Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

NERO

Tramstation, Biesmanslaan

1560 Hoeilaart

Nero, stripheld uit de gelijknamige stripverhalen van striptekenaar en Hoeilander Marc Sleen, heeft zijn standbeeld vóór het oude tramstation. In het album De verschrikkelijke tweeling (1990) laat Sleen Nero zijn intrek nemen in dit station. Sinds september 2000 wordt het tramstation uitgebaat als themacafé rond 'Nero' en krijgt het bezoekers uit heel Vlaanderen.


Vanaf 1947 start Marcel Neels – zoals zijn echte naam luidt – met het tekenen van stripverhalen. Al in zijn eerste creatie De avonturen van Detectief Van Zwam komt Nero op het eind voor, als iemand die denkt dat hij de Romeinse keizer van dezelfde naam is. Vanaf 1950 wordt hij voortaan de hoofdfiguur in De avonturen van Nero & Co, die 45 jaar lang door Marcel worden getekend zonder enige assistentie tot 1992, wanneer Dirk Stallaert hem als tekenaar komt bijstaan, terwijl Sleen de scenario’s blijft bedenken..

Op 31 december 2002, één dag na zijn tachtigste verjaardag, zet Marc Sleen definitief een punt achter de populaire Nero-verhalen. Hij wil ook niet dat iemand anders ze verder zet, dus daarmee stopt de strip. De op 30 december 1922 in Gentbrugge geboren Marc Sleen woonde sinds 1955 in Hoeilaart, waar hij op zondag 6 november 2016 op 93-jarige leeftijd is overleden.


Op 17 juli 1997 is Marcel Neels voor zijn oeuvre door de koning Albert II tot ridder geslagen. In de loop van zijn carrière kreeg hij ook talrijke prijzen. In Turnhout staat bij cultureel centrum De Warande sinds 1991 een standbeeld van Adhemar, de fictieve geniale zoon van Nero. Sleen was zelf sinds 1977 voorzitter van de Bronzen Adhemar, een tweejaarlijkse prijs voor beloftevol jong Vlaams striptalent. In 1993 ging een Gouden Adhemar naar Marc zelf voor zijn hele carrière.


In Zandstraat 33-35 in Brussel opende op vrijdag 19 juni 2009 het Marc Sleen Museum in dezelfde straat waar het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal is gevestigd. Sleens museum is gehuisvest in het vroegere gebouw van La presse socialiste cooperatieve, waar van 1947 tot 1950 dagblad De Nieuwe Gids huisde, waarvoor hier in 1947 de eerste tekeningen van Nero werden gemaakt. Nadat in 2008 het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het archief van Marc Sleen had aangekocht, is er een stichting opgericht om dit patrimonium te beheren en toegankelijk te maken.


Het Hoeilaartse ‘Nero’-beeld is een creatie van Luc Cauwenberghs uit 1994, dat in 2004 in brons is gegoten. Het is geplaatst naar aanleiding van het Druivenfestival 1994 met als thema ‘Hoeilaart, waar Nero thuis is’. Cauwenberghs is in 1953 geboren in Tervuren, niet zo ver uit de buurt dus.


Felix Sohie bouwt in 1865 de eerste druivenserre in Hoeilaart. Wanneer die druiventeelt stilaan een groot financieel succes tegemoet gaat, verrijzen ook in Overijse en andere omliggende gemeenten serres. Aanvankelijk worden de Hoeilaartse druiven met de hondenkar of per trein vanuit Groenendaal naar Brussel gebracht, waar het station Brussel-Zuid de draaischijf is voor uitvoer naar Frankrijk en de verdeling over heel België. De druiventelers in Overijse hebben helemaal geen station in hun nabijheid en gaan te voet of met hun karren dwars door het Zoniënwoud naar de hoofdstad. Naarmate de productie stijgt, ontstaat er behoefte aan betere transportmiddelen en gaan Hoeilanders en Overijsenaren dromen van een rechtstreekse verbinding Overijse-Hoeilaart-Groenendaal. Ze hopen op een directe verbinding met Brussel-Zuid, want de spoorlijn Namen-Brussel die Groenendaal passeert bereikt Brussel via het Noordstation en er is in die dagen nog geen sprake van de ondergrondse verbinding tussen het Noord- en het Zuidstation. Maar de minister van Landbouw, Industrie en Openbare Werken keurt enkel de aanleg van een verbinding tussen Groenendaal en Overijse goed in 1888. Er komt een lijn met een spoorbreedte van 1,435 meter, zodat goederenwagons van de Belgische Spoorwegen daarover kunnen rijden, getrokken door een stoomtram. Daarmee worden steenkool en mest  voor de serres van elders aangevoerd en vinden druiven hun weg naar Brussel. Parallel daarmee komt er een spoorlijn van 1 meter breed voor tramrijtuigen voor personenvervoer.

Op 15 juli 1894 wordt de tramlijn van Groenendaal via Hoeilaart naar Overijse ingehuldigd. Het reizigersverkeer kent met dagelijks twaalf ritten in de zomer en elf in de winter een behoorlijk succes. En vanaf 1900 breidt de druiventeelt zich permanent uit, met rond 1910 reeds 5.176 serres in Hoeilaart alleen al. Het hoogtepunt wordt bereikt in de jaren 1926 tot 1928, wanneer jaarlijks zo’n 110.000 ton steenkool, 37.000 ton mest en 11 miljoen kilo druiven spoorslags hun weg vinden. Wanneer na de Tweede Wereldoorlog het transport per vrachtwagen opkomt en buslijnen verschijnen kwijnt de tramlijn langzaam weg. In juni 1958 rijdt de goederentram voor het laatst. De locomotieven en wagons vinden een rustplaats in de trammusea van Schepdaal nabij Brussel en Mariembourg, in het diepe zuiden van de provincie Namen.


Nero

© foto: Danielle Janssens