Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

SANTIAGO DE COMPOSTELLA

Tournai / Doornik

In de vroege middeleeuwen zijn er drie belangrijke bedevaartsoorden voor de christenen:

- het Heilig Land met Bethlehem als geboorteplaats van Jezus en Jeruzalem als stad van de kruisdood van Christus, waar in de 3de eeuw door keizer Constantijn de   Grote de Heilig Grafkerk wordt gebouwd, terwijl ook in die jaren het Ware Kruis wordt teruggevonden door Helena.

- Rome als residentie van de paus, de plaatsvervanger van Christus op aarde en middelpunt van de christelijke wereld;

- Santiago de Compostela, waar het lichaam van de apostel Jacobus de Meerdere wordt gevonden en vereerd.


JACOBUS De Meerdere

Hij is de broer van de apostel Johannes, samen zonen van Zebedeus. Wanneer Christus komt preken aan het Meer van Galilea, gebruikt hij de vissersboot van Simon en Andries, zonen van Jona. Bij de daarop volgende wonderbare visvangst roepen deze twee de hulp van Jaak en Johan in, om de vangst binnen te halen. Daarna trekken ze met Christus mee als zijn eerste leerlingen.

Volgens de overlevering uit de eerste eeuwen van het christendom zou Jacobus op missionering naar Hispania, Spanje, zijn getrokken. Het missioneren lukt echter niet zo goed in die streek, slechts een tiental lieden laten zich tot de nieuwe religie bekeren. Daarop keert Jacob naar Jeruzalem terug.

Hij wordt na zijn terugkeer door Herodes gevangen genomen en onthoofd. Het lichaam mag niet worden begraven. Maar Jacobs medestanders halen het lijk 's nachts weg en brengen het naar de kust, waar een onbemande boot blijkt te liggen, met een marmeren sarcofaag erin. Daarin wordt Jacobs lichaam gelegd en het vaartuig kiest zee. Geleid door een engel, vaart de boot via de Middellandse Zee, de Straat van Gibraltar en de Atlantische Oceaan naar de noordkust van Spanje. Daar gaat het stroomopwaarts via de rivier de Ulla tot aan de vroegere Romeinse hoofdstad van Galicië, Iria Flavia. Daar blijft het vaartuig steken op een voormalige Romeinse begraafplaats, een compostum, later verbasterd tot compostela.


COMPOST EN STERREN

Het lichaam van Jacob blijft in dit afgelegen deel van het rijk van de Astruriërs, een uithoek van de christelijke wereld, enkele eeuwen onopgemerkt. Pas in de 9de eeuw valt een monnik, die daar als kluizenaar leeft, een vreemd lichtschijnsel op. Wanneer hij gaat kijken, ziet hij dat het om een bovennatuurlijk licht gaat en hij ontdekt de sarcofaag met de resten van de apostel. Als bisschop Theodomir de vondst van de monnik erkend als waarachtig, wordt er boven de sarcofaag een kerk gebouwd. In middeleeuwse geschriften staat dat Jacobs resten zijn ontdekt op het Campus Stellae, het Sterrenveld, welke plek later wordt vereenzelvigd met Compostela. Het gebeuren met het mystieke licht herinnert uiteraard aan de ster, die de Wijzen destijds volgden naar de kribbe van Jezus. Opgravingen hebben wel Romeinse graftomben aan het licht gebracht, maar verder is er niets gevonden op de aangeduide plaats, geen resten van een boot dus.


Door de bisschoppelijke erkenning van de vondst, ontstaat een verering van Jacobs relikwieën, waarbij er ook al snel van wonderbare genezingen en dergelijke sprake is. Dat komt goed uit, want de christelijke Spaanse staatjes moeten zich verdedigen tegen de oprukkende Arabieren, die vanuit al-Andalus naar het noorden opdringen. Zo'n steuntje in de rug voor de soldaten is dus welkom.

 

Vooral na de publicatie van het Liber Sancti Jacobi, een vijfdelig werk uit de eerste helft van de 12de eeuw, waarin alle verhalen rond de apostel samengebracht zijn door de Franse priester Amérique Picaud, beginnen de pelgrims toe te stromen. Dat werkstuk staat ook bekend als de Codex van Calixtus, omdat paus Calixtus II de tekst zou hebben voorgelegd aan de patriarch van Jeruzalem en de aartsbisschop van Santiago. Uiteindelijk zou Calixtus in een visioen het bevel tot goedkeuring hebben gekregen, maar werd hem ook gezegd, te waarschuwen tegen oneerlijke herbergiers langs de wegen naar Santiago de Compostela. Vandaar dat de auteur een stuk toevoegt, waarin de pelgrimsroutes gedetailleerd worden beschreven, een soort Pelgrims Gids. Zelfs vandaag kunnen reizigers dankzij dit geschrift de oude route terugvinden.


Niet elke pelgrim gaat uit pure devotie op weg. Velen worden ertoe verplicht als straf voor een begane misdaad, zodat ze meteen een tijdje uit de lokale circulatie zijn. Daarnaast zijn er nog pelgrims, die het doen om het geld. Rijke lui sturen namelijk een arme kerel op hun kosten op pad, met als voorwaarde dat zij een deel van de door hem verkregen kwijtschelding van zonden voor hun eigen zielenheil zullen ontvangen.

De kleding van pelgrims bestaat aanvankelijk uit voor die tijd normale reiskleren: een kort gewaad, dat niet hindert bij het stappen, een mantel tegen de kou en een hoed als bescherming tegen zon en regen. Er hoort ook een lange, stevige stok bij, de pelgrimsstaf, handig hulpmiddel als een hongerige wolf jou als snack wil kiezen of wanneer een struik langs de weg vol rovers blijkt te zitten. In een bij voorkeur uit dierenhuid gemaakte pelgrimstas draag je al je bezittingen mee. Het specifieke daaraan is, dat hij altoos open moet blijven, als blijk van vertrouwen in je missie en in God. Aan je staf of je gordel hangt tenslotte nog een uitgeholde kalebas, diendend als lichte veldfles. Maar vooral moet je de schelp nooit vergeten, die als een badge toegang verleent tot herbergen en gasthuizen langs de route, die zich hebben gespecialiseerd in de ontvangst van pelgrims.


Bij terugkeer uit Santiago de Compostela dien je een soort document te kunnen tonen, als bewijs dat je niet ergens onderweg bent blijven plakken. Zeker wanneer de tocht ondernomen werd als boetedoening voor een misdaad, is zo'n bewijs natuurlijk noodzakelijk.


Een van de bekendste Vlaamse bedevaartgangers, zij het niet naar Galicië, maar naar Rome, is onze Reinaart de Vos. Het is zijn manier om zich uit de nesten te werken na zijn veroordeling door de hofhouding van koning Nobel.