Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

PALEIS OP DE MEIR

Meir 50

2000 Antwerpen

Quartier Latin

Jan Pieter Van Baurscheit Jr. heeft tussen 1745 en 1770 flink zijn best gedaan op het huis voor jonker Johan Alexander van Susteren, heer van ’s-Gravenwezel. Helaas heeft de opdrachtgever nooit het genoegen gesmaakt om zijn stadspaleis ooit volledig voltooid te zien. Maar ook een latere en veel beroemdere eigenaar heeft een dergelijke teleurstelling moeten incasseren. Dit stukje Antwerps erfgoed heeft dus niet enkel architecturale waarde, ook het wel en wee der verschillende eigenaars vormt bijzondere geschiedenis.


Johan dus, wie was deze man? De familie Van Susteren stamt uit het destijds katholieke ’s-Hertogenbosch – thans hoofdstad van de Nederlandse provincie Noord-Brabant -, waar ze zich met bierbrouwen en handel bezighouden, hetgeen hen een aardig familiekapitaal oplevert. Maar wanneer na de splitsing van de Spaanse Nederlanden het noorden in 1588 zijn eigen weg gaat als Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het economische zwaartepunt naar Holland verschuift, gaan ook de Van Susterens zich daar vestigen. Zo ontmoeten we in Amsterdam Gisbert van Susteren, die daar in 1657 trouwt met Helena Donckers, katholiek en afkomstig uit, jawel, Den Bosch. Van hun tien kinderen worden er drie jezuïet, eentje bisschop van Brugge in 1716 en een van de dochters treedt in het klooster van de ursulinen in Antwerpen. Het geestrijke brouwersvocht heeft kennelijk een zeer katholieke nevenwerking gehad.


Zoon Melchior voelt aan dat katholiek zijn tussen al die Amsterdamse calvinisten niet bevorderlijk is voor je carrièrekansen en kort na zijn huwelijk steekt hij in 1698 de grens over met de intussen Oostenrijks geworden zuidelijke Nederlanden, waar hij zich als koopman in Antwerpen vestigt. Nu wil elke beter gesitueerde handelaar in die tijd vooral één ding: een adellijke titel. Daarom koopt Melchior op 23 september 1728 de heerlijkheid ’s-Gravenwezel, waardoor die wens in vervulling gaat. Hij wordt meteen eigenaar van het aloude kasteel van de graven van Wezel en heeft grootse plannen om daar iets moderners van te maken, met eigentijds comfort en vooral een adellijke uitstraling. En laat nu juist in 1728 een 29-jarige talentrijke beeldhouwerszoon na de dood van zijn vader voor zichzelf begonnen zijn, zekere Jan-Pieter van Baurscheit, ‘de jonge’ want pa droeg dezelfde voornaam. Jan-Pieter krijgt al snel opdrachten die heel wat verder reiken dan louter beeldhouwen en hij noemt zich vanaf 1730 dus ook voluit bouwmeester, lees maar architect. Via flink wat werk in de noord-Nederlandse Republiek en medewerking aldaar met de Franse architect Daniel Marot doet hij ervaring op met de classicistische barok en rococo bouwstijlen.


Rond 1736 is Van Baurscheit ook rond Antwerpen met projecten bezig en zo leert Melchior van Susteren zijn huisarchitect kennen. Melchior laat hem niet zomaar de vrije hand, hij heeft wat gereisd en is daarbij getroffen door het imposante van Italiaanse en Weense paleizen en met name van het type gebouwen dat Fisher van Erlach in de Oostenrijkse hoofdstad heeft neergezet. Nu, Jan-Pieter houdt zijn vakliteratuur bij, die dan vooral bestaat uit prenten en bouwplannen van beroemde verwezenlijkingen, hij kent dan ook die Van Erlach. Dus dat klikt en zo start Van Baurscheit halverwege de jaren 1730 met verbouwingen aan het kasteel van ’s-Gravenwezel.


Maar Melchior heeft nog andere plannen, die zich in Antwerpen situeren. In 1717 is zijn 25-jarige zoon Gilbert getrouwd met de één jaar jongere Helena Maria Roose, dochter van een jurist, die hoofd is van de Particuliere Raad van Brabant. En meteen sluit Gilbert zo een alliantie met een Antwerpse patriciërsfamilie, die al langer in de Antwerpse beau monde is opgenomen. Zo’n vijf jaar na hun huwelijk koopt Gilbert op 20 januari 1722 een huis op de Antwerpse Meir, de luxueuze woning van de koopmansfamilie Van Colen, die al bestaat uit twee samengevoegde panden. Het gezin Van Susteren-Roose gaat hier wonen met hun kinderen Melchior Jozef, Johan Alexander en Thérèse Maria. Wanneer al een jaar later Gilbert sterft op z’n 31ste, komen de drie kinderen onder voogdij te staan, want een vrouw alleen wordt niet geacht in te staan voor de opvoeding van een heel gezin. Voor het geld zal het niet zijn, de Van Susterens en de Rooses zijn welstellend.


Hoewel Melchior zijn enige zoon betreurt, denk hij vooruit aan de kleinkinderen en koopt in 1727 nog een pand op de Meir bij. Nadat kleinzoon Melchior jr. in 1739 trouwt met Régine-Thérèse du Bois de Vroylande, maar net als zijn vader vroegtijdig sterft op 6 april 1740 enkele dagen voor zijn 22ste verjaardag, terwijl z’n grootvader Melchior sr. in hetzelfde jaar de geest geeft en ook kleindochter Thérèse dat slechte voorbeeld volgt door op 12 augustus 1742 te overlijden – net geen 21 – is Johan Alexander de enige erfgenaam van het familiekapitaal. Hij zal dat gaan besteden aan twee grote bouwprojecten: het verder afwerken van het kasteel van ’s-Gravenwezel en het door dezelfde architect laten bouwen van een heus stadspaleis aan de Antwerpse Meir.


Voor dat laatste project koopt Johan in 1744 nog een pand bij, waardoor hij nu beschikt over de drie huizen Drij Caukens, De Korenblomme en De Keirskorff, allemaal naast elkaar gelegen op de plaats waar zich vandaag het Paleis op de Meir verheft. Door nog op 31 augustus 1744 het hoekhuis met de Wapper aan te kopen heeft Johan een voldoende groot bouwperceel voor zijn droompaleis, waar Jan-Pieter Van Baurscheit in 1745 de eerste spadesteek kan laten geven.


Jan-Pieter Van Baurscheit is intussen uitgegroeid tot een grote ondernemer, die een bedrijf bestiert dat opdrachten geeft aan allerhande onderaannemers en decoratiekunstenaars en ook in eigen beheer heel wat bouwonderdelen vervaardigt. Voor de opdracht voor het stadspaleis Van Susteren werkt hij samen met Mourlet en Engelbert Baets, twee mensen die ook de kneepjes van het bouwvak kennen. Die laatste was een neef van Jan-Pieter, de eerste vrouw van zijn vader was Maria Catharina Baets. Engelbert was door Jan-Pieter opgeleid als architect-ingenieur, maar zal later voor zichzelf beginnen in een periode dat hij de supervisie over heel wat projecten van Jan-Pieter waarneemt wegens veelvuldige ziekte van Van Baurscheit.

Naast deze assistenten onderhoudt Jan-Pieter vaste relaties met leveranciers van diverse soorten steen, zoals Bentheimer en Bremer steen uit Duitsland, witte steen uit Brussel met mevrouw Walkiers als leverancierster en blauwe steen uit Féluy, geleverd door Jean-Baptist Lisse. De Amsterdammer François Absil is een vaste leverancier van onder meer marmer.


Bekijken we even wat Jan-Pieter Van Baurscheit voor Johan Alexander heeft gewrocht:

De voorgevel uit Bentheimersteen met zijn fraaie kuif is rococo-architectuur, overgoten met een vleugje noord-Nederlandse laat-barok. In die kuif is het wapen van de familie Van Susteren verwerkt, voor de omlijstingen van de vensters, de kroonlijst en de vele krullen, siervazen, de Korinthische kapitelen (bovenstukken) van de pilasters (halfzuilen) of het vrouwenhoofd in de sluitsteen boven de entree is Brabantse witte steen of Balegemse- en Gobertangersteen gebruikt. Voor de achterkant van de voorbouw en voor de muren van de gevels rond de binnenplaats houdt Van Baurscheit het bij goedkopere baksteen. De zijgevel aan de Wapper is deels uit Bentheimer, deels uit baksteen opgetrokken. De ruwbouw raakt in 1747 af, maar bij de afwerking treedt plots vertraging op. Die zal deels te wijten zijn geweest aan het grote aantal bouwwerven waar Jan-Pieter op dat ogenblik mee bezig was, maar er is ook iets anders aan de hand.


In 1750 blijkt Johan Alexander van Susteren plots onder curatele te staan. De man is nogal kwistig aan het omspringen gegaan met zijn fortuin – deels zelf vergaard met aandelen in de Bank of England - en dat verontrust de toekomstige erfgenamen, die mogen hopen op een deel van dat fortuin, want J.A. is nooit getrouwd. Oom Karel Jozef Roose, majoor bij de Stad Antwerpen en Henrico Eelkens moeten de levenswandel van Johan wat binnen de perken houden en dat lijkt te lukken, want op 1 december 1756 wordt de curatele opgeheven. Intussen wordt er voortgewerkt aan het stadspaleis en komt de benedenverdieping stilaan gereed. En dan bedoelen we niet kale ruimten, maar Jan-Pieter Van Baurscheit is zo’n architect die alles uit handen neemt wat een bouwheer zou kunnen bezwaren: de complete lambrisering, stucplafonds in quadratura (een techniek waarbij het plafondvlak overloopt in een wandschildering of in een schouw, waardoor het lijkt of de hele ruimte één geheel vormt) , sierschouwen, ja zelfs de meubels worden door hem verzorgd. Er valt dus al in te leven, maar Johan zal toch vooral op zijn kasteel in ’s-Gravenwezel hebben verbleven en in Antwerpen hooguit relaties hebben ontvangen.


En dan, plots, komt het einde: jonker Johan Alexander van Susteren overlijdt op 7 mei 1764 tijdens een verblijf in Den Haag, net een week tevoren 45 jaar geworden. Wat nu? Het stadspaleis is nog niet af! Toch werkt de Van Baurscheit-ploeg nog een tijdje voort om toch een grotendeels voltooid gebouw te kunnen opleveren, wellicht in opdracht van de erfgenamen, die baat hebben bij een goede verkoop. En die verkoop komt er op 3 december 1764 via veiling op de Antwerpse Vrijdagmarkt. Blijkbaar duurt het dan toch nog vrij lang voor alles rond is, want pas op 24 augustus 1765 kan Jean-Baptist de Fraula zich nieuwe eigenaar noemen. Ook weer een naam die klinkt als een klok in het 18de-eeuwse Antwerpen.


Jean-Baptist de Fraula ziet dat er achter het huis nog wat oude stallen staan en hij laat die vervangen door een remise voor de koetsen en aan weerszijden stallen voor de paarden. Tussen de binnenplaats en die nieuwe stallingen laat hij een tuin met een vijver en fontein aanleggen. Uiteindelijk kan het gezin De Fraula als eerste beschikken over een compleet bewoonbaar stadspaleis. Na twaalf jaar wordt dit stadspaleis op 8 maart 1777 opnieuw verkocht en wel aan baron Pierre Jean Alexander Roose de Baisy de Boechout en zijn vrouw Marie Anne Josephe van de Werve. En zo leer je weer twee voorname Antwerpse patriciërs kennen. Na de dood van mevrouw Marie-Anne erft jongste dochter Caroline van de Werve het huis. Zij mikt nog een trapje hoger en slaat in 1800 graaf Charles François de Paule de Brouckhoven de Bergeyck aan de haak. Voor zo’n naam heb je een grote brievenbus nodig, maar in die dagen komt de post nog persoonlijk aan de deur.


Na de dood van haar echtgenoot verkoopt Caroline op 13 augustus 1812 de woning aan het Franse keizerlijk kroondomein, want Napoléon Bonaparte himself heeft tijdens zijn bezoeken aan Antwerpen zijn oog op het statige huis laten vallen. Natuurlijk moet er voor de empereur wel een en andere aan het interieur aangepast worden en dat gebeurt uiteraard in empire – de naar zijnde majesteit genoemde designstijl. Keizerlijk architect Pierre Fontaine komt naar Antwerpen en die is samen met zijn collega-architect Charles Percier en de schilder Jean-Louis David zowat de bedenker van die nieuwe bouw- en interieurstijl. De Antwerpse architect François Verly mag Fontaine’s ideeën hier uitvoeren. Keizerlijk hofleverancier Darrac kleedt het interieur passend aan in de keizerlijke appartementen aan de tuinzijde. Hoewel er een empire-slaapkamer wordt geïnstalleerd met meubels uit Parijse ateliers, zal hier uitrusten er niet meer van komen voor de keizer. Een ontmoeting met Engelsen, Duitsers en Hollanders nabij het anders zo vredige dorpje Waterloo steekt daar immers een stokje voor en zorgt in Antwerpen voor leegstand.


Daarvan maakt de Nederlandse koning Willem I dankbaar gebruik, nu hij het ook bij ons voor het zeggen heeft gekregen. Hij zal regelmatig in wat nu Koninklijk Paleis gaat heten verblijven en ook zijn zoon kroonprins Willem van Oranje-Nassau, de latere koning Willem II, zal zich er laten zien. Aan Willem danken we de Zaal der Zeventien Provinciën uit 1829-’30, waarvan het plafond door kunstschilder-academiedirecteur Mathieu Van Bree is versierd met de 17 wapenschilden als symbool voor de hereniging van Noord en Zuid. Ook de basreliëfs op elk van de vier wanden zijn van Mathieu, maar die heeft Willem nooit te zien gekregen, ze zijn pas in juli 1830 voltooid. En intussen was gebleken dat die hereniging geen blijvertje was, amper enkele maanden later is de scheiding een feit en bestaat plots België.


Nieuwe monniken, nieuwe kappen, hier zijn dat kronen van de nieuwe Belgische vorstenfamilie. Die vindt zo’n paleisje in Antwerpen wel interessant voor de ontvangst van buitenlandse gasten, die nogal eens per boot in Antwerpen arriveren. Leopold II, de grote bouwer van de familie, laat in 1905 ter gelegenheid van het 75-jarige bestaan van België zijn hofarchitect Octave Flanneau twee salons ombouwen tot een spiegelzaal voor feesten en banketten, geïnspireerd op de danszaal van een paleis op het Isola Bella-eiland in het Italiaanse Lago Maggiore-meer, waar Leopold ooit geweest was. Hij laat ook een galerij realiseren, die aan de achterzijde van de binnenplaats beide paleisvleugels verbindt. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verblijft koning Albert I even in dit paleis, maar Boudewijn zien ze er zelden, zeker niet meer nadat het protocol in 1950 dit onderkomen niet langer geschikt vindt voor een koninklijke overnachting. Wat doe je dan met zo’n paleis?


Vlaanderen heeft daar wel een idee over en Boudewijn is er niet echt aan gehecht, dus op 19 december 1969 wordt deze koninklijke residentie overgedragen aan het Ministerie van Nederlandse Cultuur, dat er het Internationaal Cultureel Centrum (I.C.C.) van maakt, waar vooral hedendaagse kunst kind aan huis zal zijn. Daar past geen empire-meubilair bij en dat wordt in 1976-‘77 verhuisd naar verschillende locaties: het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis, het Bellevue-museum en het Koninklijk Paleis, alle drie in Brussel, krijgen de meubels in bruikleen. Omdat ze in die musea ook wat in de weg staan, komt het grootste deel in 1980 en 1995 in de koninklijke paleizen terecht.


Nadat de hedendaagse kunst een eigen onderdak vindt in het Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA) komt hier tijdens het Antwerpse Culturele Hoofdstadjaar 1993 het Centrum voor Beeldcultuur Eldorado, met eigen filmprojectiezaaltje, maar ook dat instituut pakt vrij spoedig zijn biezen en verhuist in 2004 naar het Fotomuseum. Sinds 1998 is in het koetshuis de vzw Antwerpen Open gehuisvest en vanaf 2004 zijn zij samen met een conciërge van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de enige gebruikers van een gebouw dat vooral veel leegte omhult. Dat kan natuurlijk niet zo blijven duren en op 5 mei 2010 wordt het gebouw door de vice-president van de Vlaamse regering Geert Bourgeois ingehuldigd als het ‘Paleis op de Meir’ onder beheer van Erfgoed Vlaanderen, dat voor een nieuwe invulling met deels commerciële inslag zal zorgen.


Een rondleiding door het paleis kan je meemaken elke ma.-vr. en zo. om 14u., elke za. om 11u. Vertrekplek is de vestibule van de trapzaal links van de inkomhall. (Info april 2013)

Maar we kunnen je misschien al de smaak te pakken laten krijgen:


Ga je in de hall meteen naar rechts dan kom je in The Chocolade Line, de chocoladezaak van Dominique Persoone, die gevestigd is in de twee voorste vertrekken, die in de tijd van Napoléon Bonaparte de salon en de slaapkamer van de grootmaarschalk waren. In de salon zijn er wandschilderingen van Balthasar Beschey rond de Oud-Testamentische Bijbelfiguur Jozef, de zoon van Jacob die het tot onderkoning van Egypte brengt. Links van de deur zie je hem de graanschuren openen en zo de Egyptenaren voor hongersnood behoeden, rechts wordt hij door zijn broers aan buitenlandse kooplui verkocht voor 20 zilverlingen en de grote salonbrede schildering toont de Triomf van Jozef in Egypte. Stap je verder langs de pralines naar het tweede vertrek, de slaapkamer, dan gaat de Jozef-reeks daar verder met naast de deur een dromende Jozef die betrapt wordt door zijn broers en op de grote wandschildering wordt Jozef herenigd met zijn vader Jacob. Boven alle deuren van deze beide vertrekken zie je grisailles – grauwschilderingen of ‘witjes’ - waarbij het lijkt of je met driedimensionaal beeldhouwwerk te doen hebt. Telkens zie je twee of drie putti, kleine naakte engelachtige knaapjes, die allemaal vanuit het penseel van Maerten Geeraerts komen en verschillende deugden verbeelden. Beschey en Geeraerts leefden in de tijd dat Jan Pieter van Baurscheir Jr. dit stadspaleis bouwde, waarschijnlijk zijn deze wandschilderingen hier vanaf het begin geweest.


Tot het aanbod van de chocolaterie behoren pralines met tequila, cola, olijven- of sigarensmaak. Er is ook chocolade lippenstift te krijgen of voor de liefhebbers de Chocolate Shooter, een verstuiver voor chocoladepoeder om op te snuiven, in 2007 door Dominique bedacht voor de verjaardag van Rolling Stones-gitarist Ron Wood, waarvoor zijn collega-Stones iets aparts wensten.


Loop even door naar de vroegere keuken, een royaal vertrek waarin twee wanden met witte tegels nog de oorspronkelijke functie aanduiden, maar die is tijdens Napoléon gewijzigd, toen hier de eetkamer van de grootmaarschalk werd ingericht. Intussen wordt er in deze ruimte toch weer gekookt, nu de chocolade specialiteiten van Persoone. Er hangt een collage van zijn werk rondom Dominique’s portret als ‘Shock-o-latier’.


Vanuit de chocolaterie kan je recht oversteken naar de vertrekken links van de inkomhall. Achter een glazen deur zie je Café Impérial, dat de vroegere portrettengalerij, het muzieksalon en de eetkamer van de hofdame heeft ingepalmd. Dit is een luxe-brasserie van dezelfde eigenaars als brasserie en zaal Horta en brasserie The Bistro, respectievelijk aan de Wapper en het Hopland, vlakbij dit Paleis.


Op de bovenverdieping ligt rechts het Blauwe Salon, goeddeels ingericht op aanvraag van Napoléon en koning Willem I der Nederlanden met empire-meubilair en decoraties. Zoals gezegd waren deze meubels lange tijd in bruikleen bij de koninklijke familie in de Brusselse paleizen en het heeft even onderhandelen gekost voordat Filip en Mathilde daar afstand van wilden doen. Maar op 12 maart 2010 zijn de kasten, tafels, stoelen, lusters, pendules, haardschermen, kandelaars en … het bed van Napoléon weer gearriveerd in Antwerpen. ‘Kunnen we eindelijk ook eens bij Ikea gaan winkelen’, zal Mathilde gedacht hebben.

Die voorste ruimte sluit aan op de grote Zaal der 17 Provinciën met de hierboven al beschreven decoraties van Mathieu Van Bree, die ook het op deze zaal volgend fumoir in empirestijl ontwerpt, waarachter de eetzaal ligt met een tapijt uit begin 19de eeuw.

In de linkervleugel valt je mond open van die Spiegelzaal van Leopold II.

Een monumentale trap met smeedijzeren rocailleleuning uit de 19de eeuw leidt vanuit de vestibule naar al die schoonheid.


Wandel je vanuit de inkomhall rechtdoor, dan kom je eerst op de binnenplaats, nu met terras van Café Impérial. Via een zuilendoorgang – met teksten en kaarten die iets over dit stadspaleis vertellen – waarop Leopold II een verbindingsgalerij tussen de linker- en rechtervleugel heeft laten aanbrengen, kom je in de ommuurde tuin. Zowel onder deze tuin als onder de binnenplaats liggen reservoirs met bluswater. Achter in de tuin zie je het koetshuis, waar vroeger in het middendeel de koetsen en karossen stonden (de remise) met aan weerszijden de stallen voor de paarden die ze moesten trekken. Op de onverwarmde zolder sliepen de stalknechten. Tuin, koetshuis en stallingen heeft de tweede eigenaar van dit stadspaleis, Jean-Baptist de Fraula, laten aanbouwen, maar rond 1906 zijn de stallingen onder koning Leopold II uitgebreid. Rond 1998 is er nog een voorbouw met veel glas voor de remise geplaatst wanneer Antwerpen Open hier zijn intrek neemt, maar nu is hier sinds maart 2013 de Flamant home interiors & decorations store gevestigd.


Paleis op de Meir

© foto: Vera Seppion


Paleis op de Meir, tuin

© foto: André Bongers