Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

FRANÇOIS PETERINCK (1719-1799)

Tournai / Doornik

In 1709 wordt in Quesnoy-sur-Deûle nabij de Franse stad Lille François-Joseph Peterinck geboren. Hij is de zoon van baljuw Jean-Baptiste Péterinck en Marie de Coninck. Als voormalig officier in het Franse leger begint hij in het Belgische Ath een handel in steenkool. Hij trouwt daar op 15 juli 1747 met de 24-jarige Anne Deswattines. In 1751 koopt hij in Doornik de aardewerkfabriek, die François Carpentier daar een jaar tevoren heeft opgericht, om daar op een moderne manier faience en zacht porselein te vervaardigen.


Hard porselein wordt gemaakt met behulp van kaolien, een zachte witte kleisoort die op sommige plaatsen in de bodem aanwezig is. De Chinezen maakten al dit soort porselein, maar in Europa is het procedé om dit type porselein te vervaardigen onbekend tot begin 18de eeuw. Het is de Duitse chemicus Johann Friedrich Böttger die, gesteund door keurvorst August de Sterke van Saksen, in 1708 de juiste samenstelling voor de productie van hard porselein kan achterhalen. Dankzij de aanwezigheid van kaolien in Saksen kan met een porseleinproductie worden begonnen die kan wedijveren met het tot dan toe uit China ingevoerde product en in Meissen wordt in 1710 een porseleinfabriek gevestigd. Het procedé wordt uiteraard strikt geheim gehouden, maar lekt toch spoedig uit naar elders in Duitsland en vandaar over heel Europa.


Zonder kaolien kan enkel zacht porselein worden gemaakt met weedas en dat gebeurt in Doornik, zoals het ook sinds 1745 gebeurt in de Franse porseleinfabriek van Vincennes, die in 1756 verhuist naar Sèvres en na de ontdekking in 1767 van kaolienafzettingen door chirurg Darnet in Saint-Yrieix  nabij de Franse stad Limoges.  In 1768 kan daardoor in de Manufacture royale de Sèvres naast zacht ook hard porselein worden geproduceerd.


De fabriek van Peterinck ligt aan de Quai Dumon, dus vlakbij de Schelde en bovendien naast het eerste spoorwegstation van Doornik. De vroegere eigenaar François Carpentier introduceert bij François Peterinck de broers  Robert en Gilles Dubois, die bij zijn schoonbroer in diens bedrijven te Valenciennes en Saint-Amand-des-Eaux hebben gewerkt. Peterinck sluit een contract af met Robert Dubois en haalt daarmee de kennis en kunstzinnigheid van beide broers binnen in zijn bedrijf. In 1751 stelt François Peterinck de producten uit zijn bedrijf voor aan Karel van Lotharingen, de gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, waartoe Doornik behoort. Karel is zelf ook aan het experimenteren nabij zijn paleis in Tervuren met ateliers voor de vervaardiging van diverse producten als behangpapier, Indische stoffen en ook porselein. Hij wil de industriële ontwikkeling van de Oostenrijkse Nederlanden stimuleren door het opleiden van vaklui in diverse commercieel interessante bedrijfstakken. Peterinck levert de gouverneur-generaal enig materiaal, vormen en wat technische kennis voor diens porseleinatelier. In 1752 verleent Karel van Lotharingen dan ook aan François Peterinck namens keizerin Maria-Théresia van Oostenrijk een dertigjarig monopolie op de productie van zacht porselein, Engels steengoed en Rouaans blauw  in de Oostenrijkse Nederlanden en mag het bedrijf de titel Keizerlijke en Koninklijke manufactuur voeren: Manufacture Impériale et Royale de Porcelain de Tournai François-Joseph Peterinck. Peterinck mag dan ook een eigen merkteken op zijn producten plaatsen en hij kiest daar aanvankelijk de burchttoren uit het Doornikse stadswapen voor, maar dat wordt vanaf 1763 vervangen door twee gekruiste zwaarden en enkele kleine kruisjes daarbij.

In datzelfde jaar 1752 verkoopt een zekere Caillat de geheimen van het kleuren van porselein aan Peterinck, die hij in Vincennes heeft leren kennen. Gilles Dubois vertrekt naar de fabriek van Vincennes en Robert wordt nu directeur van het Doornikse bedrijf.


In het vroegere bedrijf van Carpentier werd enkel faience gemaakt, aardewerk dat met een email op basis van tinoxide wordt gebakken, waardoor de kleuren van de gebruikte aarde niet langer door het glazuur schijnen en meer het uitzicht van Chinees porselein wordt bereikt. Maar Peterinck wil daarnaast het mooiere zacht porselein maken. De zoektocht naar de juiste mix van de grondstoffen en het bereiken van de gewenste kwaliteit nemen echter meer tijd in beslag en veroorzaken ook hogere ontwikkelingskosten dan was verwacht. Pas begin 1756 worden bevredigende resultaten bereikt. Maar net dat jaar verhuist de porseleinfabriek van Vincennes naar Sèvres en krijgt deze de status ‘koninklijk’, terwijl Lodewijk XIV ervoor zorgt dat de concurrentie van ‘zijn’ porseleinmanufactuur wordt tegengehouden door wetten die het buitenlandse zachte porselein gelijkstellen aan het harde porselein, waarvoor reeds een algemeen invoerverbod in Frankrijk geldt. Door deze hogere kosten en het wegvallen van een belangrijke afzetmarkt krijgt de Doornikse porseleinfabriek het moeilijk en dreigt het faillissement. François Peterinck weet dat te voorkomen door een partnerschap aan te gaan met de heren Caters en Van Schoor, die elk voor een derde eigenaar van het bedrijf worden. François blijft echter pertinent weigeren om beide partners deelgenoot te maken in de bedrijfsgeheimen van zijn porseleinproductie. Dat leidt tot een rechtszaak, waardoor Peterinck in 1761 even in de gevangenis belandt, maar dankzij politieke tussenkomst komt François spoedig weer vrij.


De artistieke leiding van zijn bedrijf gaat in 1763 over in handen van Michel-Joseph Duvivier en het bedrijf kent dan een periode van technische perfectie. Duvivier heeft zich in het Engelse Chelsea gespecialiseerd in het schilderen van rivierlandschappen en stetlopers (vogels) in fantasiekleuren op porselein. Er wordt nu ook veelvuldig goud gebruikt als kleur. Vanaf 1771 heeft Peterincks porseleinfabriek eigen winkels in het Spaanse Cadiz en in Amsterdam en wordt er naar het prins-bisdom Luik, Spanje, Engeland en Rusland geëxporteerd. En ook naar Frankrijk voor faience, dat steeds een belangrijk deel van de productie van Peterincks bedrijf blijft uitmaken en onmisbaar is voor het overleven van de fabriek, omdat de winstmarges daarop groter zijn, evenals de aantallen. Er werken meer dan tien mensen in de faience-afdeling en maar een handvol bij de porseleinproductie.


Na het overlijden van Joseph Duvervier in 1774 blijft de productie aanvankelijk op het bereikte hoge peil, met enerzijds blauw versierd porselein voor dagelijks gebruik dat tegen lage kosten kan worden aangeboden en anderzijds het luxere segment, waar bloemen, fruit en vogels op de producten verschijnen, welke decoraties gebaseerd zijn op Buffons boekwerk ‘L’Histoire Naturelle des Oiseaux’. De kwaliteit ligt zo hoog, dat de hertog van Orléans met zijn neef koning Lodewijk XIV een weddenschap aangaat dat het porselein uit de fabriek van Peterinck beter is dan dat uit de koninklijke manufactuur van Sèvres – en hij wint. Dat leidt in 1776 tot de bestelling door de hertog van een servies van liefst 1600 stuks bij Peterinck. Toch doemen er donkere wolken op voor zijn firma. Het monopolie wordt in 1780 weliswaar met 25 jaar verlengt, doch enkel voor het grondgebied tussen Oudenaarde en Saint-Ghislain. Voor het eerst krijgt François Peterinck met binnenlandse concurrentie te maken en dat zal tot de geleidelijke afbouw van de porseleinproductie leiden. Bovendien blijkt de hertog van Orléans een slechte klant te zijn, hij zal het geleverde servies nimmer betalen.  


Voor zijn dood in 1799 heeft François Peterinck zijn aandeel in het bedrijf verkocht aan zijn dan 42-jarige dochter Amélie. Zij is gehuwd met advocaat Jean-Maximilien de Bettignies, die zich als bedrijfsleider zal opwerpen. Familieruzies zorgen ervoor dat een andere schoonzoon van François, Henri-François de Bettignies, een concurrerende fabriek in Doornik opricht, die ongeveer dezelfde producten zal gaan maken en die uiteindelijk ook het oorspronkelijke bedrijf in handen zal krijgen.

In 1817 zal ook een zoon van Amélie en Maximilien een porseleinmanufacture stichten in Saint-Amand-les-Eaux, net over de Franse grens, die tot in 1882 zal blijven produceren. Doordat er nu drie bedrijven zijn binnen dezelfde familiegroep die allemaal dezelfde vormen, decoraties en de blauwe kleur voor het dagelijkse porselein gebruiken, is het vandaag lastig om deze producten van elkaar te onderscheiden.


Bij zijn dood laat François Peterinck ook een luxueus herenhuis na, gelegen aan de Rue Muche Vache 9 in de Saint-Jacquesparochie niet zo heel ver van zijn fabriek, maar aan de overzijde van de Schelde. Dat huis zal later in handen komen van een andere beroemde porseleinfabrikant, de familie Boch, terwijl het vandaag het adres is van restaurant Les Tables Muche Vache.


De familie de Bettignies-Peterinck zet dus het bedrijf verder, aanvankelijk onder leiding van Maximilien, na diens dood in 1802 onder directie van zijn vrouw Amélie Peterinck, die tot 1808 aan de leiding blijft. Drie van haar acht kinderen worden bij de bedrijfsleiding betrokken, maar toch is er een partner van buiten de familie nodig, Maurice Saint-Léger, wat evenwel niet verhinderen kan dat het bedrijf in 1814 failliet gaat. Daarop gaan vertegenwoordigers van de Rechtbank van Koophandel het bedrijf voortzetten, waarbij Charles Le Coq als voorlopig bewindvoerder de nieuwe vorst uitnodigt, de Nederlandse koning Willem I die er na Waterloo ook de voormalige Oostenrijkse Nederlanden bij heeft gekregen. Willem, bekend als koopman-koning, plaatst bestellingen voor 79 dozijn dinerborden en zo kan het bedrijf even blijven produceren.


In 1815 wordt de fabriek verkocht aan Olympe de Bettignies, dus weer aan de familie Bettignies. Twee jaar later doet Olympe haar fabriek over aan haar broer Henri-François de Bettignies, die kans ziet de porseleinfabriek drieëndertig jaar overeind te houden, totdat het bedrijf in 1850 nogmaals verkocht wordt, nu aan Boch et Frères,  oorspronkelijk afkomstig uit Septfontaines in Luxemburg, maar sinds 1841 met hun porseleinfabriek actief zijn in La Louvière, een Waalse stad die in feite rond hun bedrijf is ontstaan. Hubert Dasseborne wordt de nieuwe bedrijfsleider, maar na diens overlijden in 1875 blijft de fabriek vier jaar zonder opvolger. Uiteindelijk komt de Parijzenaar Charles Levy aan de leiding en hij gaat ook hard porselein produceren naast het zachte product waarmee Peterinck naam heeft gemaakt. Toch zet de neergang van het bedrijf zich vanaf dan door en op 15 juli 1889 vragen de aandeelhouders het faillissement aan. Kéramis, de kunstafdeling van Boch, kan de vormen en graveertafels uit de brand slepen en de arbeiders kunnen aan het werk in de Boch-fabriek in Sarreguemines.