Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

PARADIJSSTROMEN

Marche-en-Famenne

Het Oude Testament is een verzameling joodse geschriften – ‘boeken’ – die alle dateren van voor de komst van Jezus Christus en door hem als de Schrift werden aanvaard. De katholieke Kerk heeft omstreeks het jaar 400 uitdrukkelijk vastgelegd welke boeken zij tot het Oude Testament rekenende, namelijk de Griekse Bijbelvertaling van de Alexandrijnse joden, die ook de apostelen bij hun prediking buiten Palestina hebben gebruikt. Die vaststelling was nodig, omdat de joden zelf uiteindelijk enkel de in het Hebreeuws geschreven boeken zijn gaan accepteren en niet langer de boeken die in de Griekse periode oorspronkelijk in het Grieks zijn geschreven. Ook de protestanten volgden later de joodse indeling, de katholieken rekenen de ‘Griekse’ boeken tot hun Oude Testament.


De joden vatten de eerste vijf door Moses geschreven boeken samen als de Tora, ofwel de Wet. Het gaat om de boeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. In het boek Genesis (Oorsprong) komt in hoofdstuk 2 een beschrijving voor van het scheppen van God van het Aards Paradijs, ook de Hof van Eden genoemd. Vanaf regel 10 tot en met 14 wordt daar gesproken over de Paradijsstromen: “In Eden ontspringt een rivier die de tuin bevloeit en die zich wat verderop splitst in vier takken. De eerste heet de Pishon, die om het hele land Chawila stroomt, waar voortreffelijk goud, balsemhars en robijnen worden gevonden. De tweede stroom is de Gichon, die het hele land van Koesj omspoelt. De derde stroom heet de Tigris en loopt ten oosten van Assjoer. En de vierde is de Eufraat.”


Van oudsher is gespeculeerd over de juiste ligging van het Paradijs, waarbij de opsomming van deze rivieren natuurlijk een eerste aanduiding vormde. Van de vier Paradijsstromen zijn de Tigris en de Eufraat vandaag nog makkelijk te traceren, ze stromen door Irak. Assjoer was de stad van waaruit zich Assyrië ontwikkelde, een gebied dat in de joodse geschiedenis een rol speelt.


Lastiger was de situering van de twee overblijvende Paradijsstromen. De Gichon werd ergens in Soedan gedacht, waar ooit een streek als Koesj bekend stond, toen het daar nog Nubië heette. Egyptische farao’s maken er al melding van op hun expedities naar het zuiden. En voor Chawila, waar de Pishon stroomde, werd aan de streek Havilah in Ethiopië gedacht, omdat daar goudmijnen waren.


Maar omdat het Paradijs toch vaker ergens tussen Eufraat en Tigris wordt gedacht, is er al snel twijfel gerezen aan die Afrikaanse situering van beide andere Paradijsstromen. Toen satellietfoto’s beelden toonden die sporen van opgedroogde rivierbeddingen in Irak te zien gaven, werd dus direct aan de verloren Paradijsstromen gedacht.


Hoewel de joodse geschriften veel geschiedkundige details bevatten die achteraf op reële feiten bleken te berusten, bijvoorbeeld het bestaan van Babylon en de hoge Zigurat-piramides, waarop het verhaal van de Babylonische spraakverwarring bij de bouw van de Toren van Babel is gebaseerd, gaat het natuurlijk in de eerste plaats over geloofszaken waarbij symbolen worden gebruikt. Het getal vier staat van oudsher voor alles wat met de mens en de aarde te maken heeft, tegenover drie als getal van de godheid: vier windstreken, vier seizoenen, vier ledematen, vier elementen, naast de goddelijke drie-eenheid, drie koningen, de pauselijke tiara of driekroon, de drie eerste van de Tien Geboden. De band tussen mens en god wordt dan een combinatie van beide getallen, dus 7 (3+4) en 12 (3x4): zeven smarten van Maria, in de zevende hemel zijn, de twaalf apostelen, de twaalf tekens van de dierenriem.


Dat er vier Paradijsstromen worden genoemd, die het paradijs vruchtbaar moeten maken voor de mensheid, is dus zeker als symbolisch aantal verklaarbaar. En het zal wellicht pas in tweede instantie gekoppeld zijn aan reële rivieren die ten tijde van de mondelinge overlevering bij de toehoorders bekend waren als belangrijke rivieren, waarvan ze de lengte niet konden overzien.