Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

REDEMPTORISTEN

Tournai / Doornik

In het dorpje Marianella onder de rook van Napels komt op 27 september 1696 in het adellijke gezin de’ Liguori een jongen ter wereld, die de naam Alfonso Maria meekrijgt. Napels is op dat moment nog de hoofdstad van een zelfstandig koninkrijk en als eerstgeborene van adellijke bloede ontkomt Alfonso niet aan een stevige, veeleisende opleiding bij privéleraren. Hij is er dan ook alom vroeg bij: schilderen, klavecimbel spelen, een dichtbundel publiceren, dat alles behoort tot zijn normale jeugdbezigheden en naast zijn studie. Al in 1713, nog op zijn 16de, als huidige jongeren nog druk doende zijn met hun middelbare opleiding, promoveert Alfonso tot doctor in kerkelijk en wereldlijk recht. En op zijn 19de staat hij in de rechtszaal zijn eerste proces te pleiten.


Maar in 1723, hij is dan 26, verliest hij een belangrijk proces door een intrige en wordt hij daarom belachelijk gemaakt. Die blamage blijkt voldoende voor hem om op 23 augustus 1723 naar een aan Maria gewijde kerk te gaan en daar zijn degen af te leggen, dus zijn symbool van wereldse adeldom. Hij gaat nu theologie studeren en wordt drie jaar later al tot priester gewijd. Zijn dagelijks leven neemt nu wel een heel nieuwe wending, want Alfonso de’ Liguori gaat zich bekommeren om zijn arme Napolitaanse medeburgers, hij houdt volksmissies en leidt lekenapostelen op. Maar ook dit duurt niet eeuwig.


Ziekte – tja, die Napolitaanse sloppen … - dwingt hem tot een leven op het gezondere platteland. In het kleine dorpje Scala nabij Amalfi merkt hij dat het met de noden van de plattelanders nog erger gesteld is dan met zijn armen uit de stad. In 1731 richt Alfonso de’ Liguori daarom samen met zuster Celeste Crostarosa daar een vrouwenorde op, die een jaar later een mannelijke tegenhanger krijgt in de Congregatio Sanctissimi Redemptoris, ofwel de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser, zeg maar de redemptoristen, die de afkorting C.Ss.R. achter hun naam plaatsen.

Als hoofdbezigheid zullen redemptoristen het geloof onder het gewone volk gaan brengen. In die dagen was God voor die mensen nog een hogere macht, die gevreesd moest worden om zijn willekeur en waaraan je moest offeren om hem gunstig te stemmen. Veel armen voelden zich vooral slachtoffer van de macht van Kerk en adel en hadden dus niet zo’n hoge pet op van die God. Alfonso wilde daarom juist voor deze bevolkingslaag opkomen. De paus erkent Alfonso’ congregatie in 1749.


Nu was in die tijd het jansenisme wijd verbreid, een vrij pessimistische kijk op het aardse leven, teruggaand op de geschriften van Cornelis Janssen, bekender als Jansenius, professor aan de Leuvense universiteit en later bisschop van Ieper. Tegenover die visie stelt Alfonso de’ Liguori de goddelijke barmhartigheid en dat weerspiegelt ook de wapenspreuk van zijn orde: Copiosa apud Eum redemptio (Bij Hem is overvloedige verlossing, Psalm 130). Als voorbeeld van zo’n verloste mens gold Maria.


Plots gebeurt er weer iets onverwachts in Alfonso’s leven: hij wordt in 1762 onverwacht benoemd tot bisschop. Daar moet hij even over nadenken, wil hij die job wel? Uiteindelijk aanvaardt hij de mijter van het bisdom Sant’Agata dei Goti, ook weer bij Napels. Hij zal zijn bisdom leiden tot 1775, zij het met in toenemende mate last van jicht in de laatste jaren, waardoor hij half doof en blind zich in een draagstoel moet laten verplaatsen. Uiteindelijk trekt bisschop Alfonso zich terug in het door hemzelf gestichte klooster van Pagani – inderdaad, nabij Napels – om daar op 1 augustus 1787 te sterven op de toch gezegende leeftijd van ruim 91 jaar.   

De paus verklaart Alfonsus de’ Liguori in 1839 heilig en het daarbij horende wonder was al gebeurd toen Alfonso nog in het volle leven stond, namelijk in 1774. Hij zat toen op een dag achter een gesloten deur in een kloostercel, maar bleek tegelijkertijd aanwezig bij het sterfbed van paus Clemens XIV, dat toch vier dagreizen daar vandaan stond. Zo’n wonder van op twee plaatsen tegenlijk aanwezig zijn heet een bilocatie.

In 1871 klimt Alfonso de’ Liguori nog een trapje hoger en wordt hij tot kerkleraar verheven. Sinds 1950 is hij ook de patroon van de biechtvaders en de moraaltheologen. Zijn feestdag is 1 augustus, dus de dag van zijn overlijden, ofwel zijn overgaan naar een heerlijker bestaan. Tenslotte blijkt Alfonso ook nog iets aan de kerkelijke feesten te hebben bijgedragen, want hij is de auteur van het Italiaanse kerstlied, waarin de armoe van Jezus als pasgeborene wordt benadrukt: “Tu scendi dalle stelle” (Jij daalt neer van de sterren) – met dank aan die veelzijdige opleiding.


Vooral door toedoen van Clemens Maria Hofbauer, een op tweede Kerstdag 1751 in Moravië als Johannes Dvořák geboren redemptorist, verbreidt de congregatie zich buiten Italië. Na ontvangst van zijn priesterwijding in 1785 wordt Clemens vanuit de Oostenrijks-Hongaarse hoofdstad Wenen uitgezonden naar Polen, waar hij eerst onder de armen en wezen van Warschau predikt. Daarna gaat hij samen met andere redemptoristen ook evangeliseren in Duitsland en Zwitserland. Wanneer Napoleon Bonaparte die gebieden verovert, heft hij daar de religieuze orden op en keert Clemens in 1808 terug naar Oostenrijk. Daar wordt hij als Apostel van Wenen een bekend prediker en parochiezorger. Als hij daar op

15 maart 1820 overlijdt, wordt hij na zijn heiligverklaring ook stadspatroon. Al moeten de Wieners daar nog wel even op wachten, want pas in 1909 krijgt Clemens de ‘Sint’-titel uitgereikt. Zijn feestdag is niet toevallig 15 maart.


Vanaf 1830 zijn de redemptoristen actief in België, ze zijn dus met de stichting van het land meegekomen. Per decreet van paus Gregorius XVI wordt op 2 juli 1841 officieel de Belgische provincie van de orde opgericht. Vanuit die provincie worden diverse vice-provincies opgericht, onder meer in 1832 de Nederlandse. Sinds 1961 is echter de Belgische provincie opgesplitst in een Vlaams en een Waalse.

In Vlaanderen zijn er redemptoristenvestigingen in Brugge, Gent, Leuven en Roeselare, terwijl ook de redemptionisten in de Brusselse randgemeente Jette bij de Vlamingen worden gerekend.

Vanaf 1 augustus 2005 zijn dan de Vlaamse en de Nederlandse provincie weer samengebracht in een internationale provincie onder de naam provincie Sint-Clemens, die buiten de Vlaamse en Nederlandse ook de vroegere Zwitserse en Noord-Duitse (Keulse) provincies omvat. Het provincialaat van de nieuwe provincie huist in het redemptoristenklooster in Wittem in Nederlandse Zuid-Limburg.