Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

BRUNO RENARD (1781-1861)

Tournai / Doornik

Als zoon van Jean-Baptiste Renard-Bourla wordt op 30 december 1781 Bruno Renard in Doornik geboren. Zijn vader is afkomstig uit Douai, op dat moment nog deel van de Oostenrijkse Nederlanden. Als aannemer van openbare werken is Jean-Baptiste tussen 1819 en 1823 bezig met de versterking van Doornik, dat dan in het met Nederland samengevoegde Koninkrijk der Nederlanden is komen te liggen met koning Willem I als vorst. Renards vader zal ook zorgen voor de bouw van een paviljoen voor de gourverneur van de citadel, want de stad wordt gezien als een bolwerk tegen een eventuele Franse inval. Die citadel was overigens nog in opdracht van de Franse koning Lodewijk XIV aangelegd in de wijk op de rechter Schelde-oever die sindsdien als Le Château bekendstaat.


Heel jong al toont Bruno Renard zijn aanleg tot tekenen, iets dat goed van pas komt in een familie waar zowel van vaders- (de Renards) als van moederszijde (de Bourla’s) bouwen als levensvulling wordt gezien. De jonge Bruno krijgt zijn eerste tekenlessen van een oom van moeders zijde, Dominique Bourla, architect in Parijs. Nadat hij de Doornikse Tekenacademie heeft afgemaakt, gaat Bruno dan ook niet toevallig in de Franse hoofdstad studeren, waar hij twee befaamde architecten als leermeesters krijgt: Charles Percier en Pierre Fontaine, die zodanig samenwerken dat het moeilijk valt te onderscheiden wat wie precies heeft gedaan. Zij zijn het duo dat via opera- en theaterdecors en de in die dagen ontluikende interesse voor archeologie komt tot een neoclassicistische variant die later empire wordt genoemd, naar keizer Napoleon Bonaparte. Daarnaast ontdekt Bruno in Parijs ook de architectuur- en stedebouwtheorieën van Claude-Nicolas Ledoux, Etienne-Louis Boullée en Jean Nicolas Louis Durand.


Met die rijk gevulde rugzak keert Bruno Renard in 1804 terug naar Doornik, waar hij amper vier jaar later op 22 februari 1808 tot stadsarchitect en leraar architectuur aan de Tekenacademie wordt benoemd – hij is dan 26 jaar. Het stadsbestuur vraagt hem om zich in te laten met alle openbare werken en gebouwen die het uitzicht van de stad zullen veranderen. Als leraar richt Bruno een cursus industrieel tekenen in, waarbij hij meer dan vijftig jaar een hele reeks belangrijke architecten zal opgeleiden. Speciaal voor hen publiceert hij zijn Cours de dessin linéaire.


Al meteen in 1811 bouwt hij op het terrein van het vroegere clarissenklooster aan de Rue des Clairisses zijn meest monumentale werk, de Manufacture impériale de Tapis (Keizerlijke Tapijtenfabriek). Daarvan rest nog de neoklassieke ingang met centraal een poort, die bekroond werd door zes beelden van Paul Dumortier, waarvan er nog één wordt bewaard in het Museum voor Folklore.


In datzelfde jaar volgt het Château de la Chartreuse, een kasteel dat op de plaats staat van een vroeger kartuizerklooster in het dorp Chercq, thans behorend tot de gemeente Doornik. Verwacht bij de naam ‘kasteel’ echter geen gebouw met kantelen en torentjes, Renard bedient zich veelal van eenvoudige geometrische vormen: rechthoek voor de gevels, rondboog voor raamopeningen op het gelijkvloers, rechthoeken en vierkanten voor de openingen op de verdiepingen. Zijn neoclassicisme kent weinig versieringen als lijsten of zuilen met ribbels (cannelures, zoals dat heet), alleen in de sobere vormen zie je de verwijzing naar de antieke Griekse en Romeinse bouwkunst of de Italiaanse renaissance. Vanaf 1840 laat hij die stijl wat los, om ook de neogotiek in zijn scheppingen toe te laten.


In Doornik is Bruno ook actief aan de Scheldezijde, de stroom waar Doornik zijn welvaart aan ontleent. Daar houdt hij in 1812 toezicht op de bouw aan de rechteroever van een huizenrij aan de vroegere Rue des Tanneurs, waarvan de achtermuren in de Schelde stonden en op de aanleg van de nieuwe Quai Vifquin.


Het oudste stukje Doornik bevindt zich in die dagen tussen de kathedraal en de Schelde, waar rond de Sint-Pietersparochiekerk de straatjes liggen van de vroegere ambachtslui. Die Saint-Pierrekerk wordt in 1821 gesloopt en Renard mag de daardoor ontstane Place Saint-Pierre ontwerpen. Een jaar later zijn de sloophamers actief nabij het belfort, waar de oude raadszaal, de Halle aux Consaux, neer wordt gehaald. Ook daar mag Bruno wat ruimte scheppen met de aanleg van het Place du Parc, genoemd naar het nabije park van de voormalige Sint-Maartensabdij. Tussen 1822 en 1824 bouwt hij op die plek dan een nieuw opvallend gebouw, een concertzaal met halfronde entree, een vorm die hij vast en zeker bij Parijse theaters heeft gezien. Ook zijn neef Pierre Bruno Bourla zal als stadsarchitect van Antwerpen zich daar wat later door laten inspireren voor een Koninklijk Theater, thans bekend als Bourlaschouwburg.


Op de erekoer van het vroegere abtspaleis van de Sint-Maartensabdij – inmiddels als nieuw stadhuis door de Doornikse magistraat in gebruik genomen – mag Renard een museum voor natuurlijke historie bouwen. Zijn vierkante zaal met galerij voor dat Musée d’histoire naturelle wordt in 1839 geopend.   

Wanneer vanaf 1844 het belfort wordt gerestaureerd, is het ook weer Bruno Renard die daar mee de hand in heeft. Als je nu dat belfort ziet, weet dan dat het huidige middeleeuwse voorkomen het resultaat is van die ingreep, waarbij allerhande latere veranderingen zo goed mogelijk weer ongedaan zijn gemaakt.


Belast met de aanleg van een wegennet om de Doornikse volkswijken gezonder te maken voor de inwoners wordt Bruno Renard door een wat onbezonnen gemeentebestuur gedwongen om nu betreurde bouwwerken te slopen, zoals de Halle aux Consaux en de Pont de l’Arche (Boogbrug, de oude brug die de Schelde met veel bogen overbrugde). Maar hij zorgt echter evenzeer voor de herwaardering van verwaarloosde gotische monumenten en laat een verzameling zeer nauwkeurige tekeningen van grote archeologische waarde na. Zo maakt hij rond 1840 samen met een erudiete commissie van archeologen een studie in het kader van de restauratie van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Door onenigheid met leden van die commissie trekt hij zich in 1849 terug uit de leiding van die werken, die dan door architect Justin Bruyenne zijn voortgezet. Die diepgaande studie van dat monument krijgt in 1852 een neerslag in Bruno’s Monographie de Notre-Dame de Tournai, plans, coupes, élévations et détails de cet édifice.


Een van de grote realisaties waar Bruno Renards naam aan verbonden blijft is de Houillèries d’Hornu, een kolenmijn in de Bourinage zo’n 10 km van Mons. Hij bouwt hier tussen 1827 en 1833 neoklassieke bedrijfsgebouwen (machinebouwatelier, ijzer- en kopersmelterijen, paardenstallen, opslagplaatsen en kantoren) rond een ellipsvormig binnenplein. Als slotstuk komt er ook een Château Gorge voor eigenaar Henri De Gorge, maar dat raakt pas voltooid na de dood van Henri in 1832. Als diens weduwe Eugénie Legrand het bedrijf voortzet, krijgt het de huidige naam Le Grand-Hornu. Vandaag zijn deze gebouwen eigendom van de provincie Henegouwen, die er een museum voor hedendaagse kunst MAC’s in heeft gehuisvest en het geheel wil uitbouwen tot een samenspel tussen cultuur, toerisme, technologie en futurologie.


Als stichtend lid van de Société historique et littéraire van Doornik deelt Bruno Renard zijn confraters op 15 februari 1846 de resultaten mee van de opzoekingen op de galloromeinse ringwal van Doornik, van de oude Romeinse wegen, de kerk van Esquelmes en de oude Sint-Pieterskapel in de rue Saint-Martin in Doornik.


Bruno Renard is een werkend lid van de afdeling Schone Kunsten van de Koninklijke Academie van België sinds 1852, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten sinds de oprichting van dit instituut in 1837. En al vanaf zijn aanstelling als stadsarchitect lid van de Vrijmetselaarsloge Les Frères Réunis, ook geestelijk blijft hij dus trouw aan het bouwmeesteridee.


Op 23 februari 1858 viert de stad Doornik met veel luister zijn dubbel jubileum voor 50 jaar werk als stadsarchitect en als leraar aan de Academie. Men schenkt hem zijn door Joseph Stallaert geschilderd portret. In 1861 trekt Bruno Renard zich terug en gaat op 15 april van dat jaar in de Brusselse gemeente Sint-Joost-ten-Node wonen bij zijn zoon, generaal Bruno Jean-Baptiste Renard, waar hij op 17 juni van datzelfde jaar overlijdt.


Oeuvre (onvolledig):

1807-1823

Hôtel Peeters (nu: Musée des Arts de la Marionette).

Rue Saint-Martin 47, Doornik.

1811

Manufacture impérial de Tapis (restant: wit portaal met groene poort).

Rue des Clairisses 21, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.

1811

Château de la Chartreuse.

Rue de l’Église (tegenover Drève Thorn), Chercq.

1812

Quai Vifquin en huizenrij Rue des Tanneurs, Doornik – aanleg.

I.o.v. Stad Doornik.

1821

Place Saint-Pierre, Doornik – aanleg.

I.o.v. Stad Doornik.

1822

Place du Parc, Doornik – aanleg.

I.o.v. Stad Doornik.

1822-1824

Concertzaal (nu: Conservatoire de Musique).

Place Reine Astrid 2, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.

1825

Hôtel Gorin (nu: Fondation de la Tapisserie).

Place Reine Astrid 9, Doornik.

1827-1834

Le Grand-Hornu – industrieel complex en arbeiderswijk, Unesco Werelderfgoed (nu:   Musée d’Art Contemporain – MAC’s - en Mijnmuseum).

Rue Sainte-Louise 82, Boussu-Hornu.

1837-1839

Kasteel Grenier – neoclassicistische stijl (later: na WO I gerestaureerd door architect Van de Kerckhove).

Molenstraat z/n, Gavere.

I.o.v. senator Edouard Emmanuel Grenier en Henriette Lefebvre.

1839

Musée d’histoire naturelle – galerij en vierkante zaal.

Cour d’Honneur de l’Hôtel de Ville, Rue Saint-Martin 52, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.

1844

Belfort - restauratie.

Vieux Marché aux Poteries 14, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.

1855-1860

Kasteel van Bellem – neoclassicistische verbouwing (nu: vormingscentrum Mariahove).

Mariahovelaan 2-4, Aalter-Bellem.

I.o.v. familie de Kerchove-de Naeyer.

????

Maison du Jeu de Paume (kaatsbaan) – Lodewijk XVI-stijl.

Rue Perdue, Doornik.

????

Cimetière du Nord - toegangspoort in empirestijl.

Rue des Champs, Doornik (achter treinstation via onderdoorgang onder sporen).

????

Vleeshuis.

Doornik.

????

Slachthuis – één vleugel bewaard op domein Notre-Dame ziekenhuis.

Rue des Magasins, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.

????

Salon de la Reine – in Stadhuis Doornik.

Allée Paul Bonduelle, Rue Saint-Martin 52, Doornik.

I.o.v. Stad Doornik.