Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Deze route brengt je door een stukje winkel-wandel-gebied. We gaan verder naar een studentikoos plein, om via het erfgoed van een middeleeuws ziekenhuis en aangrenzende plantentuin door te steken naar een aloude theaterwijk. Tot slot passeren we bij stadsgenoot Pieter Pauwel Rubens. Onderweg raken we tal van zaken aan, die het etiket 'kunst' verdienen. En we graven wat in het recente of verre verleden.


START: MONUMENT 'DE HAND' - Meir, ter hoogte van de Diesel Store.


Wie met de trein komt, kan vanaf Antwerpen-Centraal in metrostation 'Diamant' de lijnen 2 en 15 nemen richting Linkeroever, uitstappen in metrostation 'Meir'. Kom je met een streekbus aan op de Franklin Rooseveltplaats, ga dan bij de Frankrijklei linksaf tot je aan je rechterhand het standbeeld van David Teniers ziet. Wandel zijn richting uit en ga een flink eind voort tot je 'De Hand' ziet op de Meir.


Wie met de auto komt, kan die kwijt in parkeergarage 'Meir' aan de Eiermarkt, die rechts van de KBC-wolkenkrabber ligt. Fietsen kunnen op de Meir vastgemaakt worden aan de blankmetalen stangen, de zogeheten 'spinnen'.


De HAND


De naam van de stad Antwerpen wordt legendarisch afgeleid van het woord 'handwerpen', vandaar dat de hand vaak als symbool wordt gebruikt, bijvoorbeeld vroeger op de grenspalen van de stad. Dit monument is daarop geïnspireerd, al is het niet oorspronkelijk gemaakt voor Antwerpen, maar eigenlijk een onderdeel van het monument 'L'Écoute' van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint-Eustachekerk ligt, in de wijk Les Halles. Daar rust de hand naast een reusachtig kaal hoofd.


Deze Antwerpse Hand uit 1993 zou oorspronkelijk op een golvende schijf komen te rusten, hemelspiegel zowel als watergolven. Dat deel van het kunstwerk moest gefinancierd worden door de verkoop van gouden, bronzen of kristallen handjes. Maar dat zag het Antwerpse publiek kennelijk niet zitten, zodat onze Hand nu op een wat kale cirkel van gebetonneerd dolomiet rust. Voor een groepsfoto is deze plek wél een topper geworden.


Wandel richting wolkenkrabber maar blijf dicht bij het midden van de Meir om wat afstand te houden van de gevels aan je linkerzijde, dan zie je ze beter in hun geheel.


GENERAL BUILDINGS + EAGLE STAR - Meir 14 (JBC/Torfs) + Meir 12 (Springfield).


Nabij de middeleeuwse Handelsbeurs - die aan de overzijde diep weg in het smalle straatje ligt - ontwikkelt zich reeds vroeg het verzekeringswezen. Die traditie heeft zich voortgezet tot in de 20ste eeuw, zoals je ziet aan deze gebouwen uit 1920 en 1923-'24 voor verzekeringsmaatschappijen 'General Accident Fire and Life Assurance Corporation Limited' en 'Eagle Star'. Architect A. Portielje tekende de bouwaanvraag van het linkerpand. De schrijver Willem Elsschot laat het in zijn boek Lijmen/Het Been figureren als de “Compagnie Continentale d’Assurances Générales sur la Vie et de Rentes Viagères”.


Het hoekpand is ontworpen door het architectenduo Jan Van Riel en Eduard Ceurvorst in een soort Beaux-Artsstijl. Als sierstuk is er een koepel op de afgeronde hoek, waarop een bronzen arend neerstrijkt van beeldhouwer Arthur Pierre. In de deurwaaiers de initialen 'E.S.’


Waar nu het verkeer zich in een knoop wurmt, begint de Meirbrug, waar het een eeuw geleden een stuk rustiger was. Begin 16de eeuw wordt op wat dan nog een echte brug over een gracht in het midden van de straat is, een ijzeren kruis geplaatst. Dat eerste kruis wordt in 1566 door de Beeldenstormers vernield en later vervangen door een houten exemplaar. Dat wordt op zijn beurt nogmaals vervangen door een koperen kruis in 1633, dat het tot eind 18de eeuw hier uithoudt. Er wordt gezegd dat het nu in de kathedraal hangt, maar daarover bestaat twijfel. Ter herinnering aan dit kruis is voor je op de KBC-wolkenkrabber rechts tegen de middentoren een groot kruisbeeld in beton aangebracht met een Mariabeeld van de Fransman Rogier de Villiers.


KBC-TORENGEBOUW - BOERENTOREN, Eiermarkt 20.


In 1923 de eerste wolkenkrabber waarin gewoond werd, toen 87 meter hoog, intussen meer dan 97 meter richting hemel piekend en nog uitsluitend kantoorgebouw van de KBC-bank.


Steek maar over naar de Meirbrug en blijf de linkerzijde volgen, zodat je op de Schoenmarkt belandt. Daar slaan we de Schrijnwerkersstraat in, een van de vijf voetgangersstraatjes die de winkelwandelwijk De Wilde Zee vormen.


In dit straatje heeft de bekende kunstenaar Vic Gentils samen met zijn vrouw in 1952 korte tijd een kunstgalerie opengehouden. De straatnaam is ook beslist geknipt voor Gentils, die kort daarop veel assemblages zal maken met lijsten, kasten en meubelonderdelen.


Aan het eind van dit straatje kom je langs een


CALVARIEBERG - Schrijnwerkersstraat.


Deze calvarieberg uit 1710 - tel de Romeinse cijfers in het opschrift maar samen - vervangt een alleenstaand kruisbeeld met lantaarn op een brug die hier over de vestinggracht lag. Stap even tot op het pleintje, om een idee te krijgen van de loop van die stadsomwalling. Rechts zie je de Lombardenvest, schuin links loopt de Wiegstraat, die vroeger Ramshooftvest heette, richting Sint-Katelijnevest. In feite liepen deze straten aan de buitenzijde van de gracht, die dus mooi onder de huidige calvarie door liep - en ondergronds nog steeds bestaat. Door de stompe hoek tussen de Lombardenvest en de Wiegstraat, klotste het water dat bij vloed uit de Schelde deze stadsgrachten binnen stroomde op dit punt nogal hevig. Men duidde deze plaats daarom aan als de 'Wilde Zee', vandaag de naam van de wijk.


Op dit pleintje sta je ook te midden van Belgische pralines (nee, noem ze géén bonbons !) je passeerde al Godiva in de Schrijnwerkersstraat, aan je linkerhand zie je Neuhaus, Galler en Sweertvagher in de Groendalstraat, aan je rechterhand begint aan de overzijde de Lombardenvest met Leonidas en rechtuit brengt je langs Pierre Marcolini. Die hebben zich hier gevestigd rond de alhier zeer bekende Antwerpse chocolatier Burie, die intussen zelf naar de Nationalestraat is gevlucht.


Ga rechtuit de Korte Gasthuisstraat in.

Wandel naar het andere eind van de Korte Gasthuisstraat, maar let intussen aan je linkerhand even op


BAKKERIJ GOOSSENS - Korte Gasthuisstraat 31.


Ongetwijfeld de bekendste bakker van Antwerpen. Omdat het winkeltje zeer klein is, staan de klanten vaak tot buiten te wachten. Er gaat de anekdote, dat hier vroeger vaak fotografen van de Russische krant 'Pravda' werden gesignaleerd. Met hun opnamen wilden ze bewijzen dat ook in het Westen de mensen in rijen voor de winkels stonden ...


Maar nog bekender is een speciaal rozijnenbroodje dat hier wordt verkocht, het roggeverdoemeke, waar een verhaal bij hoort.


Nog opmerkelijk: bakkerij Goossens is op zondag gesloten, zéér abnormaal voor Belgische bakkers!


Sla hier rechtsaf, de Everdijstraat in.


Tegenover het fitnesscentrum zie je aan de gevel van een advocatenkantoor op nr.43 een koperen plaat met de tekst:


“In dit pand woonde en werkte verzamelaar en mecenas François Franck (1872-1932) bezieler van de vereniging Kunst van Heden."


Vanaf de oprichting in 1905 was Kunst van Heden naast Ça ira! de belangrijkste vereniging van avant-gardistische kunstenaars in Antwerpen. Zo'n vereniging organiseerde 'salons' waar leden en gelijkgezinde kunstenaars hun werk aan een geïnteresseerd publiek konden tonen en waarvan de kunstcritici verslag uitbrachten. Ça ira! gaf een eigen tijdschrift uit sinds april 1920, waarin meningen over kunst naar voren werden gebracht, waarop andere tijdschriften als Lumière (vanaf april 1919), Ruimte (maart 1920) en Sélection (augustus 1920) reageerden. Zo ontstond een geanimeerd kunstklimaat in Antwerpen op een moment dat de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog heel wat oude idealen stukgeschoten hadden. Verderop tijdens de wandeling komen we een werk tegen van Oscar Jespers, aanvankelijk lid van Sélection, in 1924 ook lid geworden van Kunst van Heden.


Naast Frans Franck waren ook zijn broers Louis en Charles als mecenas bij Kunst van Heden betrokken, terwijl R. Baseleer, V. Hageman, C. Mertens en W. Vaes als kunstenaars tot de mede-oprichters behoorden. Onder de latere leden zien we onder meer Jules Lagae, George Minne, Egide Rombaux, Victor Rousseau en Ernest Wynants.


Het volgende huis, waar nu Sienna & Faye gevestigd is, was het


WOONHUIS Dr. JAN MANIEWSKI - Everdijstraat 41.


In dit huis heeft dr. Jan(os) Maniewski gewoond, de kleinzoon van schrijver Willem Elsschot, wiens dochter met een Pool was gehuwd. Als grootvader Elsschot op een dag met de kleine Janos in de tuin aan het wandelen is, ziet hij enkele mussen op het gazon hippen. Vanaf dan noemt hij zijn kleinzoon Tsjip en dat zal ook de titel van het boek worden, waarin hij deze familiegebeurtenissen beschrijft. Na de Tweede Wereldoorlog komt daarop het vervolg De Leeuwentemmer, dat doorgaans samen met Tsjip wordt gebundeld.


Even verderop zie je de winkel van Monar, het linkergedeelte was ooit


HUIS SINT-JORIS - Everdijstraat 35

Eén van de drie huizen die hier midden 16de eeuw stonden, wordt in 1549 gekocht door de dan 35-jarige Cornelis Floris de Vriendt. Van opleiding bouwmeester en beeldhouwer is hij ruim tien jaar eerder naar Italië geweest, om daar de Italiaanse renaissancestijl te bestuderen. Teruggekeerd zal Cornelis Floris aan die stijl Vlaamse kenmerken toevoegen, waardoor men later over de Florisstijl is gaan spreken. Zijn publicaties hebben meegewerkt aan de verspreiding van deze Vlaamse renaissancestijl in onze contreien.

Wanneer Cornelis Floris in 1549 opdracht krijgt om een sacramentstoren voor de Sint-Leonarduskerk van Zoutleeuw te realiseren, zal dat monumentale werkstuk grotendeels in het hier gevestigde atelier worden gemaakt. Cornelis leidt in die tijd een heel beeldhouwatelier met diverse medewerkers. Later krijgt hij de leiding over de bouw van het Antwerpse stadhuis, dat tussen 1561 en 1565 wordt gebouwd aan de Grote Markt.

Van Floris’ atelier is vandaag niet veel over, waarschijnlijk enkel de fundamenten waarop in 1851 het kinderziekenhuis Louiza-Maria wordt opgetrokken. Dat maakt in 1877 plaats voor een middelbare meisjesschool op initiatief van Constance Teichmann, om in 1921 naar het andere uiterste omgevormd te worden, het Anna Bijnsgesticht voor oude mensen. Kort daarop komt hier een lagere school met de speelplaats onder het glazen dak achterin. Nadat die school in 2005 de deuren sluit, is het pand helemaal tot winkels en woningen gerenoveerd onder toeziend oog van de Stichting Cornelis Floris, een vereniging voor de bescherming van het Vlaams cultureel en historisch patrimonium.


Ga links de smalle doorgang naast het fitnesscentrum door, zodat je op een veelhoekig binnenplein belandt.


Hier zie je twee opmerkelijke zaken: dit winkelcentrum is opgebouwd uit elementen in honingraatvorm en rechts van je rijst het torengebouw van de Antwerpse politie op. Waar je nu staat zou eigenlijk een tweede - lagere - toren gebouwd worden, met tussen beide een lager verbindingsstuk. Het geheel was dan bedoeld als Administratief Centrum voor alle stedelijke diensten. Van dat project is enkel de hoogste toren gerealiseerd door architect Renaat Braem.


Ga met je rug naar het torengebouw staan en verlaat deze plek via de doorgang recht voor je.


Je passeert links een bronzen plaat met het profiel van oud-burgemeester Lode Craeybeckx. Hij heeft nog de goedkeuring voor dit project van bouwpromotor Marcel Peeters gegeven. Het geheel draagt de naam Winkelforum Oudaen en dit zou dan op voorstel van stadsgids George van Cauwenbergh de Cammerpoort zijn. Maar die naam gebruikt niemand en ook het winkelaanbod is hier altijd uiterst schaars gebleven, bij gebrek aan een echte publiekstrekker en de ligging buiten enig loopcircuit.


Meteen als je deze doorgang uitkomt, zie je bij de plantenbakken


Den DEUGNIET


Dit bronzen beeldje is zowat de Antwerpse tegenhanger van het Brusselse 'Manneken Pis'. Eronder staat een liedjestekst van John Lundström, Antwerps volksliedzanger. Onze Deugniet heeft duidelijk schijt aan de burgerlijke Sinjoor, zoals de bijnaam van de Antwerpenaars luidt, hen door de Spanjaarden gegeven. Maar zijn gatje glanst van het wrijven. Dat brengt geluk.
Het beeldje is in 1976 gemaakt door Luc Verlee en hier op 2 juli 1997 geplaatst. Een vereniging 'Den Deugniet' zorgt ervoor dat het ventje regelmatig een nieuw op maat gemaakt kostuumpje krijgt aangemeten, in navolging van zijn Brusselse broertje. Het gebeurt nogal eens, dat onze onbeschaamde rekel voor korte of langere tijd wordt ontvoerd, dus als je een lege sokkel aantreft...


Wandel rechts het laatste stukje Korte Gasthuisstraat uit en steek over naar de Lange variant, recht voor je, waardoor je bij een toonzaal van Mini's en bijbehorende gadgets uitkomt.


De Lange Gasthuisstraat is hier recent wat veranderd van een straat met vooral veel bankfilialen in een entree met luxe shopping. Links een smal neo-rococo pandje uit begin 20ste eeuw. Twee huizen verder een breed huis, waarin Verso ook veel luxe mode etaleert en een aparte eet- en drinkhoek met openhaard voor zijn klanten reserveert. Eigenlijk is dit pand een verbouwing van twee huizen met enige geschiedenis:


Het POSTMEESTERHUIS - Lange Gasthuisstraat 9 (linker deel Verso).


Hier huisde sinds 1544 het Antwerpse filiaal van de Keizerlijke Post, die in handen was van de familie de Tassis. De posthoorn tussen de twee wapenschilden midden in de driehoek wijst daar nog op. De wapenschilden komen van de huidenvetters en de boogschutters van de Oude Voetbooggilde. De eersten hadden hun leerlooierijen hier en aan de Huidevettersstraat (om de hoek), de schutters oefenden op terreinen langs de nabije Schuttershofstraat. Boogschutters vormden een van de verdedigingsgilden van de stad, samen met de kruisboogschutters, de kolveniers en de schermers.


HERENHUIS GRISAR - Lange Gasthuisstraat 11 (rechter deel Verso).


In 1534 liet de Italiaanse koopman J.B. Graffini drie woningen en een oude leerlooierij slopen om er een fraaie grote woning voor in de plaats te laten zetten. Die is in 1653 herbouwd, later voorzien van een nieuwe gevel en begin 20ste eeuw door architect Jos Hertogs gerestaureerd. Op dat moment woont er de familie Grisar, een van de belangrijkste Antwerpse zakenfamilies van de 19de en begin 20ste eeuw. De familie heeft haar roots in het Franstalige Luik, zoals de naam laat vermoeden, maar is daar in 1680 weggetrokken naar Duitsland. Wanneer Jean-Martin en Charles Grisar zich rond 1800 in Antwerpen vestigen, behoren ze dan ook in de eerste plaats tot de Duitse kolonie, die heel wat meer beroemde Antwerpse namen omvat. Via de scheepsmakelaardij krijgt de familie Grisar de handel in huiden, wol en leer stevig in handen, samen met de ook al Duitse familie Osterrieth. De eerste telefoonlijn in Antwerpen liep in 1879 tussen de kantoren van Osterrieth en Grisar. De Grisars waren dan ook niet toevallig mede-oprichters van The Antwerp International Bell Telephone Company, vandaag Alcatel-Lucent. Alfred Grisar sticht in 1900 de Beerschot Athletic Club op een stuk grond dat grootvader Ernest op het Kiel heeft gekocht. En omdat die kort tevoren overleden is worden de clubkleuren aangepast aan de rouw: paars-wit. Nog altijd het kenteken van deze Antwerpse voetbalclub.


In 1923 zijn beide panden samengevoegd en wordt de linkergevel aan de rechter aangepast. Het smeedwerk van het balkon is waarschijnlijk gemaakt door J.B. Lamour, de Fransman die ook de beroemde hekken van de Place Stanislas in Nancy heeft vervaardigd. Wie even binnenstapt, ziet een enorme lichtkoepel met daarop de dierenriem en nog wat 'comptoirs' van de vorige bewoner, het Crédit Lyonnais, later opgeslorpt door de Deutsche Bank.


We schuiven enige huizen op en staan dan voor een ogenschijnlijk middeleeuwse gevel.


MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH - Lange Gasthuisstraat 19.


Een moeder liet hier een heel museum bouwen voor haar zoon Fritz, een verzamelaar van gotische en renaissance kunst. Het topstuk is Dulle Griet, een schilderij van Pieter Bruegel de Oude.


We dwarsen de Arenbergstraat en vervolgen onze weg tot het


MAAGDENHUIS - Lange Gasthuisstraat 33.


Een weeshuis voor meisjes (‘maagdekens’), gesticht in 1552 en nu als kleinste museum van Antwerpen de behuizing voor een kunstcollectie van het Antwerpse Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), de zorginstelling voor hulp aan de minder bedeelde medeburger. Naast de vaste collectie van 15de- t/m 17de-eeuwse schilderijen en 16de-eeuwse papkommen, vinden er ook tijdelijke tentoonstellingen plaats.


Steek over naar het Mechelseplein met tussen wat groen een beeld.


WILLEM ELSSCHOT - Mechelseplein.


"Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren." Op 7 mei 1882 wordt aan de Antwerpse De Keyserlei 'Fonne van den bakker' geboren, zoon van banketbakker Christaan De Ridder. Met een diploma handels- en consulaire wetenschappen op zak, richt Alfons in 1912 de Revue Continental Illustrée op, een reclameblad voor de zakenwereld. Of het ooit verschenen is, blijft onduidelijk, maar het tekent de ondernemingsgeest van de jongeman. Het jaar nadien debuteert hij met een literair product, de roman Villa des Roses, al heeft hij reeds eerder enkele gedichten geschreven. Vanaf dit moment bewonen twee personen hetzelfde lichaam: reclameman De Ridder en literator Willem Elsschot - een pseudoniem dat wellicht tijdens een vakantie in het gehucht Helschot tussen Westerlo en Veerle-Laakdal is ontstaan.


Zijn latere ervaringen in de reclamewereld leveren Elsschot de stof voor romans als Lijmen (1924) en Het Been (1938). In 1933 verschijnt de roman Kaas, superieur werk dat de aanloop zou geven tot een nieuwe creatieve periode, die afsluit met Het Dwaallicht (1946). Laermans en Boorman zijn de bekendste figuren uit zijn literaire oeuvre.


Op 31 mei 1960 is deze populaire schrijver in zijn geboortestad overleden. Postuum wordt hem datzelfde jaar de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan toegekend. Alfons De Ridder is begraven op Ereperk N van het Schoonselhof, het Père Lachaisse van Antwerpen. Onze beroemde beginzin komt uit Willems gedicht Het Huwelijk.


Dit beeld uit 1994 is van de Antwerpenaar Wilfried Pas, stilaan zowat de eigentijdse stadsbeeldhouwer met naast Elsschot ook een bronzen Paul Van Ostaijen (Pottenbrug), Koning Boudewijn (Voetgangerstunnel Linkeroever) en binnen ons gezichtsveld aan het eind van de Maarschalk Gérardstraat schuin rechts Gerard Walschap.


Steek het plein diagonaal over naar de zijde van het Vleminckveld / Maarschalk Gérardstraat.


DE STUDIO - Podium voor jong publiek - Maarschalk Gérardstraat 4.


Rond 1780 laat bankier Frans Jozef van Ertborn zijn eigendom aan het Mechelseplein verbouwen tot een prachtig herenhuis. Vanaf 1970 huist er het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst Studio Herman Teirlinck. Heel wat Vlaams talent, zowel op toneel- en musicalplanken, als in het kleinkunst- en cabaretgenre hebben dit gebouw en de omliggende cafés aan het Mechelseplein van binnen leren kennen. Wat 'name-dropping': Els De Schepper, Kurt Van Eeghem, Stef Bos, .... Sinds augustus 2011 is Villanella eigenaar en worden hier kinder- en jeugdvoorstellingen gegeven door een heel aantal gezelschappen, terwijl Villanella daarnaast jong talent tussen 20 en 30 jaar kansen wil geven via workshops en coaching.


Aan het eind van de Maarschalk Gérardstraat wacht ons


GERARD WALSCHAP - Maarschalk Gérardstraat.


Walschap woont tot zijn dood in de Lemméstraat in het zogeheten Leikwartier. Zijn overbuurman is Willem Elsschot, maar beiden hebben blijkbaar nauwelijks of nooit contact met elkaar gehad. Ook hier staan beide grote schrijvers in elkaars nabijheid, doch niet op dialoogafstand. Terwijl Willem voldaan de krant zit te lezen, is Gerard Walschap verdiept in een van zijn boeken.


Dat ook Walschap door Wilfried Pas in brons werd gegoten, is eveneens passend: beiden zijn in Londerzeel geboren en inmiddels ereburger van dat Vlaams-Brabantse dorp tegen de grens van de provincie Antwerpen.


Terugkeren naar het Mechelse Plein en daar de poort van het Sint-Elisabethziekenhuis door.


SINT-ELISABETHGASTHUIS - HOTEL EN SEMINARIECENTRUM ELZENVELD - Lange Gasthuisstraat 45.


Begonnen als een boerderij van het Mariagasthuis wordt hier door de zusters augustinessen vanaf de 13de eeuw een hospitaal uitgebouwd, met naast hun klooster een ziekenzaal en uiteraard ook een kapel. Vandaag staat hier enerzijds een moderner ziekenhuis, waar vooral de revalidatie van patiënten een belangrijk onderdeel van de zorgvoorziening vormt, terwijl anderzijds het middeleeuwse gedeelte is omgebouwd tot een wat verborgen gelegen hotel in het kloostergedeelte en seminariezalen in het vroegere gasthuis.


Achter de ingangspoort ga je direct rechtsaf en zo kom je voorbij de


ONZE-LIEVE-VROUWEKAPEL


De diensten in deze 15de-eeuwse kapel konden zowel door de nonnen van het klooster als door de patiënten in de ziekenzaal worden bijgewoond. In het schip van de kapel namen de zusters plaats, maar het altaar kon ook vanuit de grote ziekenzaal worden gezien, zodat wie daar verpleegd werd vanuit bed ook de mis kon bijwonen. In die oude ziekenzaal worden nu recepties en banketten gegeven.


Ga verder door een poortje naar de


AALMOEZENIERSTUIN


Rond deze tuin ligt het oude klooster met links de oude kloosterpanden rond een niet zichtbare binnentuin, wat verderop tegenover je de keuken en de 17de-eeuwse pastorie met trapgevels, waar de pastoor van het gasthuis woonde.


Naast een monumentale trompetboom staan ‘De kreupele en de blinde’, spookachtige beelden van Albert Szukalski. Deze uitgeholde polyester gestalten stellen verstarde mensen voor, niet in staat tot een echt gesprek, enkel tot holle frazen. Blind en moeizaam bewegend staan ze voor het gebrek aan communicatie in onze samenleving.


Een beetje ‘opgehokt’ staat tegen een zijmuur nog een Madonna met Kind, waarbij een slang het onderspit moet delven onder de maansikkel.


Voor de zijgevel van de kapel staat de Antwerpse auteur Maurice Gilliams. Tussen eind 1938 en medio 1943 wordt hij zes keer voor langere tijd in het Stuivenberggasthuis opgenomen, waar hij verpleegster Maria de Raeymaeckers ontmoet, die in 1976 zijn tweede vrouw wordt. Ze heeft dus geduld moeten hebben! Wanneer zijzelf dan in 1982 wegens een ziekte in dit Elisabethgasthuis wordt opgenomen, krijgt Maurice tijdens een bezoek aan haar op 18 oktober een hartaanval en overlijdt ter plaatse. Daarom staat hier dit beeld van Rik Poot als eerbetoon.


Terug door de poort en aan het eind van de kasseien naar rechts langs de vroegere ziekenhuisgebouwen, nu in gebruik als zalencomplex Oud Gasthuis. Verderop passeer je de nieuwe gebouwen van het huidige Sint-Elisabethziekenhuis en dan op het einde aan de straat even linksaf en meteen een hoge stenen poortomlijsting door en nog voor restaurant “Het Gebaar” rechts het groen in


PLANTENTUIN - Leopoldstraat 24.


Deze groenzone is ontstaan uit de moes- en fruittuin van het Sint-Elisabethgasthuis, maar is sinds 1926 een stadsinstelling, waar je elk seizoen een groot aantal bloemen en planten kan bewonderen en waar mensen even komen uitblazen op een bankje, of zomers languit liggend op het gras. In ‘De Botanieken Hof’, zoals Antwerpenaren deze tuin ook noemen, zorgt een heel team tuiniers ervoor dat alles mooi groeit en bloeit en meestal kunnen ze je ook wel wat vertellen over al dat groen dat hier uit de grond schiet. Menige plant heeft ook een passend naambordje gekregen.


Het restaurant dat je zojuist gepasseerd bent, is de oude hovenierswoning in Zwitserse chaletstijl, die stadsbouwmeester Pieter Dens in 1866 gebouwd heeft en die nu dus een nieuwe invulling kreeg als restaurant, waar Roger van Damme met nieuwe kooktechnieken à la Albert Adrià experimenteert, wat hem alvast één Michelinster heeft opgeleverd.


Op het grasveld bij het chalet staat sinds 24 oktober 1996 het standbeeld van Peeter van Coudenberghe, dat al van 1861 dateert en intussen al een en ander heeft meegemaakt. Peeter zelf was een 16de-eeuwer, die als apotheker een eerste plantentuin aanlegde, wat zijn aanwezigheid hier verklaart.


Wat verderop nabij de vijver zie je Greening II, waarbij een man zich in vijf etappes uit het gazon los lijkt te maken. Het is een kunstwerk van Monique Donckers uit het Antwerpse district Berchem. Een perk verderop staat dan weer een bijenhotel, waar solitair levende bijen hun nest kunnen maken. Wilde bijenzwermen komen eigenlijk niet meer voor in België, enkel imkers werken nog met bijenvolkeren voor honingproductie. Maar omdat deze plantentuin meer wil zijn dan zomaar een stukje groen tussen de huizen, wordt er ook wat aan educatie gedaan, liefst op aanschouwelijke wijze.


Dat zie je ook nog eens rechts achteraan, waar in 1912 een schuttersgalerij uit de periode 1620 tot 1660 heropgebouwd is, die achter een huis in de nabije Arenbergstraat bewaard was gebleven. Het is een galerij van de Sint-Joriskruisboogschutters - ofwel Oude Voetbooggilde -, die hun oefenterrein aan de toen nog onbestaande Arenbergstraat hadden, op zogenaamde raamhoven, waar de volders hun lakens (grote stukken geweven linnen) opspanden, wanneer zij de draden tot een dichte stof hadden doen krimpen.

Hier hangen sinds 31 januari 2013 zesentwintig portretten van Vlaamse dichters en dichteressen, gefotografeerd door Andy Huysmans voor een project van stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen, die we verder nog eens gaan tegenkomen op onze route. Hij liet zich voor deze Tuin der Poëten inspireren door de Jardin de los Poetas in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires. Het is zijn intentie om in deze plantentuin nog andere activiteiten rond poëzie te realiseren.


Ga je rechts naast de Schuttersgalerij door een poortje, dan kom je in de Prairietuin. Toen de Vlaamse overheid in 2004 aan de gemeenten vroeg om geen pesticiden meer te gebruiken voor het onderhoud van hun parken en plantsoenen, ontstond het idee van een onderhoudsvriendelijke tuin waarin de vier seizoenen duidelijk zichtbaar zijn. Deze Prairietuin van 335 m² is gerealiseerd in het najaar van 2008 door plantenkwekerij Jan Spruyt-Van der Jeugd uit Buggenhout. Doordat alle planten diep wortelen hebben ze weinig water nodig en geen extra mest. De grond hoeft ook niet bewerkt te worden en de onkruidbestrijding gebeurt met de hand. Om onkruidvorming tegen te gaan is de bodem wel met lavakorrels bedekt.


Verlaat de plantentuin langs de plantenserre en de daarop aansluitende uitgang naar de Leopoldstraat. Kijk nog even naar de rij van koperen lantaarns op de muur van de Plantentuin en sla dan linksaf, de Leopoldstraat in.


Even verderop kruis je de Arenbergstraat. Wanneer je nu recht vooruit en omhoog kijkt, zie je nog twee ‘spoken’ van Albert Szukalski op het dak van een huis, dat de chocolade van Guylian deelt met het tassenleer van Delvaux.


Hier staat een echt monument:


BOURLASCHOUWBURG - Komedieplaats 18.


Op de plaats van een 16de-eeuwse verkoophal voor tapijten is hier tussen 1827 en 1834 een prachtige schouwburg verrezen, genoemd naar zijn ontwerper Pierre Bruno Bourla. Stap even binnen in de rotonde en bekijk de plafondschildering en vergeet ook niet omhoog te kijken aan de buitenzijde, waar borstbeelden van toneelschrijvers en componisten wachten op inspiratie van de muzen boven hen op de dakrand.


Wachthuisje


Voor het gebouw staat nog een laatste bewaard belle-époque wachthuisje voor tramreizigers. Maar het heeft zijn functie goeddeels verloren, sinds de trams zijn omgelegd via een parallelstraat. Alleen een buslijn doet deze halte nog aan.


Links van de Bourlaschouwburg gaan we naar rechts door de Kelderstraat, herinnerend aan de vroegere bergkelders van de tapijthandelaars in het Tapissierspand.

Vandaag zie je vooral chique winkels rond de Bourlaschouwburg. Maar tot eind twintigste eeuw stond deze wijk bekend voor zijn uitzuipcafés. Dat waren gelegenheden waar animeermeisjes de klanten moesten aanzetten tot verteer. In ruil voor de 'coupkes' - brede kelkglazen - kreeg de klant dan luchtige conversatie en charmant gezelschap. Zo'n 'coupke' bevatte voor de klant duur betaalde champagne, de meisjes kregen vaak koude thee in hun glas, die uiteraard wél als champagne werd aangerekend.

Er kon eventueel ook tot intiemer contact worden overgegaan in een kamer boven het café, maar dat was in vele gevallen niet direct het doel van wie zo'n café bezocht en de meisjes waren er ook niet toe verplicht. Daar lag een belangrijk verschil tussen zo'n animeermeisje en een prostituée uit het Schipperskwartier - de echte 'rosse buurt'. Zo'n uitzuipcafé was ook niet echt obscuur en de klanten waren dikwijls gekende burgers, die 'voor' en 'na' elkaar ontmoetten in een nabijgelegen 'deftig' café. Uitzuipcafés hebben hier bestaan tot in de jaren '80 van de 20ste eeuw.


Napoléon Bonaparte heeft zo een eigen systeem bedacht om het vertier in kaart te brengen. Hij kende de 'cabarets' (zoals elke drankgelegenheid toen werd genoemd) allemaal een cijfer toe. Naarmate het cijfer steeg, daalde het allooi van de instelling. De meest louche gelegenheden droegen het nummer 12, in het Frans cabaret douze. In Antwerpen wordt zo'n schimmige gelegenheid daarom nog steeds aangeduid als een 'cabardoeske'.

Aan het eind van de Kelderstraat even naar rechts en je staat op de


GRAANMARKT


Vandaag een stukje van de wijd en zijd bekende zondagsmarkt, die zich verder uitstrekt langs de Maria Pijpelinckxstraat over de aangrenzende Oude Vaartplaats, het Theaterplein en het Blauwtorenplein tot tegen de Frankrijklei. Nederlanders spreken steeds over de 'Vogeltjesmarkt', maar de juiste naam is Vogelenmarkt. Het gaat niet over kanariepietjes in een kooitje, maar over kippen, eenden, kalkoenen en ganzen voor op tafel. Zeg maar pluimvee, in goed Vlaams 'vogelen'. Een enkele marktkramer biedt ze ook vandaag nog aan. Dé attractie van de markt zijn echter de standwerkers, die met hun radde verhalen inspelen op het kijkpubliek. Jaarlijks wordt er onder hen een koning en een koningin van de Vogelenmarkt gekozen.


Projectontwikkelaar Gilbert Van Schoonbeke


Wie even de Graanmarkt bekijkt, ziet aan de rechthoekige vorm en het patroon van omsluitende en erop uitkomende straten, dat het allemaal nogal regelmatig oogt. En dat klopt, want dit is geen spontaan ontstane markt, zoals je die in allerhande soorten rond de kathedraal aantreft, maar een goed gepland geheel. Daar is Gilbert Van Schoonbeke voor verantwoordelijk, een man die leeft in de 16de eeuw. Hij is wat we vandaag een projectontwikkelaar zouden noemen. Gilles koopt hier in 1551 een flinke lap grond, de oefenvelden van de middeleeuwse schuttersgilden en terreinen waarop ten tijde van de lakenhandel de spanramen van de volders hebben gestaan, zogenaamde raamhoven. Gezien de lakennijverheid in die dagen aan het wegkwijnen is en de schuttersgilden door de opkomst van meer geavanceerd wapentuig tot gezelligheidsverenigingen zijn gedegradeerd, liggen die gronden er toch maar wat verlaten bij. Om ze op te waarderen, stelt hij het stadsbestuur voor om de handel in granen te verplaatsen van de smalle Oude Koornmarkt nabij het stadhuis, naar dit ruimere plein. Hij zorgt door de bouw van het Tapissierspand dat er een extra economische injectie komt. Daarna trekt hij straten rondom en verkavelt die gronden op de nu interessant geworden plek in bouwpercelen, die hij te koop aanbiedt. Kassa!


In de 16de eeuw vindt geleidelijk aan de overgang van gerst naar tarwe als basisproduct voor brood plaats. Doordat gerst weinig gluten bevat, geeft dat meel een donker, compact en zwaar op de maag liggend soort brood. Tarwebrood blijkt in alle opzichten veel lichter - zowel van kleur, textuur als verteerbaarheid. Die tarwe werd hier dus verhandeld.


Standbeeld Victor Driessens


De bronzen man op de sokkel is Victor Driessens, die in 1853 voor het eerst door zijn Nederlandstalig beroepstoneel stukken laat opvoeren in het Vlaams. Daarom staat hij terecht met zijn rug naar de Bourlaschouwburg, in Vic's dagen nog de theatertempel van de Franstalige bourgoisie, het Théatre Royale français.


Huizen aan de Graanmarkt


De drie kleine huisjes met trapgevels aan je linkerzijde dateren nog uit het midden van de 16de eeuw: nr.1 'Grooten Hoeksteen', nr.2 'Sarazynshooft' (nu 'Varkenspoot'), nr.3 'Coperhuys' (nu 'De Duifkens'). Zo moet in de 16de eeuw de hele Graanmarkt er hebben uitgezien.


Acteurscafé De Duifkens


Het kleine bruine kroegje op nr.3 is van oudsher de stamkroeg van de acteurs die hier in de diverse theaters hun 'ding' doen. In de andere cafés komt vooral het publiek na de voorstellingen in de Bourla, de Arenbergschouwburg, de Stadsschouwburg - waar vaak musicals spelen -, het Echt Antwaarps Theater. Jawel, dit is vandaag echt een theaterwijk. Als je geluk hebt, loop je in 'De Duifkens' op acteur Jan Decleir, bekend als deurwaarder Dreverhaven uit de Oscarwinnende film "Karakter", als beroepsmoordenaar uit "De Zaak Alzheimer" en als de pater familias-vader uit de tv-serie "De Meiden van De Wit".


Kijk ook even naar de bebouwing aan de overzijde.


HOOFDKWARTIER BUNGE - Graanmarkt 2.


Een complete tegenstelling met de drie trapgeveltjes, dit statige dubbele kantoorgebouw uit 1908-1910 van architecten Emile Vereecken en Max Winders. Vooral de peervormige koepel met bovenop een zogenaamde 'lantaarn' oogt indrukwekkend, wat gecounterd wordt door de dartel rondspringende kindertjes her en der op de balustrades. Hier was de directiekamer van Edouard Bunge, een van de grote ondernemers van Duitse origine, die tussen midden 19de eeuw en de Eerste Wereldoorlog een enorm aandeel hadden in het zakenleven in Antwerpen. Bunge was onder meer actief in het Verre Oosten, waar hij in Maleisië veefokkerijen en plantages bezat. Onder koning Leopold II was Edouard zeer actief in Congo, toen nog vrijwel privébezit van de koning. Bunge zorgde ervoor dat Antwerpen de wereldmarkt in de handel in ivoor werd en later ook een eerste plaats innam bij de handel in rubber. Vandaag resteert van al die activiteiten nog de beursgenoteerde firma Sipef, een bedrijf dat plantages voor palmolie beheert, onder andere in Indonesië. Als we strakt biodiesel tanken, kan die met hun palmolie zijn gemaakt.


Aan het andere eind van de Graanmarkt slaan we voor de Stadsschouwburg linksaf, de Maria Pijpelinckxstraat in. We beginnen duidelijk Rubens te naderen, Maria was zijn moeder.


BELGIË AAN DE ARBEID - Maria Pijpelinckxstraat.


Tegen de zijwand van de Stadsschouwburg hangt dit in brons geslagen paneel van beeldhouwer Oscar Jespers. Het dateert uit 1937 en is daarmee uit zijn latere periode. Hoewel Jespers tot de gangmakers van het expressionisme in België behoort, kom je weinig werk van hem tegen op openbare plekken. Het meeste bevindt zich in privécollecties en musea. Hier zie je onder meer scheepvaart, visserij, landbouw, metaalbewerking en industrie afgebeeld in een reeks kaders, die door twee stevige figuren à la Permeke worden getorst. Oscar Jespers behoorde tot de kring waarvan ook Paul van Ostaijen deel uitmaakte en voor diens bundel De Feesten van Angst en Pijn heeft hij de tekeningen en houtsneden gemaakt. Oscar is ook de laatste kunstenaar die Van Ostaijen nog levend heeft gezien in het sanatorium van het Waalse Miavoye.


Vlak voor we oversteken naar een volgend plein, kijk je even rechts binnen bij


GRAND CAFÉ HORTA - Hopland 2.


Binnen in deze eigentijdse brasserie zie je gele metalen spanten en plafondstukken. Die horen hier niet helemaal thuis, ze komen uit het in 1963 te Brussel gesloopte Volkshuis van architect Victor Horta, dé grote man van de Belgische art nouveau-bouwstijl. Al dat fraaie ijzerwerk leek lange tijd verloren, maar bleek uiteindelijk ergens in Gent opgeslagen te zijn. Brouwerij Palm heeft ervoor gezorgd, dat eind jaren '90 van de vorige eeuw Horta's erfenis geïntegreerd kon worden in een gloednieuw gebouw. Buiten de brasserie is ook een flink deel van de spanten met hun typisch 'zweepslagmotief' in de feestzaal onder het halfronde 'hangardak' verwerkt. Toch één kritische kanttekening: bij Horta waren deze steunen functioneel, hier zijn ze enkel versiering en absoluut niet nodig om de constructie overeind te houden. Dat kon ook niet, daarvoor was het metaal van het Socialistisch Volkshuis uit 1899 intussen te zwak geworden. Zie het dus vooral als monumentaal eerbetoon.


Steek de Schuttershofstraat recht over naar de


WAPPER


Dit plein is ontstaan door het wegsaneren van de Rubens- en de Wappersstraat medio de jaren '70. Men dacht toen niet aan terrasjes, maar aan een brede invalsroute tussen de Ring en de Meir, waarlangs de toerist direct pal in het stadshart kon belanden. Het valt vandaag moeilijk voor te stellen, niet?


MONUMENT "VREDE"


Het lijkt van verre op een enorme Renault-reclame, maar dat is gezichtsbedrog. Bij Hilde Van Sumere gaat het vaak over wat niet zichtbaar en grijpbaar is, zoals hier het begrip 'vrede'. Zij geeft zo'n abstract begrip vorm, door het geometrisch te kaderen.  Hier herinneren sinds 27 september 1988 driehoeken uit gepolijst staal zowel aan Churchills 'V'-teken (Victory), als aan de V van Vergeltungswaffe, de vijandelijke V1's en V2's waaraan Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog nogal intens heeft blootgestaan. Die raketten doken met hun v-neus loodrecht naar beneden. Waar agressie en defensie elkaar in evenwicht houden, ontstaat een toestand van rust, van vrede - hier de open ruit middenin. Door het onderling verschuiven van vormen en lijnen krijgt de compositie een ritme, dat je het gewicht van dit materiaal laat vergeten.


Waarom staat dit monument hier? Aanvankelijk zou het voor cinema Rex aan de De Keyserlei worden geplaatst. Daar sloeg op zaterdag 26 december 1944 om 15.23u een V-bom in op een zaal met zo’n 1200 toeschouwers, die naar de films The Plainsman (vertaald als ‘Een avontuur met Buffalo Bill) met Gary Cooper in de hoofdrol zaten te kijken. Er vielen 567 dodelijke slachtoffers, waarvan 296 militairen, terwijl er ook nog eens 291 gewonden vielen, waarvan 194 militairen, vooral Britse en Amerikaanse soldaten, op dat moment volop aanwezig in Antwerpen. Burgemeester Huysmans verbiedt nadien om nog manifestaties te organiseren met meer dan vijftig aanwezigen. Georges Heylen, de eigenaar van de cinema, was zelf in de zaal en behoorde tot de overlevenden. Diezelfde 26ste december begonnen de Duitsers hun Ardennenoffensief.


Omdat de toen nog niet heraangelegde drukke De Keyserlei minder geschikt bleek voor zo’n vrij groot monument, kwam het in de zijberm van de Frankrijklei te staan. Die plek herinnerde dan weer aan vrijdag 27 november 1944, toen om 12.10u daar een V2 pal op het kruispunt met de Teniersplaats en de De Keyserlei insloeg, juist op het middaguur dat veel mensen op de tram stonden te wachten en een colonne van acht Britse legervrachtwagens passeerde. De ravage was enorm, zes legerwagens plus een tramrijtuig vlogen in brand, waardoor heel wat inzittenden verkoolden, een geëxplodeerde hoofdwaterleiding zette alles enkele minuten later onder water. Deze inslag kostte aan 128 burgers en 26 militairen het leven, terwijl onder de 309 gewonden nog eens 196 burgers werden geteld.

Omdat Hilde’s monument in de zijberm van de drukke verkeersas amper opviel, is het uiteindelijk naar de Wapper verplaatst om dit plein wat cultureel aan te kleden tussen de terrassen.

 

Verder wandelend langs de rechterzijde komen we aan het


RUBENSHUIS - Wapper 9-11.


Antwerpens beroemdste schilder en diplomaat Pieter Paul Rubens heeft dit huis amper zo gekend. Jawel, hij heeft hier gewoond en het rechter atelierdeel zelf ontworpen, naar ideeën die hij in Genua had opgedaan. Vandaar dat het wat Italiaans aandoet in een barokstijl die hier toen nog goeddeels onbekend was. Samen met zijn eerste vrouw Isabella Brandt en later met zijn nieuwe echtgenote Helena Fourment huisde hij in het linker gedeelte, in Vlaamse stijl, dat hij in 1610 gewoon heeft gekocht en zoals menigeen vandaag ook zou doen, flink verbouwd, liefst 5 jaar lang. Beide delen zijn achteraan via een barokportiek over de binnenplaats met elkaar verbonden. Pieter Paul had echter geen plein vóór zijn deur, daar liep de tamelijk smalle Vaertstraat, met aan de overzijde een open kanaaltje, de Herentalse Vaart.


Eenmaal hier gevestigd, zal Rubens een volledige 'kunstfabriek' uitbouwen met een groot aantal leerlingen en medewerkers, waaronder bekende namen als Antoon Van Dyck, Frans Snyders (expert in dieren), Jan Breughel de Fluwelen (specialist in bloemen en boeketten), Jacob Jordaens en de etser Lucas Vorsterman, later vervangen door Pauwel du Pont.


Na zijn dood in 1640 blijft zijn jonge weduwe - zij was 17, hij 53 jaar toen ze trouwden, vandaag zou dat de voorpagina van de tabloids hebben gehaald - hier niet lang wonen. De Rubensen hadden immers toen ook een echt kasteel in Elewijt, ergens achter Mechelen, lekker rustig op 'den buiten'. Eerst wordt dit huis verhuurd, later verkocht. De opeenvolgende eigenaars houden er flink huis: de uit Engeland gevluchte hertog William Cavendish vestigt er in 1649 een manege in, ridder Karel de Bosschaert de Pret laat in 1763 ingrijpende verbouwingen uitvoeren en de revolutionaire Fransen bergen er kreupele priesters op, die ze moeilijk naar Parijs kunnen deporteren. Wat er daarna nog resteert van deze meesterwoning, wordt als magazijn gebruikt.


Wat socialistisch burgemeester Camille Huysmans in de jaren '30 van de 20ste eeuw na een zes jaar durende onteigeningsprocedure kan redden, lijkt daardoor veel op een ruïne. Alleen de barokportiek en het tuinpaviljoen zijn nog enigszins in originele staat behouden. Dat wordt dus restaureren, zeg maar liever, herbouwen. Architecten Emile Van Averbeke en Louis Huybrechts houden zich daar een hele Tweede Wereldoorlog lang mee bezig, zich baserend op oude gravures en schilderijen waarop het huis als achtergrond fungeert. Wat je vandaag ziet, is dus verantwoord nieuw. Er is slechts één kapitale fout gemaakt bij de reconstructie: achter- en zijgevels van het atelier tonen gebeeldhouwde figuren uit de antieke mythologie. Rubens zou zich in zijn graf omdraaien: hij had die taferelen als grisailles geschilderd! Hij wilde zijn klanten uiteraard tonen wat hij met verf kon, want als ze voor beeldhouwwerk kozen, was hij ze aan een concurrent-beeldhouwer kwijt ...


Op 21 juli 1946 is het Rubenshuis als museum geopend. Je kan er zelf even op het balkon van het atelier staan, om dankzij de goede lichtinval door de hoge ramen je in te beelden dat je een klant de vorderingen aan een besteld werk toont. Een rotonde achter het woonhuis leert je wat Rubens zoals verzamelde en de tuin is recent aangelegd in 17de-eeuwse stijl met planten die ook Pieter Paul gezien kan hebben. En zo weet je meteen, dat schilders als Pieter Paul Rubens en tijdgenoot Rembrandt van Rijn geen romantische kunstenaars waren, die op een zolderkamertje inspiratie opdeden voor weer een volgend meesterwerk. Dat beeld hoort bij de impressionisten in het Parijs van twee eeuwen later.


PAVILJOEN - Wapper.


In 1999 werd niet Rubens maar collega Antoon Van Dyck gevierd. Daarvan werden tekeningen tentoongesteld in het Rubenshuis en meteen was duidelijk, dat de verwachte toeristenstroom nooit verwerkt zou kunnen worden via een klein loketje achter de poort, zoals dat tot dan bij het Rubenshuis gebruikelijk was. Daarom werd besloten een nieuw, modern en functioneel onthaalpaviljoen op te trekken, waar voor groepen ook een ruimte was om een inleiding op de expo te geven. De in Kortrijk geboren architect Stéphane Beel heeft voor het ontwerp gezorgd. Niet iedereen is er volmondig gelukkig mee. O nee, het gebouw op zich is prima, alleen staat het wel erg vervelend in beeld voor wie een fraaie foto van Rubens' gevel wil nemen ... Bedenk dan even, dat de afstand tussen het Rubenshuis en dit paviljoen de oorspronkelijke breedte van de Vaertstraat aangeeft.


Keer je nu even om naar de gevel van


HÔTEL DE FRAULA - Wapper.


Als elders een huis in de weg staat, wordt het gesloopt en is het totaal verloren voor latere generaties. Maar havenstad Antwerpen is een stad van sjouwers en stuwadoors, hier worden standbeelden, stadspoorten en woonhuizen die in de weg staan gewoon even verplaatst.


Zo ook met deze gevel tegenover het Rubenshuis. Die hoort bij de fraaie woning die Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge in 1737-'39 aan de Keizerstraat neerzet voor de Antwerpse familie De Fraula. Tot verontwaardiging van velen, moet die woning in 1963 plaats ruimen voor een moderne mensa met studentenflats van de jezuïetenuniversiteit UFSIA. Na complete demontage van de voorgevel is die door Georges de Belder bewaard op het domein Hemelrijk in Kalmthout. In 1986 zorgt de Generale Bank - nu BNP Paribas Fortis – hier voor wederopbouw door architect Luc Fornoville als pronkgevel voor deze bank. Vandaar die vreemde combinatie van een oud gelaat voor een jong lichaam, want wat achter de gevel ligt is zeer recent.


Schuin rechts zie je nu een leeuwenkopje uit het beton steken.


Het water loopt het beest uit de muil en het is nog drinkbaar ook, want dit is een initiatief van de Antwerpse Water Werken, die je vertellen dat "Aqua Fons vitae" is, water als bron van alle leven. De terrashouders rondom houden uiteraard vast aan de middeleeuwse opvatting dat bier gezonder is.


Daarnaast staat de


MONUMENTALE KOP VAN PETER BENOÎT - Wapper.


Het moest een compleet beeld worden voor de stad Harelbeke, waar componist Peter Benoit op 17 augustus 1874 is geboren. Maar Jozef Cantré slaagde er kennelijk niet in om Peter-ten-voeten-uit voor zijn eeuwfeest uit de steen te beitelen en het project liep met een sisser af. Daardoor kan Antwerpen deze stenen kop in 1951 kopen en blikt Benoit nu voor zich uit in de stad waar hij geijverd heeft voor de oprichting van een 'lyrisch theater', waaruit onze opera voortgekomen is.


Opera? Wat doet Peter dan hier nabij het Rubenshuis? Dat heeft alles te maken met zijn 'Rubenscantate', die hij schrijft voor de viering van de 300ste verjaardag van Pieter Pauwels geboorte in 1877. En die is wél helemaal en op tijd afgeraakt.


De VERTELBOOM (Arbre à palabres)

Wapper aan zijmuur Paleis op de Meir.


Tijdens zijn ‘ambtsperiode’ als vijfde stadsdichter van Antwerpen heeft Peter Holvoet-Hanssen van 2010 tot 2012 zo’n zeventien werkstukken op zijn actief geschreven. Een daarvan, het dertiende, is deze Arbre à palabres of Vertelboom. Het is dus een boom van woorden met een kruin die uitwaaiert in tien ‘takken van verwondering’, waaraan een heel team heeft meegewerkt. Het idee is mede gesuggereerd door kunstenaar-fotograaf Roel Jacobs en onze stadsdichter heeft meteen assistentie gevraagd aan Peter Theunynck, een dichter die sinds enkele jaren vanuit het dorp Lint naar de Antwerpse wijk Zurenborg is verhuisd en reeds een zekere internationale erkenning geniet. Daarnaast is er een beroep gedaan op het Huis van het Nederlands, om zo anderstaligen die een inburgeringscursus hebben gevolgd bij dit project te betrekken en de boom wereldwijd wortel te laten schieten.


Dat heeft tien gedichten die de takken van verwondering vormen opgeleverd, te weten: ‘HIER’ van de Columbiaanse Sandra Jaksh, ‘De Gulden Middenweg’ van jongerendichter Yoni Sel, ‘Boomgedicht’ van de Columbiaanse Isabel Restrepo, ‘Mijn kleine appelboom’ van de Turk Emil Kiliç, ‘Hier zoals daar’ van de Peruaan Carlos Torres Beltram, ‘Boomverhaal’ van de Marokkaan Habiba Bahammou, ‘Ginkgo gewenning’ van de Belgische Hilde De Vos, ‘Boom van een stad’ van Peter Theunynck, ‘Gedicht 1’ van de Iraniër Hadis Shakeri en ‘Wensboom’ van de Turk Galip Aygul.

De wortels bestaan uit vier gedichten: ‘Gedicht voor Het Vierde Gedicht 2011’ van Hadis Shakeri, ‘Laat ons dan praten’ van Carlos Torres Beltram, ‘De Polderboom’ van de Antwerpse polderdichter Ludo De Schutter en ‘Stronk’ van Emil Kiliç. Voor de woordvogels in de boom zorgde de Belg Joris Vercammen en de Nederlander Herman Coenen zorgde voor het gedicht ‘De Levensboom’.

Elk gedicht bestaat uit genummerde regels en zwarte letters, met uitzondering van het titelgedicht ‘Arbre à Palabres’ van stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen zelf, dat in rood in het midden van de boom oprijst. Jelle Jespers verzorgde de grafische vormgeving van deze creatieve uitbarsting.   

De onthulling van het kunstwerk vond plaats op 24 september 2011, dus sindsdien staat deze boom hier met woorden wapperen, al is de naam van dit plein meer een kwestie van ‘loop naar de pomp’, want die wapper was het hijstoestel waarmee nabij de aansluiting met de Meir water uit de toen nog hier open en bloot aanwezige Herentalse Vaart werd opgehaald.


Waar de Wapper op de Meir uitkomt staat een fontein met het beeld


DE AREND - Wapper.


Een bronzen beeld van de Deense beeldhouwer Hugo Liisberg uit 1931, twintig jaar later verworven door het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim en in mei 1980 'uitgeleend' als stadsverfraaiing. Hugo heeft met zijn 'Arend' een wedstrijd onder drie beeldhouwers gewonnen met als inzet een kunstwerk voor het marktplein van de Deense stad Sikeborg. De Ny Carlsbergstichting heeft de uitvoering in brons gefinancierd. Hier op de Wapper staat het enige andere exemplaar van Liisbergs ontwerp.


Voor u de Meir opdraait nog even dit:


Een wapper is een klein hijstoestel, waarmee binnenscheepjes geladen en gelost werden in vroeger eeuwen. Het bestaat vooral uit een lange boom, die boven zo'n bootje wordt neergelaten en dan met de last eraan weer wordt opgetrokken, waardoor de vracht tot boven het kaaipeil wordt opgeheven en met een draaibeweging op de oever geplaatst kan worden. Bij een sluis die de Herentalse Vaart van de Meir scheidde, stond zo'n wapper. Wanneer je echter Antwerpenaren over Lange Wapper hoort spreken, gaat het over een legendarische watergeest, die vooral de schrik van kinderen en dronkaards was. Een schimmig wezen dus, dat er evenwel een zeer tastbaar beeld aan heeft overgehouden bij het Steen, onze burcht aan de Schelde. Daar blijkt hij zeer aaibaar voor toeristen.


Nu eerst nog even rechts de Meir op, tot aan de winkel van We.


WOONHUIS VAN RUBENS' GROOTOUDERS - Meir 54.


Hier woonden in de 16de eeuw opa en oma Pijpelinckx, de grootouders van Pieter Paul van moeders kant. Hendrik Pijpelinckx kwam uit de Kempen afgezakt naar de toenmalige wereldstad Antwerpen om er tapijten te gaan fabriceren. In die jaren begint Antwerpen geleidelijk over te schakelen van een handelsstad in gebruiksgoederen naar een productiestad van luxegoederen, waarbij tapijten worden ontworpen door getalenteerde kunstenaars. Hendrik trouwt met Claire du Touion, dochter van een rijke handelsfamilie, waardoor zij een fikse bruidsschat meekrijgt. Maar ook de verkoop van zijn tapijten doet bij Hendrik het geld binnenstromen, de man bezit weldra een privé-beleggingsfonds aan huizen in Antwerpen, plus nog een handvol onroerend goed in Loenhout en Turnhout, zijn geboortestreek. In 1545 koopt hij de meesterwoning 'Den Cleynen Sint-Arnold' aan de dan voor rijkere burgers zeer trendy Meir - denk wel even de winkels weg. Dochter Maria - Maayken - trouwt met advocaat Jan Rubens, die ook in de politiek actief is. Daar zal ze nog spijt van krijgen, want in 1567 moet Jan in allerijl de benen nemen naar Siegen, omdat mensen die hier van teveel calvinistische sympathieën blijk hebben gegeven, voor hun leven moeten gaan vrezen na de komst van landvoogd Alva. In Siegen wordt Jan secretaris van Anna van Saksen, tweede vrouw van Willem van Oranje. En hoe dat afloopt kon je al lezen in onze bio van Peter Paul Rubens himself. Die kiest zelf ook niet toevallig als tweede vrouw de dochter van tapijthandelaar Daniël Fourment, voor wie hij al tapijtontwerpen - 'cartons' - heeft gemaakt.


Natuurlijk is dit in 1992 dankzij 'Hey/We' gerestaureerde huis van later datum, namelijk gebouwd in 1854. Maar om de herinnering levend te houden is er een zware klassieke attiek op geplaatst met een borstbeeld van Rubens en de tekst "1567. Has aedes illustrissimi Rubeni Joannes et Maria Pypelincx inhabit averunt parentes. Re-aed 1854". Jan en Maayken hebben hier dus even ingewoond bij Maria's ouders. Tot aan de Eerste Wereldoorlog is zelfs gedacht dat Pieter Paul hier was geboren en werden er ansichtkaarten van dit huis verkocht als het 'Maison de Rubens'.


We maken rechtsomkeer en passeren de Wapper, waarbij we rechtdoor de Meir blijven volgen. Links kom je langs


PALEIS OP DE MEIR - Meir 50.


Gebouwd in de 18de eeuw voor vrijgezel Johan Alexander van Susteren, is dit stadspaleis nadien met heel wat illustere namen verbonden geraakt. Napoléon Bonaparte dacht er zijn Antwerpse piëdestal van te maken, maar Waterloo doorkruiste dat plan. Willem I van Oranje-Nassau stapt er wel binnen en laat er een Zaal der Zeventien Provinciën inrichten. Maar even later scheuren negen provinciën zich af en halen Leopold I naar hier. Zijn zoon zorgt voor een Spiegelzaal en in de jaren 1970 nemen beeldende kunstenaars hier het heft in handen. Die zijn zuidwaarts getrokken en vandaag tref je hier chocolade kunstwerkjes aan uit Brugge en is alleman en hun dames hier welkom in luisterrijke stijl. Wie in elk vertrek binnen wil kijken, laat zich rondleiden: maandag tot vrijdag en zondag om 14u., zaterdag om 11u. vanuit de vestibule van de trapzaal links van de inkomhall. (info april 2013).


Verlaat je dit Paleis op de Meir via de tuinpoort, keer dan terug naar de Meir en volg die naar links. Even verder aan de overzijde op de rechterhoek van de Lange Klarenstraat zie je een  


WIENER SEZESSION HUIS - Meir 41.


Georges Matthyssens bouwt in 1913-'15 dit art nouveau-winkelpand in een stijl die eerder aansluit bij de Wiener Sezession-stroming dan bij de Brusselse art nouveau van Victor Horta of Paul Hankar. Hier namelijk geen 'natuurlijke' asymmetrie, maar een gevel die heel harmonisch is opgebouwd, waarbij links en rechts van het midden elkaars spiegelbeeld vormen. Het zijn vooral de geveltop, het mansardedak en de dakkapellen die er een Duits-Oostenrijkse 'swung' aan geven.


Aan de afgeronde hoek heel wat sierlijk bloemensmeedwerk en bij een recente restauratie zijn ook de oorspronkelijke rode terracotta dakpannen teruggekeerd. Het winkelinterieur is helaas in 1985 tenietgegaan.


Aan de tegenoverliggend hoek hangt een


MOEDER GODS MET KIND IN STRALENKRANS - Meir 39.


De natuurstenen barokke madonna van Laurentius Gillis laat achter haar een stralenkrans alle kanten uitschieten. Dat moet zo ongeveer het beeld zijn geweest dat op 2 november 1857 argeloze voorbijgangers krijgen, als het huis op de linkerhoek van de Twaalfmaandenstraat - twee zijstraten verder - tegenover welks gevel deze madonna tot 1872 hing, met veel gesis en geknetter de lucht invliegt, wanneer de daar gevestigde vuurwerkzaak van Jan Verpoorten ontploft. De 32-jarige madame Verpoorten zorgt voor de bloemekee door naakt op het midden van de Meir te belanden, een act die zij slechts enkele dagen overleeft.


"Wie wil er mijn kindje adopteren?" lijkt Maria aan de voorbijgangers te vragen. Maar zij was oorspronkelijk niet de straat opgestuurd, ze had tot 1814 onderdak in het convent van de jezuïeten op de Sint-Jacobsmarkt en hield haar Jezus in de richting van Aloysius van Gonzaga, zoon van de markies van Mantua-Castiglione en jeugdige jezuïet, die voor haar geknield zat. "Kijk 'ns omhoog", zei ze tegen deze patroon van de studerende jeugd, die ervoor bekend stond dat hij altoos nederig naar de grond keek, zodat zijn oversten hem zelfs hadden gedwongen een hoge kraag te dragen. Omhoog kijken, dat is precies wat we jou op deze wandeling ook vaak hebben laten doen, zodat je ziet waar anderen achteloos aan voorbijgaan. En heb je daar aan het eind van onze wandeling spijt van?


Aan de overzijde wachten Hand, metro of - hopelijk - je fiets.

ANTWERPEN, QUARTIER LATIN