Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Dendermonde

LAMBERT ADOLPHE JACQUES QUETELET (1796-1874)

Astronoom, meteoroloog, statisticus, wie zoals Adolphe Quetelet op 29 februari (1796) wordt geboren heeft kennelijk bijzondere connecties met het kosmische en met getallen, want de man was op al deze domeinen specialist. Dat wordt al snel opgemerkt in zijn geboortestad Gent, waar hij na het behalen van zijn doctoraat wiskunde in 1919 direct benoemd wordt tot docent. Maar het mocht niet baten, op z’n 23ste verloren ze hem al in oktober 1819 aan de hoofdstad Brussel. Daar stelt Adolphe in 1823 voor om een sterrenwacht op te richten, een idee dat wordt overgenomen door de bevoegde minister en op 8 juni 1826 wordt omgezet in een project, waardoor in 1827 de bouw start van wat vandaag de Koninklijke Sterrenwacht in Ukkel is. Quetelet wordt er directeur van bij de officiële ingebruikneming in 1828, maar heeft dan reeds twee jaar tevoren de eerste officiële metereologische waarnemingen verricht, waarmee stilaan onze weersvoorspellingen tot stand komen.


Maar echt bekend is Adolphe geworden, omdat hij tracht een combinatie van exact onderzoek en sociale wetenschap tot stand te brengen, waarbij hij het begrip ‘gemiddelde mens’ introduceert – niet te verwarren met Jan Modaal of Jan met de Pet, dat is nattevingerwerk waarmee Quetelet zich niet inlaat. Hij gaat ervan uit, dat de regelmaat van natuurverschijnselen zich ook voordoet bij menselijke sociale fenomenen. Door nu de lichamelijke kenmerken en geestelijke eigenschappen van de bevolking te meten, kan je komen tot een gemiddeld optreden daarvan. Vanuit dat vertrekpunt - de gemiddelde mens – stel je vervolgens bij elk individu vast in hoeverre hij of zij daarvan afwijkt. Quetelet meende dat een vermenging van mensen van verschillende maatschappelijke niveaus en rassen ertoe zou leiden, dat de verschillen in aantal zouden toenemen, maar dat hun intensiteit zou afnemen.

Wat heeft dat meten voor praktisch nut? Wel, de methode wordt vandaag wereldwijd gebruikt om je ideale gewicht vast te stellen, de Body Mass Index, officeel zelfs de Quetelet-index geheten.


Maar Adolphe Quetelet heeft nog iets bijzonders gedaan, dat echter de tand des tijds niet heeft doorstaan. Dat is het aanbrengen van middaglijnen in Belgische steden om daarmee de plaatselijke zonnetijd te bepalen. Er is namelijk een probleem met de tijd. Doordat niet alle steden op dezelfde meridiaan liggen, staat de zon niet overal op hetzelfde moment op het hoogste punt. De lokale tijd wordt in die dagen met behulp van een zonnewijzer gemeten, juist wanneer de zon in het zenit staat. Daarop worden dan de plaatselijke klokken gelijk gezet.


Nu is het jonge België er als eerste bij om op het Europese vasteland de trein als verkeersmiddel te introduceren vanaf 1835. Stel maar eens een dienstregeling op, wanneer de klokken in de diverse steden niet dezelfde tijd aanwijzen – en dat kon behoorlijk verschillen, zodat je volgens Adolphe soms in de ene stad om 3 uur kon vertrekken en dan elders vóór 3 uur kon aankomen. En bij enkelsporige trajecten, waar je moet weten of de tegemoetkomende trein al voorbij is, wordt het zelfs ronduit een levensgevaarlijke situatie.

Koning Leopold I ziet het probleem en bij koninklijk besluit van 22 en 29 februari 1836 wordt Quetelet ingehuurd om daar wat aan te doen. Hij moet voorrang geven aan steden die langs een spoorlijn liggen, met name Mechelen, Antwerpen, Dendermonde, Gent, Brugge, Oostende, Leuven, Tienen, Luik, Verviers en nog een handvol andere, in totaal 41 steden.


Adolphe Quetelet laat dan in Antwerpen, Gent en Luik zogeheten meridiaankijkers plaatsen, waarmee de astronomische middag kan worden berekend. Een meridiaankijker is een telescoop die enkel in het vlak van de meridiaan kan draaien en daardoor precies op het zuiden kan worden gericht. Doordat hij alleen maar in de richting van punten op de meridiaan kan kijken, kan met zo’n kijker de hoogste stand van een hemellichaam worden bepaald, in dit geval van de zon. Dat heet de culminatiehoogte en die kan als hoekmaat op het instrument worden afgelezen. Omdat bekend was dat de zon precies om 12 uur ’s middags die culminatiehoogte bereikt, kan op deze manier de lokale zonnetijd nauwkeurig bepaald worden – veel exacter dan met die zonnewijzers – waarna via tabellen de nationale tijd kan worden afgelezen.


Daarnaast gaat Adolphe in elke stad een soort zonnewijzer plaatsen, die gelinkt wordt aan de meridiaan of middaglijn van die stad. Wanneer de zonnestraal of de verste punt van de schaduw van een rechtstaand voorwerp op een exact noord-zuid op de grond aangebrachte lijn valt, kan je daarop de klokken gelijk zetten. Maar omdat Adolphe’s kennis voor heel wat andere taken ook wordt ingezet door de koning, is hij maar in tien steden aan de installatie van zo’n middaglijn toegekomen, waarvan er nu nog zeven resteren.

De spoorwegen vinden er echter zelf snel iets op om de juiste tijd overal op het spoorwegnet te kennen, ze nemen gewoon klokken mee in de treinen zelf. En als vanaf 1840 de elektrische telegraaf in gebruik komt, die toelaat om een tijdssignaal meteen over het hele land door te geven, is Quetelet ingehaald door de vooruitgang en blijft het project onvoltooid. Bovendien wordt eind 19de eeuw de Middel Europese Tijd ingevoerd, waardoor lokale tijdsverschillen helemaal verdwijnen.


Wat resteert er van Quetelets middaglijnen?


Mechelen


Hier koos Quetelet de Mijlpaal als richtpunt, een monument dat was opgericht bij de aanleg van de eerste spoorlijn en symboliseerde dat Mechelen het middelpunt moest worden van een landelijk net, waarbij de spoorafstanden vanaf deze mijlpaal gemeten zouden worden. Toen Quetelet zijn project begon, was die Mijlpaal reeds enige keren verplaatst, maar dat was geen hinderpaal voor zijn missie. Adolphe liet vanaf de paal een 24 meter lange tegellijn aanbrengen op een noord-zuid as, waarop dan de schaduw van de paal viel.

Vandaag is die Mijlpaal verplaatst naar het midden van de rotonde voor het Mechelse hoofdstation. In 1998 is daar de middaglijn opnieuw aangebracht. Er is een merkteken geplaatst op de rotondevloer op het punt waar de schaduw op 21 juni het kortst is – ca. 6,50 meter – en een tweede tussen de straatstenen op de hoek van de Consciencestraat, waar de schaduw op 21 december het langst is – ca. 49,50 meter. Tussen beide punten beweegt zich de schaduw in de loop van het jaar over een denkbeeldige rechte lijn.


Brussel


In de Sint-Michiels-en-Sint-Goedelekathedraal zit er op 10,50 meter hoogte in het glasraam met Maria van Bourgondië en Lodewijk XI boven het zuidportaal een gaatje

waardoor een zonnestraal kan vallen op een lange lijn in de kerkvloer. Omdat het ook bewolkt kan zijn, heeft Quetelet hier zes uurlijnen ernaast aangebracht waar met een verschil van telkens 5 minuten de zon eveneens op valt, zodat je tussen de wolken door nog de kans hebt om je klok gelijk te zetten. Oorspronkelijk was de lijn van messing – geel koper – en liep die door over de rozet in de vloer van de kruising. Sinds de nieuwe richtlijnen voor de plaats van het altaar in katholieke kerken, wordt deze lijn daardoor nu onderbroken, net zoals elders waar deze in kerken ligt. Vanaf juni 2001 is de middaglijn opnieuw aangebracht in deze kathedraal.


Antwerpen


Het grote glasraam boven het portaal van de zuidelijke kruisbeuk bezit twee oculi, één gaatje linksboven en het andere linksonder om zowel bij hoge zomer- als bij lage winterstand een zonnestraal door te laten. Het bovenste gat zit hoog genoeg om boven het lover van de bomen op de Groenplaats uit te komen, maar zou bij lage zonnestand in de winter wellicht geen stralen ontvangen. Daarom een lagere oculus voor de winterperiode, waarbij er geen last is van de nu kale bomen.

Vanuit die zuiderkruisbeuk loopt de middaglijn in de richting van de viering naar de noorderdwarsbeuk, thans onderbroken door het nieuwe altaargedeelte uit de jaren 1960. Bijzonder aan deze middaglijn is dat het originele geelkoper bewaard is gebleven.


Brugge


Hier installeerde Adolphe op het dak van het huis Bouchoute op de hoek van de Zuidsteenstraat en de Markt een koperen bol op een staaf. In het wegdek van de Markt zijn koperen nagels aangebracht waarover de schaduw van de bol schuift in de loop van het jaar.


Lier




























In Lier is een hoek van het stadhuis als richtpunt genomen. Voorheen een stenen, maar nu een koperen lijn loopt nabij de toren noord-zuid over de Grote Markt als middaglijn. Als de schaduw van de muurhoek deze lijn raakt is het precies twaalf uur ’s middags, wat dus meteen wil zeggen dat die schaduw dan op zijn langst is.


Dendermonde


In de zuidelijke dwarsbeuk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk loopt vanaf de deur van het portaal een lijn over de kerkvloer tot aan de plek waar de noordelijke dwarsbeuk aansluit op de viering. De koperen strook is hier verdwenen en het verplaatste altaar vormt een onderbreking van de lijn, die hier wel te volgen valt, doordat het de enige lijn is die de rechte lijnen van de vloertegels niet volgt. De zonnestraal priemde hier oorspronkelijk door een oculus in het glasraam boven het zuidportaal. Dat raam is echter in het jaar 2000 vervangen door een modern ontwerp van Harold Van de Perre, ‘De Stad Gods’ geheten, waarbij geen gaatje meer is aangebracht, zodat Quetelets middaglijn niet langer kan functioneren.


Aalst


Ook in deze stad ligt een middaglijn in de hoofdkerk, de Sint-Martinus op het Sint-Martinusplein. Natuurlijk koos Quetelet steeds de zuidzijde waar de zon rond de middag haar hoogste stand bereikt, zodat ook te Aalst zijn middaglijn vertrekt aan het zuidportaal en dan naar het midden van de kerk loopt. In een glasraam boven dat portaal is nog het gat te zien waar de zon moest binnentreden, maar het messing is niet langer op de lijn aanwezig. Dat koper diende om de straal beter te zien weerkaatsen.


Gent


Hier brachten Adolphe Quetelet en Jozef Plateau in 1838 een meridiaan aan in de vestibule van de universiteitsaula in de Volderstraat. In september 2001 is er een nieuw kegelvormig gat aangebracht in deze ruimte, waardoor nu de zonnestralen opnieuw op de koperen lijn vallen, die tot aan de trappen naar de aula loopt.


Lambert Adolphe Jacques Quetelet is geen Bekende Belg meer in onze dagen en is op 17 februari 1874 in Brussel op aarde tot rust gekomen. Maar in de ruimte zweeft zijn geest nog rond, want omdat hij het verschijnsel van de vallende sterren of meteoren mee heeft helpen verklaren, is er zo’n brok ruimtematerie naar hem genoemd, de planetoïde Queteleta. Bovendien draagt een maankrater zijn naam, maar die ligt aan de achterzijde, dus daar zie je vanop aarde absoluut niets van.

Wil je Adolphe toch ontmoeten, ga dan eens kijken op het terras voor het Paleis der Academiën aan de Brusselse Hertogstraat (nabij het Koninklijk Paleis), waar hij als standbeeld de voorbijgangers gadeslaat. Hij heeft daar nu alle tijd voor.


Koperen meridiaanlijn van Adolphe Quetelet op de Grote Markt van Lier

© foto: Loes Vandeweerd

Koperen meridiaanlijn (detail van nevenstaande foto)

© foto: Loes Vandeweerd