Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

ROCOCO

Quartier Latin

Oorspronkelijk werd gesproken van style rocaille, naar een belangrijk vormkenmerk van deze bouwstijl: de grillige verbindingen van schelpen met oneffen steenlagen in rotsformaties (het Franse 'roc' = rots). Het schelpmotief wordt zeer druk gebruikt in deze periode. Classicisten die juist van rechtlijnigheid hielden, spraken spottend van 'rococo', waarbij het woordje 'coco' duidt op het onserieuze, het speelse kwajongensachtige ('coco' is zowat 'n schelm in het Frans). Kortom, voor de classicisten geen stijl waar een ernstig architect zich mee inliet, maar toch wel correct gekarakteriseerd, want speelsheid is een hoofdkenmerk van deze richting.


De barok is in oorsprong een stijl van grote, theatrale gebaren, die even grote denkbeelden en idealen moeten ondersteunen. In Frankrijk wordt dit vanuit het koningshuis nog aangevuld met de Louis XIV-stijl, waar de Zonnekoning al zijn pracht en praal in tentoonspreidt. Wanneer de 18de eeuw aanbreekt, is het geestelijke klimaat echter omgeslagen en zijn de mensen sceptischer geworden, wordt er rationeler gedacht en krijgen we als type staatshoofd de 'verlichte despoot', de vorst die met vooruitstrevende ideeën zijn volk wil leiden naar nieuwe tijden. In plaats van grootse idealen komt een nieuw gevoel, waarbij de mensen ernaar streven hun dagelijkse bestaan zo aangenaam mogelijk te maken in een sierlijke en bekoorlijke omgeving, waarbij alles luchtig en optimistisch wordt bekeken, de 'bel-esprit' van de Franse literaire salons, die door diverse dames worden ingericht. In feite zijn dat een soort 18de-eeuwse cocktailparty's, waar de trendsetters samenkomen om naar de nieuwste 'hypes' te luisteren. Ook gezelschapsspelen en verkleedpartijen zijn 'in' bij de betere burgerij.


Bij deze hoger geschetste levensvisie past niet langer de zwaar aangezette barok, maar moeten de gebaren lichter en luchtiger worden. Eigenlijk is rococo dus een eindfase van de barok (en wordt daar dan ook toe gerekend), want de basisvormen en versieringen wijzigen niet echt, maar worden in hun verschijningsvorm eleganter en fijner uitgewerkt. Niet de overweldigende indruk telt, wel het bekoren en bevallen. Vandaar het verdwijnen van elke scherpe lijn en rechte hoek, die nu verborgen worden onder grillig stucwerk. In feite richt de rococo geen architectuur op, maar kleedt een bouwwerk aan, er ontstaat een wooncultuur. Niet de architect staat in de spots, maar de decorateur, de man die zich met afwerking en bemeubeling bezighoudt. Kende de barok reeds een drang om de zaken samen te vatten in grote gehelen, nu wordt het samensmelten van architectuur, beeldhouwwerk en schilderij tot één geheel nog verder doorgedreven. Dat leidt tot het scheppen van illusies en tromp-d'oeils (gezichtsbedrog). Beeldhouwwerk wordt nagebootst met grijze muurschilderingen (grisailles), plafonds worden beschilderd met weidse luchten waarin allerlei klassieke goden en engelen zweven, terwijl de mensen (ook geschilderd) langs een meegeschilderde ballustrade toekijken. Ook koepels van kerken worden beschilderd alsof je door een gat recht de hemel in blikt. Spiegels verhogen dit effect nog en doen de ruimte groter lijken, stucwerk verdoezelt de overgang tussen wand en plafond. Uit de klassieke oudheid worden niet langer de goden weggekaapt, maar de idyllische taferelen, het speelse van nimfen en herderinnetjes. Aan het Verre Oosten worden exotische motieven ontleent, de chinoiserieën. De speelse lijnen van schelpen camoufleren elke strakke overgang en daarom wordt het schelpmotief zeer vaak gebruikt en geldt het wel als hét kenmerk van rococo-architectuur, omdat het vaak in voorgevels als 'kuifstuk' (versiering op de bovenlijst van de wand, waar het dak begint) of boven de ingang opduikt. De totaalindruk van een rococo-gebouw is mooi symmetrisch (dus zoals in het klassicisme), maar de details zijn dat allerminst, daar heerst vrijheid-blijheid.