstand, barricaderen straten en gooien de ruiten van Mazarins aanhangers in met stenen die ze met slingers lanceren. Het Franse woord ‘fronde’ voor zo’n slinger wordt de geuzennaam van een verzetsbeweging tegen Mazarin en het koninklijk hof.  Omdat de partij van de koning niet over een eigen legermacht beschikt in Parijs, ontvlucht het hof de hoofdstad in de nacht van 22 oktober 1648. Maar als twee dagen later het Verdrag van Münster wordt ondertekend, kunnen de Franse troepen terugkeren van de grenzen en in januari 1649 bezet generaal Condé Parijs, wat uiteindelijk tot vrede tussen beide ruziënde partijen leidt.

  

Mazarin omringt zich vooral met burgers als medewerkers en niet met adellijke prinsen.  Hij weigert om Condé  - zelf zo’n prins, voluit Louis II de Bourbon, 4de prins van Condé - als hoogste legerleider te benoemen. Dat scherpt het ongenoegen aan bij een aantal prinsen en edelen. Naast Condé zelf zijn de voornaamste de al eerder genoemde Gaston van Orléans, de oom van Lodewijk XIV, diens broer Armand de Bourbon, prins van Conti (zeg maar Conti), Henri de la Tour d’Auvergne, burggraaf van Turenne (bekend als Turenne), Condés zus MadameAnne Geneviève de Bourbon-Condé, hertogin van Longueville (korter gezegd: Longueville) en Mademoiselle Anne Marie de Lorraine, hertogin van Montpensier, de dochter van Gaston d’Orléans  (bekend als La Grande Mademoiselle).


Op 14 januari 1650 laat kardinaal Mazarin plotseling Condé, Conti en Longueville arresteren. Dat wordt het startsein van een effectieve rebellie, waarbij de prinsen en hun aanhangers zich voortaan ook de Fronde gaan noemen en met huurtroepen en Franse vrijwilligers Franse steden gaan aanvallen en innemen. Zij verbinden zich daarbij soms met Spaanse troepen, die vanuit de Spaanse Nederlanden Frans gebied binnenvallen. Mazarin bestrijdt hen met troepen die trouw aan de koning zijn gebleven, de koninklijken. Turenne probeert de in Vincennes gevangen gehouden Fronde-leden te bevrijden, wat wordt verhinderd door de koningsgezinde generaal César de Choiseul du Plessis-Praslin, de man naar wie later de Belgische praline is vernoemd, omdat zijn kok daarvoor de basis zou hebben gelegd. Wanneer Turenne samen met Spaanse troepen de Champagnestreek binnenvalt, wordt hij in de slag bij Rethel op 15 december 1650 verslagen. Niettemin worden Condé en de andere gevangenen in februari 1651 vrijgelaten, maar Turenne houdt de strijd van de Fronde voor bekeken en verzoent zich in mei van dat jaar met de jonge Lodewijk XIV en Mazarin. Voortaan zal hij aan hun zijde strijden, wat ertoe leidt dat hij nu de grote tegenstander van Condé wordt.


Turenne weet op 2 juli 1652 het leger van Condé in te sluiten in de Parijse voorstad Faubourg Saint-Antoine, terwijl de stadspoorten van de hoofdstad gesloten blijven. La Grande Mademoiselle weet echter de Parijzenaars over te halen alsnog de poorten te openen en in de hoofdstad formeren de opstandelingen een eigen regering. Mazarin verlaat tijdelijk Parijs, maar het volk is al die ruziënde prinsen intussen meer dan beu, zodat het op 21 oktober 1652 de koning toelaat om Parijs binnen te komen. Daarop vlucht Condé naar Brussel, loopt over naar de Spaanse kant en gaat vanuit de Spaanse Nederlanden met Spaanse troepen Frankrijk binnenvallen. Daarmee eindigt in feite de periode van de Fonde, die nu overgaat in een oorlog tussen Spanje en Frankrijk.


Condé behaalt een overwinning bij de inname van Valenciennes in 1656, maar verliest van Turenne in de slag in de Duinen van 14 juni 1658 bij Duinkerke, waarbij aan Franse zijde ook Engelse troepen meestrijden en waarbij Engeland een tijdlang Duinkerke in bezit krijgt.


Wanneer Mazarin uiteindelijk op 7 november 1659 met Spanje het Verdrag van de Pyreneeën sluit, eindigt de oorlog tussen beide landen. Frankrijk krijgt daarbij Roussillon – het stuk Catalonië aan de Franse zijde van de Pyreneeën, waardoor het ideaal van een natuurlijke zuidgrens gerealiseerd wordt -, Artois en Zuid-Henegouwen in het noorden, tot dan toe Spaans gebied als deel van de Spaanse Nederlanden. Het verdrag wordt gesloten op het Île de la Conférence midden in de rivier de Bidasoa tussen Spaans en Frans Baskenland, een eilandje dat tot vandaag bij toerbeurt wordt bestuurd door beide landen. Bovendien wordt er op 9 juni 1660 een huwelijk gesloten tussen koning Lodewijk XIV en Maria Thérésia van Spanje, de dochter en infante (kroonprinses) van de Spaanse koning Felipe IV. Spanje zal aan Lodewijk een bruidsschat betalen van 500.000 gouden ecu’s, waarvoor Maria Thérésia afstand zal doen van haar rechten op de Spaanse troon. Dat laatste zal tot een nieuwe oorlog leiden, maar na het sluiten van deze vrede vraagt Condé aan Lodewijk XIV hem vergiffenis te schenken. Hij zal net als Turenne voortaan een trouwe dienaar van de koning zijn.    


Wanneer Mazarin op 9 maart 1661 in Vincennes overlijdt, kan de nu 22-jarige Lodewijk XIV eindelijk de bij zijn koningschap horende macht gaan uitoefenen. En hij heeft gezien tot wat het delen van die macht met de adel leidt, namelijk anarchie, de jaren van de Fronde. Dat draagt bij tot Lodewijks streven naar een absoluut koningschap en de man zal als de Zonnekoning de geschiedenis in gaan.

 

Het Franse volk is de jonge, knappe Lodewijk gunstig gezind, hij is een man die imponeert door een natuurlijke majesteit uit te stralen en passioneel verliefd op glorie, de Franse gloire. De nieuwe koning weet het verlangen naar binnenlandse vrede en een stabiel bestuur voortreffelijk uit te buiten en steunt zijn absolutisme op de aloude Carpetingse theorie van het goddelijke recht dat koningen hebben om hun land te besturen. (De Carpetingen zijn het eerste koninklijke Franse geslacht, veel latere koningen beroepen zich op afstamming daarvan om zich zo als vorst te legitimeren.)

In feite pleegt Lodewijk XIV in september 1661 een soort staatsgreep, waarbij hij Nicolas Fouquet, een door Mazarin in 1653 tot minister van Financiën benoemde Parijse rederszoon, laat arresteren. Fouquet weet weliswaar op korte termijn de bij zijn aantreden lege Franse schatkist opnieuw te vullen, maar heeft zich in enkele jaren zoveel macht toegeëigend en financiële middelen verschaft, dat hij een eigen kasteel heeft kunnen laten bouwen, waar hij er een complete hofhouding van letterkundigen en kunstenaars op nahoudt. Het lijkt daardoor of hij wil wedijveren met de Franse koning zelf en het is minister van Economie Colbert die Lodewijk op dat gevaar heeft gewezen en zo de ondergang heeft bewerkstelligt van Fouquet, die de rest van zijn leven als gevangene in de vesting van Pignerol mag doorbrengen na een driejarig proces, waarbij de koning heeft laten zien dat hij niet veel opheeft met het gerecht.

Lodewijk kiest zijn naaste medewerkers uit de burgerij. Hij neemt Jean-Baptist Colbert, Michel Le Tellier, diens zoon François Louvois en Hugues de Lionne goeddeels over van Mazarin als respectievelijk de man die Frankrijk er economisch bovenop helpt, de vader en de zoon die ervoor zorgen dat het Franse leger het machtigste staatsleger van Europa wordt sinds het Romeinse Rijk en de man die als minister van buitenlandse zaken de Franse diplomatie dirigeert. Lodewijk laat meteen deze burgers goed beseffen, dat zij zonder hem niets te betekenen hebben, juist omdat ze niet van adel zijn.

Vrouwen spelen een ietwat andere rol in Lodewijks leven. Hoewel gehuwd met Marie Thérésia van Spanje, knoopt hij al vlug relaties aan met dames die officieel als zijn minnares te boek staan. Dat begint reeds in 1661 met Mademoiselle de La Vallière en zal een hoogtepunt bereiken na 1677 met Madame de Maintenon, een weduwe die als opvoedster van Lodewijks bastaardkinderen in 1669 in het hofleven wordt opgenomen.

Om geen problemen met de adel te krijgen, maar die ook meteen machteloos te maken, worden deze edelen ofwel als legeraanvoerder ten oorlog gestuurd, ofwel aan het hof verbonden, waar ze zich ruïneren met de kosten voor de talrijke feesten, die hen tegelijkertijd weg houden van het volk, zodat ze daar geen steun van kunnen verwachten bij eventueel verzet tegen de koning.

Het land wordt staatkundig gereorganiseerd, waarbij locale besturen hun macht verliezen aan hoge ambtenaren, die rechtstreeks onder controle van de koning staan.   

In 1662 probeert Lodewijk XIV om een verbond te sluiten met de Republiek der Verenigde Nederlanden om de Spaanse Nederlanden te verdelen in een Frans en een Staats (van de Republiek) gedeelte, van elkaar gescheiden door een grenslijn tussen Oostende en Maastricht. Maar Johan de Witt, raadspensionaris van de Republiek, vertrouwt Lodewijk XIV niet, hij weet dat Frankrijk uiteindelijk de Rijn als grens wil hebben en ziet daarom liever een bufferstaat tussen de Republiek en het Franse koninkrijk. Bovendien ziet men in Holland niet graag dat zeehaven Antwerpen een concurrent van Rotterdam kan worden als die stad binnen het gebied van de Republiek komt te liggen.

Lodewijk heeft echter nog een andere oplossing achter de hand. Mazarin had bij het sluiten van de Verdrag van de Pyreneeën al voorzien dat Spanje de bruidsschat van 500.000 gouden écu’s nooit zou kunnen betalen, waardoor de rechten van Maria Thérésia – Lodewijks vrouw - op de Spaanse troon ook niet vervallen. De Spaanse koning Felipe IV begrijpt dat echter ook en sluit gauw nog een tweede huwelijk, waaruit inderdaad een kind voortspruit op 6 november 1661, Carlos, de latere Carlos II (Karel II). Het is wel een zwak kind en ook geestelijk minder begaafd, maar het is wél een erfgenaam. Wanneer Felipe op 17 september 1665 sterft volgt de dan nog geen 4-jarig Kareltje hem op, wat in de praktijk betekent dat zijn moeder aartshertogin Maria Anna van Oostenrijk, dochter van de Oostenrijkse keizer Ferdinand III, regentes wordt. In mei 1667 claimt Lodewijk XIV echter het erfrecht voor zijn vrouw Maria Thérésia. Hij steunt zich daarvoor op het in Vlaanderen en Brabant geldende devolutierecht, waarbij het oudste kind voorrang heeft. Juist doordat dit recht van toepassing is in een flink deel van de Spaanse Nederlanden, wil de Franse koning dat die hem toekomen. Natuurlijk geeft Spanje niet zomaar toe en dat leidt tot de Devolutieoorlog, die van  8 mei 1667 tot 2 mei 1668 zal duren.


Frankrijk gaat dus tot de aanval over. Turenne neemt op 2 juni 1667 Charleroi in, op 6 juni Ath, in de nacht van 20 op 21 juni geeft Doornik zich gewonnen, Namen op 30 juni, Douai volgt op 23 juli en uiteindelijk valt ook Lille (Rijsel) op 27 augustus 1667. Tezelfdertijd valt een ander Frans leger westelijker de Spaanse Nederlanden binnen, waar eerst Sint-Winoksbergen (nu Bergues) wordt overrompeld, daarna Veurne op 12 juni 1667, Kortrijk op 18 juli en Oudenaarde nog in dezelfde maand, waarna op 2 augustus Aalst nog volgt. Alleen Dendermonde kan stand houden tegen de Franse stormloop doordat hier een troepenmacht van 2500 Spanjaarden is samengetrokken. Maar over het algemeen zijn de Spaanse Nederlanden op dat ogenblik zwak verdedigd, omdat Felipe IV zich de laatste jaren van zijn leven vooral op de – mislukte – herovering van Portugal heeft geconcentreerd.

In februari 1668 krijgt Condé het bevel om Franche-Comté in te nemen. Wat nu een deel van Frankrijk is, behoort in die dagen nog tot de Spaanse Nederlanden via Filips van Bourgondië (Filips de Goede), die dat gebied heeft ingebracht. In feite heeft Franche-Comté tot de verovering zelfbestuur onder Spaans toezicht genoten.

De Devolutieoorlog eindigt op 2 mei 1668 met de Vrede van Aken, waarbij Frankrijk gedeelten van Vlaanderen en Henegouwen krijgt, die voorheen tot de Spaanse Nederlanden behoorden. Daarbinnen liggen de steden Veurne, Kortrijk, Menen, Sint-Winoksbergen (Bergues), Armentieres, Lille (Rijsel), Douai, Tournai (Doornik) en Ath. Franche-Comté gaat echter terug naar Spanje.      

Lodewijk wil nog steeds het Franse gebied verder uitbreiden naar het noorden, maar sluit nu eerst allerlei verbonden en begint alvast met in april 1670 Lotharingen te bezetten, waarbij de hertog van Lotharingen naar Duitsland vlucht. In juni van dat jaar sluit hij met koning Charles II (Karel II) van Engeland en Schotland het Verdrag van Dover, waarbij afgesproken wordt dat Charles, die binnenlands wat problemen heeft met het Engelse parlement, financieel gesteund zal worden door Frankrijk, waarmee hij een bondgenoot van Lodewijk XIV wordt.

Omdat men Lodewijk niet echt vertrouwd en zijn aspiraties kent, sluit de Republiek der Verenigde Nederlanden in december 1671 een verbond met Carlos II van Spanje. Lodewijk verbindt zich in januari 1672 met Münster en Keulen en in april van datzelfde jaar sluit hij een verbond met Zweden. Daardoor wordt de Republiek als het ware door Frankrijk en diens bondgenoten omsingeld. Men beseft daar dat een sterke man nodig is die de verdediging van de Verenigde Nederlanden kan leiden en maakt in februari 1672 een einde aan het eerste stadhouderloze tijdperk door Willem III van Oranje-Nassau tot stadhouder en opperbevelhebber van de strijdkrachten te benoemen en bovendien wordt in mei 1672 een verbond gesloten met Brandenburg-Pruisen.

De Engelse vloot valt in maart 1672 een ‘Staatse’ vloot (van de Republiek) aan en verklaart enige dagen nadien op 27 maart 1672 de oorlog aan de Republiek, want dat heeft Charles II afgesproken met Lodewijk XIV, die ook Franse schepen stuurt. Admiraal Michiel de Ruyter valt met de Staatse vloot in mei 1672 voor Solebay aan de Engelse oostkust de Engels-Franse vloot aan. Door zich meteen nadien met zijn kleinere schepen terug te trekken tussen zandbanken voor de Scheldemonding, weet De Ruyter de zwaardere schepen van zijn tegenstanders te ontlopen.

Lodewijk XIV valt intussen in april 1672 de Republiek binnen via het prinsbisdom Luik langs de Maas. Daarmee begint de Hollandse Oorlog, die van 1672 tot 1678 zal duren. De Franse koning passeert Maastricht en neemt Kleef in, steekt in juni de Rijn over bij Lobith. Zijn bondgenoot Bernhard von Galen, prinsbisschop van Münster, bezet Overijssel en Drenthe en slaat het beleg voor Groningen, dat echter niet ingenomen kan worden. De Fransen zetten hun opmars met een reusachtige troepenmacht van 120.000 manschappen verder en bezetten de stad Utrecht in midden-Nederland. Nu brengt Holland zijn ultieme verdedigingsmiddel in stelling, de waterlinie, een strook langs de grenzen van de staat Holland die onder water gezet kan worden. Vanaf juni 1672 wordt daaraan gewerkt. In augustus 1672 mengt de Duitse keizer zich in de strijd, waardoor Lodewijk een deel van zijn troepen oostwaarts moet sturen en met de rest van zijn leger blijft afwachten wat de Republiek zal doen. In maart 1673 is het Engelse parlement zo sterk geworden, dat koning Charles II zijn bondgenootschap met Frankrijk moet opgeven.

Lodewijk is stilaan het wachten in Utrecht beu en de Fransen trekken zuidwaarts. Van mei tot juni 1673 plunderen de Franse troepen Brabant en Vlaanderen. Ze slaan van 13 juni tot 26 juni 1673 het beleg voor Maastricht. In slechts dertien dagen wordt Maastricht veroverd. Bij deze belegering komt d’Artagnan om, vereeuwigd als een van de drie musketiers in de romans van Alexandre Dumas.

Maar als stadhouder Willem III van Oranje in november 1673 de Franse krijgsvoorraden die bij Bonn zijn opgeslagen verovert, ziet Lodewijk zich verplicht om terug te trekken.

Nu bedreigen de Duitse keizer en Brandenburg-Pruisen de Fransen bij de Elzas. Turenne valt in mei-juni 1674 Franche-Comté binnen, steekt de Rijn over, verslaat op 16 juni 1674 de Duitse keizer bij Sinsheim en brandschat de Pfaltz (de Palts), waarop Brandenburg en de keizer in augustus 1674 de Elzas binnenvallen. Willem III van Oranje trekt vanuit het zuiden van de Republiek richting Frankrijk, maar wordt op 11 augustus 1674 door Condé tegengehouden bij Seneffe (2 km ten noorden van La Louvière).

Lodewijk XIV probeert nu de druk op Frankrijk te verminderen door enkele afleidingsmanoeuvres. Zo steunt hij in 1674 een Siciliaanse opstand tegen Spanje, dat dit koninkrijk-eiland in bezit heeft. Turenne drijft Brandenburg en de Duitse keizer terug bij Turckheim op 5 januari 1675, maar sneuvelt zelf op 27 juli 1675 bij een treffen met de Duitse keizer bij Sasbach in Baden. Condé slaat de keizerlijke troepen terug in de Elzas, maar verliest de stad Trier en Philippsburg (beide in Duitsland, maar bezet door de Fransen) in augustus en september 1675. Lodewijk XIV vraagt nu aan Zweden om Duitsland binnen te vallen, waardoor Brandenburg zich moet terugtrekken uit de Elzas om de Zweden te bestrijden. Het onoverwinnelijk geachte Zweedse leger leidt daarbij een nederlaag. Maar vanaf 1677 weet Zweden, dat intussen door diverse staten wordt bedreigt, zich goed te weren en zijn territorium te vrijwaren.

Lodewijk houdt zich bezig met het vernietigen van de industrie in de Spaanse Nederlanden. De Franse passen daarbij de tactiek van de verschroeide aarde toe, zoveel mogelijk platbranden. Dat past in de economische politiek van Colbert, die zoveel mogelijk de Franse industrie opbouwt door het oprichten van grote bedrijven, het binnenhalen van buitenlanders met kennis van nieuwe technieken en het heffen van invoerrechten op buitenlandse producten met als doel de buitenlandse concurrentie te vernietigen.

Van 28 februari tot 17  maart 1677 wordt Valenciennes belegerd en ingenomen, van 28 maart tot 17 april belegeren de Fransen Cambrai (Kamerijk) en nemen die  stad ook in. Beide steden liggen dan nog in het gedeelte van Henegouwen dat in Spaans bezit is.

Door het huwelijk in 1677 van Willem III van Oranje-Nassau met Mary Stuart, een nicht van de Engelse koning Charles II en door hem tot deze trouwerij gedwongen, wordt Engeland met Nederland verbonden. Engeland herinnert zich de raid die Michiel de Ruyter tot op de Theems heeft gebracht en wil een dergelijke bedreiging van Londen in de toekomst voorkomen, wat betekent dat de mondingen van Schelde, Maas en Rijn niet in vijandelijke handen mogen komen, waarmee Lodewijks streven naar de Rijn als noordelijke Franse grens onmogelijk wordt.

Lodewijk XIV neemt in maart 1678 Gent en Ieper in en kan op 10 augustus 1678 de Vrede van Nijmegen sluiten. Vreemd genoeg gaat de strijd nog even door tot 14 augustus, omdat het bericht over deze vrede niet eerder Mons (Bergen) bereikt, waar in het nabije dorpje Saint-Denis juist een slag woedt tussen Willem III en de Franse maarschalk François de Luxembourg. Op 14 augustus stopt dan ook het beleg van de stad Mons, dat maarschalk Luxembourg was begonnen. Lodewijk krijgt bij deze vrede de Vlaamse gebieden rond Sint-Omaars (Saint-Omer), Arras (Atrecht) en Maubeuge, Lotharingen blijft bezet door de Fransen, maar Maastricht moet hij opgeven en ook het gebied van Kortrijk tot Ath. Tussen Spanje en Frankrijk wordt de vrede pas op 17 september 1678 getekend, waarbij Lodewijk nu definitief Franche-Comté krijgt.

De wil om Frankrijks grenzen te verruimen blijft aanwezig en leidt tot een politiek van ‘reunions’, waarbij gebieden worden geannexeerd op twijfelachtige gronden. Zo gaat Lodewijk XIV in 1681 tot de annexering van Strasbourg en in 1684 neemt Vauban in minder dan een maand de als vrijwel onneembaar bekend staande vesting Luxemburg in. En verder worden nog een tiental andere frontsteden ingelijfd bij Frankrijk.

Op 15 augustus 1684 wordt in de dominicanerabdij van de Beierse stad Regensburg het Verdrag van Regensburg gesloten tussen Lodewijk XIV van Frankrijk, keizer Leopold I van het Heilige Roomse (Duitse) Rijk en koning Carlos II van Spanje. Daarbij wordt afgesproken dat Frankrijk gedurende twintig jaar Strasbourg en Luxemburg mag behouden. Het is dus vooral een soort wapenstilstand, bedoeld om twintig jaar lang Frankrijk binnen zijn grenzen te houden.

Maar Lodewijk heeft nog wat achter de hand. Wanneer keurvorst Karl Ludwig I van de Pfaltz, een Duits vorstendom tussen Frankrijk en de westzijde van de Rijn, na de Dertigjarige Oorlog zijn verwoeste gebied er weer bovenop wil helpen, sluit hij in 1657 een vriendschaps- en subsidieverdrag met Frankrijk, dat hij in 1663 vernieuwt om financieel overeind te blijven. Bovendien laat hij zijn dochter Liselotte von der Pfaltz trouwen met hertog Philippe d’Orléans, de broer van Lodewijk XIV. Daar ziet de Franse koning meteen het voordeel van in, want haar broer Karl, opvolger van Karl Ludwig, lijkt niet zo’n stevige figuur. Wanneer Karl I Ludwig in 1680 sterft, vallen de Fransen al meteen de streek Germersheim binnen, een deel van de Pfaltz. Zoon Karl II komt ijlings terug van een verblijf in Engeland en volgt zijn vader op, maar laat het dagelijks bestuur van het keurvorstendom aan zijn adviseur over. Om Lodewijk tegen te houden, wordt ook Germersheim in 1682 voor twintig jaar aan Frankrijk verpand.

In mei van dat jaar 1682 is het hof van Lodewijk XIV vanuit Parijs naar het nieuwe paleis van Versailles verhuisd. De Franse koning organiseert daar het hof op Spaanse wijze, als een symbool van de voortreffelijkheid van zijn macht. Intussen heeft de koning zich ook tot hoofd van de Franse Kerk uitgeroepen en daarmee uiteraard een conflict veroorzaakt met Rome. In 1682 verplicht hij de Franse geestelijken om in de Quatre Articles (Vier Artikelen) de vrijheid van de Gallische Kerk te verkondigen. Lodewijk kan zelfs geen geestelijke partijen buiten zijn controle toelaten en zal op 18 oktober 1685 het Edict van Nantes herroepen, dat aan de hugenoten - Franse protestanten- een zekere vrijheid van geloofsbelijdenis toestond. Die herroeping schept wel een band tussen Frankrijk en enkele Duitse staten die ook het katholicisme aanhangen en daardoor later bondgenoten van Lodewijk worden.

Lodewijk XIV heeft op gebied van kunsten een positieve invloed. De kunsten worden dan ook door staatsmecenaat gesteund, waarbij ook nieuwe academies worden opgericht. Dat leidt dan ook tot de bloei van het Franse theater met Molière en Racine, de muziek met Lully en de architectuur met Claude Perrault, François Mansart en Jules Hardouin-Masart, de man die Les Invalides in Parijs en het paleis van Versailles ontwerpt.

Wanneer in 1683 zijn wettige echtgenote Marie Thérésia van Spanje overlijdt, sluit Lodewijk XIV in 1684 een geheim huwelijk met Françoise d’Aubigné, markiezin van Maintenon, ofwel Madame de Maintenon. Haar waardigheid, ernstige gesprekken en vroomheid hebben een toenemende invloed op de koning gekregen en zij wordt dan ook zijn favoriete na het in ongenade vallen van Madame de Montespan in 1677. Dat geeft een heel andere sfeer aan het hof, waar nu alles plots veel ernstiger toegaat. Maar haar politieke invloed blijft beperkt. Zij is zeer begaan met pedagogie en sticht dan ook in 1686 het Huis van Saint-Cyr, bestemd om arme adellijke meisjes een goede opvoeding te geven.   

Wanneer Karl II von der Pfalz reeds op zijn 34ste sterft in Heidelberg op 16 mei 1685, grijpt Lodewijk XIV dat gebeuren aan om de erfaanspraken van Liselotte von der Pfaltz/d’Orléans naar voren te schuiven. Maar Karl II wordt door een ander familielid opgevolgd, dat het keurvorstendom meteen laat aansluiten bij de Liga van Augsburg. Dat is een verbond dat de Duitse keizer Leopold I in 1686 in het leven roept, juist om het streven van de Franse koning naar gebiedsuitbreiding in te tomen. Ook Spanje dat zich door Lodewijk bedreigd voelt, sluit zich daarbij aan. Om de band met Spanje te verstevigen, zal Leopold zijn dochter Maria later laten trouwen met de Spaanse koning Carlos II. Ondanks het Verdrag van Regensburg dat ze amper twee jaar eerder met Lodewijk sloten, voelen beide staten zich allesbehalve veilig tegenover Frankrijk – en terecht, naar spoedig zal blijken.

Wanneer zijn erfaanspraken worden afgewezen, laat Lodewijk XIV in 1688 zijn legers de Pfaltz binnenvallen en begint de Negenjarige Oorlog, ook wel de Pfälzischen Erbfolgekrieg of Orléans Oorlog genoemd, die dus zal duren tot 1697.

De Franse troepen bezetten op 24 september 1688 de stad Keulen, op 19 oktober de stad Mainz en nemen op 29 oktober Philippsburg in op de oostelijke Rijnoever tussen Speyer en Karlsruhe, om tenslotte van eind oktober tot november het beleg te slaan voor de stad Koblenz, die ze echter niet kunnen veroveren. Maar daarmee beheerst Frankrijk wel een flink deel van de Rijn. Nu sluiten de Noord-Duitse keurvorsten zich aan bij de Liga van Augsburg.

Ook in 1688 heft de Engelse koning James II de Test Act op, die belet dat katholieken in hoge ambten benoemd kunnen worden. Bovendien krijgt hij in juni van dat jaar een zoon, die zoals zijn vader katholiek is, waardoor de oudere protestantse dochter Mary Stuart niet langer haar vader kan opvolgen. De Engelse protestanten richten zich daarom tot Mary’s echtgenoot, stadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden, Willem III van Oranje-Nassau, en nodigen hem uit om de macht in Engeland over te nemen. Hij landt in november 1688 op de Engelse kust, waarna het leger zijn kant kiest en het parlement koning James afzet. Die vlucht in december naar Frankrijk, waarna Willem de Engelse kroon aanneemt in april 1689. Daarmee verenigt hij het koningschap over Engeland, Schotland en Ierland met het stadhouderschap over de Republiek, een zogenoemde personele unie. Hij laat zijn gebieden op 12 mei 1689 aansluiten bij de Liga van Augsburg, zodat Lodewijk XIV nu een sterk verbond tegenover zich krijgt. Maar dat belet de Franse koning niet op diverse fronten tegelijk oorlog te gaan voeren. Zo trekken Franse troepen in mei 1689 Catalonië binnen, waar ze tot Gerona doorstoten. Wel moeten de Franse troepen de Pfaltz ontruimen, maar daarbij verwoesten ze het gebied. In augustus valt Lodewijk de Spaanse Nederlanden binnen, maar een gecombineerd leger van Spanje, Engeland, de Republiek en de Duitse keizer slaat de Fransen nog in diezelfde maand terug bij het Henegouwse stadje Walcourt, niet zo ver ten zuiden van Charleroi. En vanaf dan keert het tij voor Lodewijk XIV. Op 10 september leiden de Fransen een nederlaag tegen het leger van de Duitse keizer en precies een maand later, op 10 oktober, moeten ze zich bij Bonn opnieuw gewonnen geven. Daarmee worden de Franse troepen verdreven uit Kaiserswerth, Mainz en Bonn.

Het jaar 1690 verloopt dan weer voorspoediger voor de Fransen. Op 1 juli wint maarschalk Luxembourg de slag bij Fleurus (nu een voorstad van Charleroi), waarna Lodewijk zijn uitstekende maarschalk naar de Pfaltz stuurt.

In het zuidoosten grenst het zelfstandige hertogdom Savoye aan Frankrijk, waarvan de hertogen het zwaartepunt hebben verplaatst naar Turijn in Piëmont, hoewel ook Genève tot hun rijk behoort. Lodewijk XIV opent nu ook een front met dat land en op 18 augustus 1690 weet maarschalk Nicolas Catinat hertog Victor Amadeus II van Savoye te verslaan bij Staffarda (dorpje tussen Pignerolo en Saluzza ten zuidwesten van Turijn), waarop Catinat op 25 maart 1691 Nizza verovert, zoals de Rivièrastad die wij als Nice kennen dan nog heet. Het directe gevolg is dat Victor Amadeus zich nu ook aansluit bij de Liga van Augsburg. Dat heeft tot gevolg dat veldmaarschalk prins Eugenius van Savoye als aanvoerder van de Habsburgse keizerlijke troepen de Fransen in juni 1691 dwingt om het beleg van Cuneo op te geven.

Intussen heeft Willem III een Republikeins leger van 220.000 man op de been gebracht in maart 1691, waarmee hij de Spaanse Nederlanden in trekt. Maar de achterhoede van die grote alliantie wordt in september van dat jaar door de Fransen verslagen bij Leuze, zo’n 10 km van Namen. Koning-stadhouder Willem III wordt nogmaals verslagen door maarschalk Luxembourg op 3 augustus 1692 in de slag bij Steenkerque, een dorpje tussen Edingen/Enghien en Braine-le-Comte (’s-Gravenbrakel), op 17 september gevolgd door de zege van maarschalk de Lorges op hertog Karl von Württemberg bij Pforzheim, een stadje tussen Karlsruhe en Stuttgart in Baden-Würtemberg. Het gaat dus weer goed vooruit voor de Fransen, op 22 mei 1693 nemen ze de grote Duitse stad Heidelberg in.

Intussen heeft Spanje zijn buik vol van de Spaanse Nederlanden en daarom benoemt koning Carlos II in december 1691 de keurvorst van Beieren, Maximiliaan II von Wittelsbach, tot landvoogd met de bedoeling heel die Spaanse Nederlanden uiteindelijk aan Beieren over te dragen. Maximiliaan heeft sinds 1681 ook reeds het aartsbisdom Keulen in handen en daarmee ook het van dat bisdom afhankelijke prinsbisdom Luik. De Beierse landvoogd stelt in maart 1692 Jan van Brouchoven de Bergeyck aan als regeringsleider over de Spaanse Nederlanden.

Op het front met Spanje verovert maarschalk de Noailles op 9 juni 1693 Rosas in Catalonië. Bovendien verslaat Luxembourg voor de  tweede maal Willem III in de slag bij Neerwinden (nabij Landen), die zich tussen 26 en 29 juni 1693 afspeelt en kan hij in september Charleroi heroveren. Op het Savooise front is het maarschalk Catinat die op 4 oktober bij La Marsaille de troepen prins Eugenius van Savoye verslaat.

In mei 1694 zet de Noailles zijn offensief in Catalonië verder en Vauban weet een aanval van de Engelse vloot in Bretagne af te blokken. Toch loopt de Negenjarige Oorlog stilaan op deze drie fronten vast. De tegenstanders lijken aan elkaar gewaagd, niemand kan een beslissend offensief ontplooien. Lodewijk XIV verliest op 4 januari 1695 nog een bekwame legerleider met het overlijden van François de Luxembourg, terwijl reeds in 1691 zijn minister van Oorlog, markies de Louvois, is gestorven.

Lodewijk laat dan op 14 en 15 augustus 1695 Brussel beschieten door maarschalk de Villeroy, waarbij de Brusselse Grote Markt zwaar getroffen wordt door het Franse artilleriegeschut. Het gebeuren past in Lodewijks tactiek om de gebieden die hij niet permanent in handen kan krijgen zoveel mogelijk te verwoesten, zodat ze economisch uitgeschakeld worden als concurrenten van de Franse industrie en ook geen behoorlijk onderhoud meer kunnen bieden aan vijandelijke troepen. Maar de verwoesting van het Brusselse stadshart heeft ook nog iets anders aangetoond, namelijk het zinloze van de vestingen rond menige stad uit die dagen. Inmiddels is vuurkracht van de artillerie zodanig verbeterd, dat de kanonnen buiten het bereik van de stedelijke verdediging opgesteld kunnen worden en een bombardement kunnen lanceren zonder zelf aangevallen te worden.

Een van de laatste militaire successen van de Negenjarige Oorlog is de herovering van Namen voor de geallieerden in september 1695 door Menno van Coehoorn, de Nederlandse tegenhanger van Vauban. Lodewijk XIV heeft voor al die oorlogen veel geld nodig gehad, dat hij via hoge belastingen bijeen heeft gekregen, maar daardoor is Frankrijk rond 1696 stilaan een geruïneerd land geworden. Ook daarom wordt een vrede dringend nodig.

Op 29 augustus 1696 komt tussen Frankrijk en Savoye de Vrede van Turijn tot stand, waarbij het hertogdom alle door de Fransen veroverde gebieden weer terugkrijgt. Op 20 september 1697 volgt uiteindelijk de Vrede van Rijswijk – een voorstadje van Den Haag – tussen Frankrijk en de overige geallieerden van de Liga van Augsburg. Er is eerst een tijdlang ruzie gemaakt over het binnengaan in het gebouw waar de onderhandelingen plaatsvinden. Geen van beide partijen wil als tweede met de koets door de poort rijden. Uiteindelijk wordt de poort gewoon afgebroken en de oprit verbreed, zodat twee koetsen tegelijk naast elkaar naar binnen kunnen. Wat er daarna uit de bus komt is het volgende: Frankrijk moet zijn veroveringen in de Spaanse Nederlanden, in Catalonië, de Pfaltz en Luxemburg afstaan, moet Lotharingen erkennen als zelfstandig hertogdom, maar kan Strasbourg en de Elzas behouden. Lodewijk XIV moet ook Willem III van Oranje-Nassau als koning van Engeland erkennen. De Republiek der Verenigde Nederlanden mag in de Spaanse Nederlanden vijf barrièreforten aanleggen om daar garnizoenen te kazerneren, die bescherming moeten bieden tegen een eventuele nieuwe aanval van Frankrijk.

Omdat de Spaanse koning Carlos II kinderloos is en geestelijk en lichamelijk gehandicapt, maken de Europese leiders zich zorgen over zijn opvolging. Zij besluiten daarom reeds zelf een regeling daarvoor uit te werken tijdens het Verdrag van Den Haag op 11 oktober 1698, ook het Eerste Partitieverdrag genoemd, omdat het in feite over de verdeling van de Spaanse gebieden gaat. Als erfgenaam van de Spaanse troon wordt de nog zeer jonge Jozef Ferdinand van Beieren voorgesteld. De nog onder Spaans gezag staande koninkrijken Napels, Sicilië en het groothertogdom Toscane zouden toekomen aan Louis de France, als zoon van Lodewijk XIV de dauphin – kroonprins – van Frankrijk. De Duitse keizer Leopold I, tevens aartshertog van Oostenrijk, mag de Spaanse Nederlanden in bezit nemen, terwijl hertog Leopold van Lotharingen zich Milaan mag toeëigenen, in ruil voor het hertogdom Lotharingen en Bar, dat dan naar de Franse kroonprins gaat. Wanneer de 7-jarige Jozef  Ferdinand plots in februari 1699 overlijdt, komt heel dat verdrag op losse schroeven te staan bij gebrek aan opvolger in Spanje.

De staatshoofden sturen nogmaals hun vertegenwoordiger naar een Europese top, nu in Londen, om daar op 25 maart 1700 het Tweede Partitieverdrag, ofwel Verdrag van Londen te sluiten. Ditmaal zal de Spaanse kroon naar aartshertog Leopold I van Oostenrijk gaan en de Spaanse bezittingen in Italië komen opnieuw aan Frankrijk toe. Engeland, Frankrijk en de Republiek der Verenigde Nederlanden ondertekenen het verdrag, maar andere staatshoofden weigeren. De man waarover het in feite gaat, Carlos II van Spanje, tekent niet omdat hij niet wil dat het Spaanse Rijk verdeeld wordt. Ook aartshertog Leopold, die als Habsburger familie is van Carlos, weigert te tekenen omdat niet alle Spaanse bezittingen naar hem gaan. Daarmee blijft het verdrag dus betwist.

Om zelf te kiezen wat er na hem met zijn rijk zal gebeuren, maakt de kinderloze Carlos II in Spanje een testament op, waarin hij bepaalt dat al zijn bezittingen naar hertog Philippe d’Anjou gaan. Dat is de tweede zoon van dauphin (kroonprins) Louis de France en daardoor ook kleinzoon van Lodewijk XIV. Op die manier voorkomt hij opdeling het Spaanse rijk. Maar Carlos heeft meteen vastgelegd dat de Spaanse en de Franse kroon nooit verenigd kunnen worden, waarmee hij de onafhankelijkheid van Spanje wil vrijwaren.

Wanneer Carlos op 1 november 1700 – Allerheiligen - daadwerkelijk de geest geeft, zal dus volgens zijn testament Philippe d’Anjou  als koning Felipe V het hele Spaanse rijk erven. En hoewel Lodewijk XIV eerder de bij het Tweede Participatieverdrag voorgestelde verdeling heeft ondertekend, verwerpt hij nu plots wat daar is overeengekomen, want deze regeling die Carlos zelf heeft bedacht komt hem uiteraard beter uit, via zijn kleinzoon kan hij invloed op Spanje uitoefenen. Bovendien weigert Lodewijk om zijn kleinzoon te ontslaan van het recht op de Franse troon, waardoor dus de scheiding van Spanje en Frankrijk niet zou plaatsvinden. Maar dat alles is natuurlijk niet naar de zin van enerzijds de andere ondertekenaars Engeland en de Republiek en anderzijds van de Habsburger keizer Leopold I.

Lodewijk XIV wacht echter niet lang, hij stuurt in 1701 meteen Franse troepen de Spaanse Nederlanden binnen om de garnizoenen van de Republiek uit de barrièreforten te verjagen en start daarmee de Spaanse Successieoorlog, die tot 1714 zal aanslepen. Bovendien erkent hij na de dood van de afgezette Engelse koning James II in september 1701 diens zoon James III als koning van Groot-Brittannië en Ierland. Maar het Britse parlement sluit James voor altijd uit als koning, waardoor James als ‘The Great Pretender’ (de grote troonpretendent) bekend blijft. Keizer Leopold I valt vanuit Oostenrijk meteen de Italiaanse bezittingen van Spanje binnen en richt een Grote Alliantie op, waarbij zich Pruisen en andere Duitse vorsten aansluiten, alsmede het Engeland en de Republiek der Verenigde Nederlanden van Willem III. Die laatste twee staten kiezen de Engelsman John Churchill, graaf van Marlborough – voorvader van Winston Churchill – als legerleider en Engeland verklaart op 4 mei 1702 Frankrijk de oorlog.

Intussen bezetten de troepen van Lodewijk bijna alle Spaanse bezittingen in Italië en leveren strijd bij Milaan. Door een bondgenootschap met de bisschop van Keulen kan Lodewijk ook beschikken over de vesting Kaiserswerth bij Keulen. Daarom stuurt de Republiek maarschalk van Nassau-Saarbrücken daarop af, waar hij een beleg start, dat echter lang uitloopt. Menno van Coehoorn en Godard van Reede voeren intussen afleidingsmanoeuvres uit in Vlaanderen en Brabant. De Franse maarschalk Boufflers doet een aanval op Nijmegen, maar wanneer die mislukt geeft Kaiserswerth zich over.


Marlborough ziet kans om in 1702 de plaatsen Venlo, Roermond en Stevensweert op de Fransen te veroveren en stoot dan door naar Luik, dat ook ingenomen wordt. Voor die successen wordt John Churchill van graaf tot hertog van Marlborough verheven. Het volgende jaar, 1703, gaat hij op zijn elan door en verovert hij Huy en Limbourg, alvorens zich bij Menno van Coehoorn te voegen, waarna ze de vesting Bonn veroveren. Daarmee geconfronteerd zegt de Keulse aartsbisschop zijn bondgenootschap met Lodewijk XIV op. Malborough probeert nu Antwerpen te veroveren, maar de Fransen leveren slag bij Ekeren op 30 juni 1703, waaruit geen van beide partijen voordeel halen.

In Zuid-Duitsland behalen de Fransen wel succes, dankzij Maximiliaan II van Beieren, die als Duits keurvorst niet helemaal opgezet is met de aartshertog van Oostenrijk en tevens Duits keizer Leopold I. Maar in Italië ziet de hertog van Savoye Victor Amadeus II wat Lodewijks troepen daar aanrichten en hij zegt zijn band met de Franse koning op om zich aan te sluiten bij de Grote Alliantie.      

Marlborough trekt met Engelse, Deense en Staatse troepen naar de Donau om de Franse en Beierse legers in Zuid-Duitsland te verslaan. Dat gebeurt op 13 augustus 1704 tijdens de slag bij Blenheim (16 km ten zuidwesten van Donauwörth in Beieren, vandaag Blindheim geheten). De Franse en Beierse legers lijden een grote nederlaag, wat in feite de uitschakeling van Beieren betekent.

Intussen veroveren de Engelsen samen met schepen van de Republiek de rots van Gibraltar, waardoor zij de handel op de Middellandse Zee controleren. Sindsdien is Gibraltar in Britse handen en zijn alle pogingen van Spanje om dat stukje grond terug te krijgen mislukt.

Vanaf nu wordt het een opeenvolging van invallen, belegeringen, innames van steden en veldslagen, waarbij beide partijen successen behalen of nederlagen lijden. Het gaat telkens om campagnes die in de betere maanden worden gehouden en gestaakt worden tijdens het winterseizoen. Dat is juist bij deze oorlog nogal typerend: er wordt kennelijk nooit het hele jaar door gevochten. De oorlog wordt in campagnes beslecht, waarbij vanaf de lente tot in de herfst troepenbewegingen plaatsvinden. ’s Winters stopt de strijd enkele maanden, waarna dezelfde hoofdpersonen soms op een totaal andere plek opnieuw opduiken. In het 17de- en 18de-eeuwse Europa is de toestand van de verbindingswegen bepaald niet ideaal om grote legertroepen met voorraden op karren en geschut in de wintermaanden op mars te sturen. Bovendien staan er dan geen rijpe gewassen op de velden, die zo’n troepenmacht van voedsel moeten voorzien. Een ander opvallend aspect is de voortdurende belegering en inname van allerlei steden. In die dagen bestaan er geen snelwegen die dwars door allerhande landschappen voor directe verbindingen zorgen. Men reist langs wegen die van stad tot stad lopen, waardoor de beheersing van zo’n stad meteen de controle over het verkeer in de wijde omgeving oplevert. Je kan gewoon niet om de stad heen en door die steden uit te bouwen tot forten, wordt meteen een groot gebied beheerst. Inmiddels is het 1705 geworden …

Begin juni 1705 probeert Marlborough vanuit het Moezelgebied Frankrijk binnen te vallen, maar maarschalk Villars gaat hem tegemoet, zonder het echter op een veldslag aan te laten komen, maar vooral om hem bezig te houden met verplaatsen van zijn troepen. Intussen nemen de Fransen de stad Huy in en gaan ze Luik belegeren, wat Marlborough verplicht om nu ook met zijn leger naar de Spaanse Nederlanden te gaan. Hij neemt in juli 1705 het vestingstadje Zoutleeuw in en kan zo een breuk veroorzaken in een linie van Brabantse forten in de Spaanse Nederlanden.  Maarschalk Villeroy trekt dan in mei 1706 – na de winterstop – richting Zoutleeuw. Daarop trekt Marborough naar de Mehaigne, een riviertje dat dwars door Waals Haspengouw (Hesbaye) naar de Maas bij Huy stroomt. In de slag bij Ramillies (ten zuiden van het stadje Jodoigne) volgt op 23 mei 1706 een bloedige slag, die uiteindelijk door de Fransen wordt verloren. Dat heeft tot gevolg dat de Spaanse gebieden Vlaanderen en Brabant de kant van de geallieerden kiezen.

In Italië lopen de Fransen echter vrijwel geheel Savoye-Piëmont onder de voet en belegeren Turijn. Maar die grote stad wordt uitstekend verdedigd door hertog Victor Emmanuel van Savoye, waarna prins Eugenius van Savoye op 7 september 1706 Turijn kan ontzetten, waarmee Savoye zich bevrijdt van de Franse overheersing.

Het jaar daarop duikt ook Marlborough in Italië op, waar hij het koninkrijk Napels – Spaans bezit – herovert op de Fransen. Maar een poging om vanuit Italië ook Zuid-Frankrijk binnen te dringen mislukt. En in Spanje zelf lijden de geallieerden op 25 april 1707 een nederlaag in de slag bij Almansa, waardoor het koninkrijk Valencia onder Franse overheersing komt.

In de Spaanse Nederlanden is Jan van Brouchoven de Bergeyck de regeringsleider. Hij heeft hervormingen ingevoerd, die de steden begunstigen ten nadele van de adel en de clerus. Maar de geallieerden draaien deze hervormingen terug en daarom zorgt Jan voor volksbewegingen binnen de grotere steden die pro-Frans zijn om de hervormingen door te kunnen voeren. Dat geeft Frankrijk de kans om in 1708 de Vlaamse steden Brugge en Gent te veroveren en van daaruit richting Oudenaarde te trekken. Naar die stad nabij de Vlaamse Ardennen is ook Malborough op weg en op 11 juli 1708 treffen beide legers elkaar in de slag bij Oudenaarde. Aanvankelijk verloopt deze confrontatie wisselvallig, omdat in het heuvelachtige terrein niet steeds duidelijk is wie zich exact waar bevindt en wat er ter plaatse precies gebeurt. De Fransen staan onder het bevel van prins Louis de France, hertog van Bourgondië, de oudste kleinzoon van Lodewijk XIV en maarschalk Louis de Bourbon, hertog van Vendôme. Omdat Vendôme de slag bij Ramillies heeft verloren, moet hij hier samenwerken met de boven hem geplaatste Louis van Bourgondië, maar beide mannen kunnen elkaar niet goed uitstaan. Aan geallieerde kant is er de goede samenwerking tussen Marlborough en Eugenius van Savoye, wat een voordeel zal blijken bij deze slag. Want door het moeizame contact tussen beide Franse aanvoerders maken zij fouten, wat de slag rond 16 uur in het voordeel van de geallieerden doet doorslaan. De invallende duisternis belet hen evenwel om het gevecht te beëindigen en beide kampen overnachten ter plaatse. Vendôme wil de volgende dag doorvechten, maar Bourgondië beslist om naar Gent terug te trekken. Marlborough gaat met zijn leger zuidwaarts en slaat het beleg voor Lille (Rijsel). Die grote stad capituleert, waarna Brugge en Gent spoedig ook volgen.


Bij de campagne van 1709 veroveren Marlborough en Eugenius van Savoye in de zomer de Franse vestingen Doornik en Ieper, waarbij de eerste na een belegering van 90 dagen uiteindelijk valt. Marlborough slaat daarna het beleg voor de stad Mons (Bergen) en de Franse maarschalken Villars en Boufflers graven zich in bij het dorpje Malplaquet ten zuidwesten van Mons. Daar komt het op 11 september 1709 tot een treffen dat als het bloedigste uit de hele Spaanse Successieoorlog bekend zal staan. Van geallieerde zijde start de prins van Oranje met zijn Nederlandse troepen de aanval. Malborough had dat als schijnaanval bedoeld, maar dit is niet duidelijk gecommuniceerd aan de prins, die zijn aanval doorzet en daarmee een enorm aantal soldaten en officieren verliest. Wanneer op de andere zijde van het front maarschalk Villars ernstig gewond raakt en de strijd moet staken en ook nog twee andere hoge Franse officieren het leven laten, raakt het Franse leger in verwarring. Boufflers laat de Fransen terugtrekken naar Quiévrain, Bavai en Maubeuge en daardoor is deze slag rond 15 uur reeds gestreden. Maar ook aan geallieerde zijde zijn de verliezen zo groot, dat aan het achtervolgen van de Fransen niet te denken valt. Na deze slag capituleert Mons op 20 oktober 1709.

Intussen hebben al die verliezen aan manschappen en het behalen van vaak tijdelijke overwinningen bij de geallieerden een zekere oorlogsmoeheid veroorzaakt. In Frankrijk weet Lodewijk XIV echter het enthousiasme voor de oorlog levendig te houden, wat hem een betere kans bij de latere vredesonderhandelingen geeft.

In 1711 sterft Jozef I, Duits en Oostenrijks keizer, en hij wordt opgevolgd in beide functies door zijn broer Karl VI. Maar de Engelsen willen niet dat Karl VI aanspraak zal maken op de Spaanse troon en beginnen daarom in 1713 vredesonderhandelingen met Lodewijk XIV. Die leiden tot de Vrede van Utrecht op 11 april 1713, waarbij de wettigheid van het testament van Carlos II wordt bevestigd (waar alles om begonnen was), zodat Philippe d’Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV, koning Felipe V van Spanje wordt. Hij komt echter niet in aanmerking voor de Franse kroon, waarmee dus de wens van Carlos II wordt geëerbiedigd om beide landen niet te verenigen onder één vorst. Karl VI van Oostenrijk krijgt als compensatie de Spaanse Nederlanden, die daardoor vanaf dan de Oostenrijkse Nederlanden worden, plus in Italië het koninkrijk Napels en de gebieden Mantua, Sardinië en de stad Milaan met omgeving. Groot-Brittannië mag Gibraltar en het eiland Minorca in bezit houden en zo de toegang tot de Middellandse Zee controleren en krijgt een aantal Franse koloniën in Noord-Amerika. De Republiek der Verenigde Nederlanden mag binnen de Oostenrijkse Nederlanden in een achttal steden garnizoenen leggen om zich tegen mogelijke nieuwe Franse aspiraties te verdedigen. Die barrièresteden zijn Veurne, Ieper, Menen, Gent, Tournai (Doornik), Mons (Bergen), Charleroi en Namen, waarover op 15 november 1715 het Tweede Barrièretractaat wordt gesloten. Daarnaast krijgt de Republiek de stad Venlo, in feite dus het noorden van het huidige Nederlands Limburg. Frankrijk mag het prinsdom Orange behouden (dat eerder tot de erfenis van de Oranje-Nassau dynastie behoorde) en de Elzas.

Bij de Vrede van Rastatt op 7 maart 1714 tussen Frankrijk en Savoye, wordt bepaald dat Savoye het koninkrijk Sicilië krijgt.

Bij de Vrede van Baden (stad in Zwitserland) op 7 september 1714 aanvaart Karl VI de bepalingen van de Vrede van Utrecht – die door onderhandelaars was gesloten – voor de Habsburgse monarchie. Hijzelf mag de titel Koning van Spanje voeren, maar die blijft verder zonder gevolg, omdat wel Philippe d’Anjou als koning Felipe V van Spanje wordt erkend.

Omdat in 1711 zijn zoon, de Grote Kroonprins, en het jaar daarop zijn kleinzoon, de hertog van Bourgogne, al zijn overleden, heeft Lodewijk XIV enkel zijn achterkleinzoon de hertog van Anjou nog als erfgenaam over. Maar omdat die nog erg jong is, wijst hij bij testament de hertog van Maine, zijn bastaardzoon van Madame de Montespan, als regent aan.  

Wanneer koning Lodewijk XIV op 1 september 1715 in zijn paleis te Versailles overlijdt, vier dagen voor zijn 77ste verjaardag, is dat een grote opluchting voor de vorsten van de omringende staten. Zijn opvolger is achterkleinzoon Louis, hertog van Anjou, maar die is nog een kind. Lodewijks testament wordt op instigatie van zijn neef hertog Philippe d’Orléans door het parlement ongeldig verklaard. Daarop wordt hertog Philippe d’Orleans zelf voorlopig regent voor de toekomstige koning Lodewijk XV.

Frankrijk staat er in de 18de eeuw echter niet zo goed meer voor op economisch vlak. De politiek van Colbert met het protectionisme en door de staat gecontroleerde bedrijven heeft ook de ontwikkeling van de Franse industrie afgeremd. Daardoor mist Frankrijk de komende industriële revolutie, die zich vooral in Engeland zal manifesteren. Daar is de adel niet geruïneerd door hoffeesten en kan dus als kapitaalverschaffers voor de opkomende industriële vestigingen optreden. Dat blijkt uiteindelijk de Engelsen een grote voorsprong te geven op economisch vlak. Frankrijk zal nog twee Lodewijken op de troon zien, maar de regering van de laatste zal eindigen onder de guillotine van de Franse Revolutie.