Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

NEOKLASSIEK

Als reactie op de barok komt er rond 1770 een beweging op gang, die op zoek gaat naar de ‘roots’ van de architectuur en zo bij de klassieke Griekse Oudheid belandt. De resterende Griekse en Romeinse gebouwen worden nu druk bezochte studie-objecten, waarvan de antieke details nauwkeurig worden gekopieerd. Maar in de architectuurpraktijk worden die in een nieuwe samenhang gebruikt. Ook het landschap rondom een gebouw wordt daarbij betrokken en zo moet de strakke Franse tuin met zijn geschoren hagen en de daarmee aangelegde tuinkamers plaats ruimen voor de Engelse landschapstuin. Hoewel eveneens aangelegd, moet die het idee geven, dat je je bevindt in een spontaan ontstaan natuurlijk landschap. Ook de schilders ontdekken het landschap en in deze periode komen dan ook de landschapschilderijen op.


Er komen twee hoofdrichtingen naar voren:


- Rigoureus, revolutionair neo-classicisme.


Dit type overheerst in Frankrijk, waar de koninklijke academie en de midden 18de eeuw door J.F. Blondel gestichte Ecole d’architecture met als leuze ‘eenvoud en goede verhoudingen’ veel invloed uitoefenen. Deze op de Dorisch-Romeinse stijl geïnspireerde aanpak verspreidt zich snel over Europa. Meer en meer wordt naar geometrische vormen gegrepen, zoals vierkant, bol, cirkel, kubus en piramide. Zo radicaal zijn die figuren echter amper praktisch bruikbaar voor echte gebouwen, zodat het in deze richting vooral bij ‘ideale’ ontwerpen blijft. Vooral gedenktekens blijken zich te lenen voor een werkelijke toepassing, omdat zij groots en monumentaal mogen zijn.


Etienne Louis Bollé (1728-1799) en Claude Nicolas Ledoux (1736-1806) zijn hier de bekendste namen. Ledoux baart veel opzien met een reeks van 44 tolhuizen voor de stad Parijs, die hij vanaf 1785 ontwerpt als een ware staalkaart van revolutionaire architectuur – we zitten dan midden in de Franse Revolutietijd.


- Schilderachtig, romantisch neo-classicisme.


De archeologische kennis over de Oudheid wordt hier verbonden met een grote gevoeligheid voor de natuur en met pittoreske kwaliteiten. Dat sluit aan bij de theorieën van Jean Jacques Rousseau over de homme sauvage, het Robinson Croesoë-ideaal en bij de reizen van de Engelse dichters Byron en Shelley door Griekenland. Hieruit komt een architectuur voort, die harmonisch is, doch zonder sterke contrasten, maar wel met fantasierijke toevoegingen bij de aanpak van de klassieke Griekse Oudheid. Robert Adam en John Nash zijn hier de invloedrijke architecten uit Engeland.


Het probleem van het neo-classicisme is dat deze stijl geen antwoord biedt op de eisen van de industrie, die juist in dezelfde periode een eerste grote ontwikkeling kent. Er bestonden immers geen Griekse of Romeinse voorbeelden van fabrieksgebouwen. Daardoor wordt die sector aan de ingenieurs overgelaten, die vanuit hun technische opleiding daarop trachten in te spelen. Architecten en ingenieurs groeien erdoor uit elkaar.


De architectuur wordt meer en meer een kunst, waarvan de principes door academische normen strikt worden vastgelegd en genormeerd. Dat blijkt uiteindelijk onhoudbaar en rond 1830 komen er steeds meer barsten in die aanpak. Architecten gaan vrijer om met elementen uit diverse bouwstijlen en kiezen voortaan zelf welke stijl ze gaan aanwenden voor hun opdrachten. Zo ontstaat temidden van allerlei andere bouwstijlen in de 19de en begin 29ste eeuw het laat-neo-classicisme, wat betekent dat gebouwen wel veel kenmerken van Romeinse en Griekse architectuur vertonen, zoals zuilen, nissen en driehoekige frontons boven vensters en deuren, maar dat er verder naar behoefte wordt geput uit andere bouwvormen door de architecten. In onze grotere steden staan daardoor nog tal van dit soort neo-klassieke gebouwen, die behoorlijk impressionant kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld de Antwerpse Stadsfeestzaal aan de Meir. Wanneer tussen beide Wereldoorlogen het Nieuwe Bouwen doorbreekt, ook wel het Modernisme genoemd, verdwijnt uiteindelijk deze architectuur die naar een ver verleden verwijst.


Virton