Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

SAVOOIAARD

Marche-en-Famenne

Letterlijk is een Savooiaard iemand uit de Franse streek Savoie – of Savooie – gelegen tegen de Italiaanse en Zwitserse grens. Ook Val d’Oste, een autonome Italiaanse regio boven Turijn, hoort qua bevolking bij de Savoie en er wordt dan ook veel Frans gesproken, in een moeilijk verstaanbaar lokaal dialect.


Van begin 19de eeuw tot rond 1914 is het woord Savooiaard echter ook vrijwel synoniem met schoorsteenveger en daarbij wordt dan vooral aan kinderen gedacht, de kleine Savooiaards.


De Savoie is dan lang niet het toeristische gebied met luxe skioorden zoals we dat vandaag kennen, maar een wat afgelegen streek met strenge winters, waar bij de vele kroostrijke gezinnen armoe troef is. De ouders zijn al blij als hun kinderen ook wat geld kunnen binnenbrengen en een van de manieren daartoe is in dienst treden als schoorsteenvegertje. Ervaren oudere schoorsteenvegers recruteren de vaak zeer jonge kinderen, vanaf 6 jaar, om met hen een faria te vormen, een ploeg van drie tot zes liefst gezonde jongetjes, hoewel er soms ook als jongen vermomde meisjes meegaan.


Het werkterrein ligt altijd buiten de Savoie, vooral in de grote Franse steden, maar ook in België. Elke ploegleider heeft zijn vaste stek en route, waar geen andere schoorsteenveger zich moet wagen, of het is oorlog.


Steeds wordt er vertrokken op 7 september, de feestdag van Sint-Gras, patroon van de schoorsteenvegers en bij leven een 5de-eeuwse bisschop van Aoste. De ploeg blijft de hele winter weg, om in mei terug te keren, zodat de kinderen ’s zomers mee kunnen helpen op het veld van hun ouders. De ploegbaas moet zorgen voor nieuwe kleren, schoenen, onderdak en voeding voor de kinderen en verschaft ook het werkmateriaal. Eigenlijk wordt verwacht dat hij tevens nog instaat voor een stuk opvoeding, maar dat schiet er doorgaans over. En natuurlijk probeert elke ploegbaas zoveel mogelijk te bezuinigen op zijn kosten. Zo is het niet ongebruikelijk om op weg naar de streek waar gewerkt gaat worden de kinderen blootvoets 40 à 50 km per dag te laten lopen over de Franse wegen, om slijtage aan schoenen te voorkomen. En door ‘s nachts te reizen wordt ook aan elke controle ontsnapt. Overdag kunnen de kinderen dan nog wat bedelen.


Eenmaal ter plaatse wordt een logeeradres opgezocht, van waaruit de kinderen vertrekken naar de adressen die hun ploegbaas heeft vergaard. Het vegen van de schoorsteen gebeurt op twee manieren. Eerst wordt met een zogeheten egel – een borstel met wijd uitstaande stijve pennen – het ergste vuil verwijderd door die aan een touw door de pijpen te trekken. Daarvoor wordt begin 20ste eeuw 1 frank aangerekend. Wil je een betere reiniging, dan betaal je een halve frank extra en daarvoor klimt een jongetje via een laddertje van twee meter lang de schouw in om met een schraapijzer het roet van de stenen te krabben. Precies daarom wordt een beroep op kinderen gedaan, want de ploegbaas kan zelf allang niet meer door de schouw. Zo’n kind klautert dan door de schouw naar boven en roept “haut en bas” als het de bovenkant heeft bereikt. Het losgekomen roet wordt in een zak verzameld en aan fabrieken verkocht, die het bij hun productieprocessen kunnen gebruiken.


Natuurlijk is vooral dat in schouwen kruipen zeer ongezond. Heel wat kinderen krijgen longproblemen en het roet veroorzaakt allergieën en soms blindheid. Voeg daarbij werkdagen van veertien tot vijftien uur, zeven dagen aan een stuk, voeding van bedenkelijke kwaliteit, overnachten in kille, vochtige vertrekken, enkel beschermd tegen de vorst door de roetzak die als deken dient en het zal geen verbazing wekken dat veel kinderen na zo’n winter ziek thuiskomen.


De ploegbaas incasseert steeds het veegloon en voelt zich vaak niet te beroerd om desnoods met wat slaag, ook de fooien die de kinderen hebben gekregen op te eisen. Wie ’s zondags naar de kerk wil, moet daarvoor betalen aan de ploegbaas, want dat is voor hem een gewone werkdag.


Bij terugkeer in mei krijgen de ouders een bedrag dat overeenkomt met de prijs van een kalf. Het enige voordeel voor de kinderen is dat ze tenminste dagelijks minstens één maaltijd krijgen en wellicht ook wat steun aan elkaar hebben.


Wanneer er in de pers berichten opduiken over kinderen die langs de weg zijn achtergelaten en anderen die door een val verwondingen aan hun hoofd hebben opgelopen, beginnen sommigen zich vragen te stellen bij deze praktijken. Hyppolite Dieu, van 1860 tot 1863 eerste prefect van Savoie en nadien voorzitter van de Raad van de Prefectuur, laat op 15 januari 1863 een eerste reglement uitvaardigen, waarbij een leertijd wordt vastgelegd, plus een verbod op het in dienst nemen van meisjes en van jongens van minder dan twaalf jaar. Franse wetten van 1874 en 1892 verstrengen die regels dusdanig, dat de schoorsteenvegers andere werkwijzen gaan ontwikkelen en stilaan afzien van dit soort kinderarbeid. Toch duurt het tot 1914 voor het fenomeen volledig is verdwenen. Achter het guitige schoorsteenvegertje dat vandaag als embleem van de Savoie wordt gepromoot, schuilt dus een minder vrolijke realiteit.