Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

STADSMUREN

Marche-en-Famenne

In de middeleeuwen ontstaan steden niet spontaan, tussen de 11de en de 13de eeuw is dat een weloverwogen gebeuren. Hoe gaat dat?


Het huidige Belgische grondgebied is verdeeld over twee Europese machtscentra: het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie met een keizer aan het hoofd en Frankrijk waar een koning de hoogste macht bezit. Beiden besturen dus een enorm gebied, wat zeker in die dagen amper efficiënt kan gebeuren zonder betrouwbare medewerkers. Die worden gerecruteerd uit aanzienlijke families en krijgen de titel van graaf, of één trede hoger, hertog. Keizer of koning geven hen een deel van het rijk in leen, waarover zo’n graaf of hertog nogal eigenmachtig kan beschikken. In ruil daarvoor moet zo’n leenman of vazal zijn leenheer trouw beloven en hem daadwerkelijk steunen in geval van oorlog of opstand. Zelf kan de vazal aan de mensen die binnen zijn leen wonen belastingen opleggen en zo inkomsten behalen voor investeringen binnen zijn feodum, zoals dat leengebied heet. Dit systeem van grond belenen wordt het feodale stelsel genoemd.


Binnen zijn graafschap of hertogdom geeft de graaf of hertog op zijn beurt weer stukken van zijn grondbezit in leen aan lokale heren of vrouwen, de heerlijkheden. Die heren en vrouwen leven zelf van het verpachten van grond en het laten bewerken van eigen gronden door horigen, mensen die hun heer/vrouwe moeten gehoorzamen en niet vrij kunnen gaan en staan waar ze willen.


Zo’n systeem veroorzaakt natuurlijk een voortdurend getouwtrek om de macht tussen graven en hertogen enerzijds en de lokale heren anderzijds. Intussen ontstaan langs kruispunten van belangrijke wegen, rivierovergangen of nabij kloosters kleine volksconcentraties. Op die plaatsen is namelijk voldoende vraag naar specifieke producten en diensten om zich daarin te specialiseren: de smid, herbergier, wagenmaker, leerlooier, kuiper en zo meer.


Om de macht van de lokale heren in te perken, gaan nu de graven en hertogen rechtstreeks contact zoeken met die bevolkingskernen om hen onafhankelijk te maken van de heren en direct onder het gezag van de graaf of hertog te brengen. Ze verlenen zo’n nederzetting stadsrecht. Het woord zegt het al, dat is allereerst de bevoegdheid om zelf de hogere rechtspraak uit te oefenen, zonder dat de lokale heer zich daar nog in kan mengen. Natuurlijk moet dan een gebied worden afgebakend, waarbinnen die rechtspraak geldt en zo ontstaat de stadsgrens. Wie binnen het gebied woont, kan onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor het poorterschap, wat bijvoorbeeld het recht geeft om ter plaatse een beroep uit te oefenen en om een stadsbestuur te kiezen, de magistraat.


Al wie van buiten de stadsgrenzen komt, moet toelating krijgen het stadsgebied te betreden en er doorheen te trekken. Juist doordat steden aan belangrijke verbindingswegen liggen, is het vrijwel onmogelijk om langs andere wegen te reizen. Dit in tegenstelling tot vandaag, nu de grote autowegen het verkeer juist ver van de stadscentra proberen te houden voor wie daar niet absoluut moet zijn.


Bij het stadsrecht behoren doorgaans ook een reeks andere rechten van praktische aard. Zo is er het tolrecht dat geheven wordt wanneer een buitenstaander de stad binnen wil, of er doorheen wil reizen. En zijn er de accijnzen op goederen die een koopman in de stad wil verkopen. De nieuwbakken stedelingen proberen steeds meer gunsten – privileges – van de graaf of hertog los te wrikken in ruil voor hun trouw en hulp bij conflicten. Zo het marktrecht, waarbij bepaalde gewassen of dieren die in de omtrek van de stad worden geteeld, gekweekt of gefokt enkel via de stedelijke markt verkocht mogen worden. Riviersteden verwerven vaak een stapelrecht. Passerende schepen worden verplicht hun lading te laten opslaan in pakhuizen in de stad en daar te koop te stellen, alvorens ze het onverkochte restant verder mogen vervoeren. Zo kunnen stadsbesturen voorraden aanleggen van de meest noodzakelijke levensmiddelen om in tijden van schaarste en misoogst toch de bevolking te kunnen voeden en de koopkracht op peil te houden.


Al die rechten en privileges worden genoteerd in een keure, het juridische bewijs tegenover de machthebbers en hun opvolgers. Die documenten worden goed bewaard in een kist met diverse sloten, zodat er altijd meer mensen aanwezig moeten zijn om ze te raadplegen of te verplaatsen. Later wordt in een speciale stadstoren, het belfort, een aparte ruimte, het secreet, voorzien om de keuren te bewaren.


Om voor alleman het stadsgebied duidelijk af te bakenen mag er een stadsmuur worden gebouwd. Door die hoog genoeg te maken, wordt voorkomen dat mensen erover klimmen of dat er goederen overheen geworpen worden. Via stadspoorten die door wachters bewaakt worden, kan je overdag in en uit de stad. ’s Nachts gaan de poorten dicht en dat tijdstip wordt met klokgelui aangekondigd voor stedelingen, die op het land buiten de stad actief zijn. Overigens zijn er binnen de stadsmuren ook complete boerderijen met akkers, graasweiden en boomgaarden, want het aantal woningen is aanvankelijk nogal beperkt.


Zodra de steden artikelen gaan produceren voor export, worden ze elkaars concurrenten en ontstaat er gekrakeel. Dat kan uitlopen op strafexpedities, waarbij volk van de ene stad optrekt tegen de concurrent en daar vernielingen aanbrengt aan de productiemiddelen. Om zich daartegen te beschermen gaan steden hun ommuring uitbouwen tot een verdedigingslinie, net zoals de kastelen van heren, graven en hertogen bestand zijn tegen aanvallen en belegeringen.


Er worden zwaardere stadsmuren gebouwd, waarlangs aan de buitenzijde grachten worden gegraven, die door plaatselijke beken en riviertjes worden gevoed. Waar de gracht voor een poort langs loopt, komt er een ophaalbrug, zodat een indringer voor een waterbarrière komt te staan. Op sommige plaatsen langs de stadsmuur worden bewust stukken land drassig gehouden, om het aanvallers zo vrijwel onmogelijk te maken de stadsmuur van die kant te naderen. Dringt een groepje aanvallers bij verrassing toch de poort binnen, dan kan er snel een eikenhouten valhek worden neergelaten, dat hen afsnijdt van de overige belegeraars, zodat ze makkelijk onschadelijk gemaakt kunnen worden. En de poorten zelf worden van ijzeren beslag voorzien om inbeuken met stormrammen moeilijk te maken. Flankerende poorttorens laten toe om een vijand die voor de poort staat van terzijde te bestoken en boven de doorgang worden uitbouwen gemetseld met werpgaten, de machicoulis, waardoor onfris afval en brandend pek naar beneden wordt geworpen. Vaak wordt over kokend water en kokende olie gesproken in dit verband, maar dat zal eerder zeldzaam geweest zijn. Het is al moeilijk aan te voeren via smalle torentrappen en water is bij belegeringen te kostbaar om zomaar te verspillen, terwijl olie in die dagen niet in enorme voorraden in de steden aanwezig was. Er werd met turf of hout gestookt en met kaarsen of geteerde fakkels verlicht.


Muren worden voorzien van kantelen, smallere opbouwen bovenop de muurrand, waarachter boogschutters zich kunnen verschuilen. Dat zijn aanvankelijk handboogschutters met houten pijlen, later ook voet- of kruisboogschutters, die met metalen pennen schieten die een veel grotere snelheid en slagkracht bezitten en een harnas kunnen doorboren. Soms worden aan de buitenzijde van een stadsmuur overdekte houten balkons gehangen, hordijzen, waaruit boogschutters aanvallers die de muur dicht zijn genaderd beter onder schot kunnen nemen. Aan de binnenzijde van de muur loopt een weergang. Dat is een loopgang die aan de binnenzijde langs de hele muur is aangebracht op een hoogte die een verdediger toelaat zich beschut van het ene deel naar het andere te begeven.


Zware houten balken die hoog en horizontaal langs de buitenzijde van de muren lopen, zijn via dwarsbalken door gaten in de muur verbonden met de erachter lopende weergang. Wanneer de vijand lange stormladders tegen de muur plaatst, kunnen door het naar buiten duwen van de horizontale balken die ladders omver worden geworpen. Soms gebruikt een belegeraar ook stormtorens, houten constructies met diverse beschutte verdiepingen waarop gewapende aanvallers plaatsnemen, waarna de van houten wielen voorziene toren richting muur wordt gerold.


Natuurlijk slaan aanvallers graag een bres in de stadsmuur, een ruwe opening die de muur doorbreekt. Ze graven dan eerst tunnels tot onder de muur en halen daar massa’s grond weg, zodat een stuk muur gedeeltelijk instort. Dat proberen de muurbouwers te voorkomen door hun muur te funderen op pijlers met daartussen arcades, de spaarbogen, waarop dan de eigenlijke muur wordt opgetrokken. Niet alleen heb je zo minder stenen nodig, maar het wordt voor een aanvaller moeilijk om je muur te ondergraven, omdat vanop de grond niet zichtbaar is waar precies de pijlers zitten. En een boog stort niet zomaar in door er zand onder weg te graven.


Halfronde muurtorens met een vlakke achterzijde, de keel, maken het mogelijk om manschappen snel op de weergang te brengen, bieden een goede uitkijkpost, laten ruimte om voorraden op te slaan en vormen een stevig verdedigingspunt in de ommuring. Vaak is er nog een plek waar een grote donjon, zo’n extra zware toren, even binnen de muur is gebouwd en door een eigen ommuring of gracht wordt omringd. Dat is dan het kasteel van waaruit de verdediging wordt geleid. Het is ook de laatste barrière die een vijand moet veroveren om de stad in te nemen.


Die aanvallers slepen bij langdurige belegeringen een blijde aan, een reuzen katapult, waarmee zware stenen, brandende fakkels en rottende kadavers over de muur worden geslingerd in de hoop zo grote vernielingen aan te richten, felle branden in de houten huizen te stichten en ziekten onder de verdedigers te verspreiden.


Na de komst van het buskruit wordt heel dit systeem van stadsmuren onderuit gehaald; men schiet er makkelijk bressen in. Daarom worden dan tussen de buitenkant van de muren en de stadsgrachten aarden wallen opgeworpen, die de projectielen opvangen en afremmen. De toren worden ontdaan van hun spitsdaken en tot muurhoogte verlaagd, waarna er geschutsplateaus op komen met kanonnen. Uiteindelijk gaan specialisten een heel netwerk van bastions, ravelijnen, lunetten, courtines, hoorn- en kroonwerken, overdekte gangen en een glacis aanleggen en worden steden opgesloten binnen complexe vestingwerken. Maar dan zijn ze ook reeds uitgegroeid tot strategische doelen, die de plaats innemen van de middeleeuwse kastelen en burchten.