Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

LAZARUS MARQUIS (1571-1647)

Quartier Latin

Lazarus Marquis is een zoon van een Waalse koopman en heeft aan de universiteiten van Leuven en Padua gestudeerd. In een tijd dat de geneeskunde nog grotendeels wordt beoefend door kwakzalvers en obscure pillenverkopers, neemt Lazarus in Antwerpen het voortouw om op een meer wetenschappelijke manier aan behandeling van zieken te doen. Op 26 juni 1599 wordt hij aangesteld als ‘gezworen Medecyn der stad Antwerpen’, zeg maar stadsdokter, in opvolging van de overleden dr. Rogerius van Damme.


Marquis is ook aan het Sint-Elisabethgasthuis verbonden. Elf jaar later wordt Marquis lector in de 'chirurgie', waarbij hij ten slotte het stadsbestuur weet te overtuigen een medisch college te installeren dat toeziet op de diploma's van chirurgijnen, apothekers en vroedvrouwen. Hijzelf ziet als belangrijkste element van de geneeskunde het goed observeren.

Aan de Antwerpse Sint-Jacobsmarkt 51 toont een plaquette op een 19de-eeuws huis op welke plek de lijfarts van Rubens in die dagen woonde. En in congrescentrum Elzenveld is een zaal met een prachtig dakgebinte naar hem genoemd, het Auditorium Lazarus Marquis.


In de dagen dat de pest nog in de Nederlanden en omliggende buitenlanden woedde, heeft Lazarus Marquis in 1634 een ‘Tractaat van de Peste’ opgesteld. Hij begint met een verklaring van de naam van deze ziekte, die zou komen van het Latijnse depascendo: afwenden, van de wereld wegnemen. En ook wordt de ziekte wel Anthropophagos genoemd, dat wil zeggen Mensenslikker, omdat er zoveel slachtoffers vallen bij een epidemie.


Lazarus stelt vervolgens drie oorzaken vast:

1. Gods gramschap, om wat de mensen allemaal doen op aarde.

2. Een door God gebruikt instrument om via allerlei dingen de pest te verwekken. Astrologen wijzen op de invloed van de planeten Saturnus en Mars, die in een bepaalde conjunctie staan, wat tot stinkende bliksem en donder leidt, waardoor de aarde een verrotte uitwaseming krijgt, die de pest verwekt.

3. Het ongeregelde leven van de mensen, die zich van alles inbeelden rond de pest, neerslachtig zijn en zich inlaten met gulzig eten en drinken en met vrouwen ‘luxieren’. Ook hun omgang met besmette personen, of het binnen gaan in huizen om die na veertig dagen na een sterfgeval schoon te maken, veroorzaakt uitbreiding van de ziekte.


Om de bevolking tegen de pest te beschermen ziet Marquis vier manieren, te weten een algemene bescherming, een geestelijke bescherming, een politieke bescherming door de overheid en een medicinale bescherming.


Bij de politieke bescherming volgt een lijst van liefst negen te nemen maatregelen: alle straten schoonmaken; niet houden van duiven, eenden, hoenderen, kalkoenen en konijnen, tenzij ver van de bewoonde wereld; verbieden van grote samenkomsten, kermissen en drinkgelagen; verbieden van het eten van weke vruchten; terugsturen van vreemde bedelaars; voorkomen van het overwaaien van lucht uit besmette plaatsen; vuren aansteken op plaatsen waar de lucht slecht ruikt en daar allerlei geurende bloemen en kruiden in werpen; doden diep begraven en de lijken met kalk bestrooien en zorgen dat regen niets kan wegspoelen; pesthuizen oprichten en woningen ontsmetten.


Bij de medicinale bescherming gaat het om allerlei pillen van plantkundige aard. Rijke mensen mogen daar kostbaar poeder aan toevoegen, arme lieden zullen baat hebben bij een mengsel van vijf bladeren wijnruit, zeven ‘asen’ gebrand zout, een vijg en een okkernoot, ’s morgens nuchter in te nemen. (Een aas is een gewichtseenheid.)


Maar voor alles moet aan een zestal gezondheidsregels worden voldaan:

Vrolijke en opgewekt zijn, zodat gramschap en droefheid verdwijnen; wanneer de infectie hoog in de lucht hangt in de kelder gaan wonen, komt hij van beneden, dan op zolder wonen; voor dagelijkse stoelgang zorgen; middelbier drinken (een bier met een alcoholpercentage tussen het grote bier en het zogeheten klein bier) met toevoeging van gedroogde ‘avanie’-schillen en geen water gebruiken dat lang heeft gestaan; bij een pestepidemie geen wol, bont, baai of fluweel of met katoen gevoerde stoffen dragen, maar satijn, Spaans leer of voor de arme mensen lijnwaad; geen grote bijeenkomsten bijwonen en niet voor zonsopgang en na zonsondergang buiten komen.

Soms kan aderlaten en purgeren helpen tegen de ziekte, maar beter is aqua theriacalis antipestifera, dat uit een hele resem bestanddelen blijkt te bestaan.


Het traktaat van Lazarus Marquis geeft een aardige kijk op de stand van de geneeskunde in zijn dagen. Enerzijds lees je er raadgevingen in die vandaag nog gelden, anderzijds merk je dat er ook naar middelen en verklaringen wordt gegrepen, die eerder met veronderstellingen en geloofsovertuiging te maken hebben. Maar het heeft wel geholpen, in 1664 komt er in de Nederlanden geen pest meer voor, in Engeland is twee jaar later de ziekte uitgeroeid, maar in Frankrijk zal de pest nog tot 1720 woeden.