
HSP
Ferdinand Truyman (1857-1939)
Ferdinand Truyman wordt op 23 september 1857 geboren in Antwerpen en daar mag hij niet over klagen, want hij belandt daarmee op het juiste moment op de ideale plek. Antwerpen gaat namelijk een periode van groei tegemoet met een snelle uitbreiding van het aantal inwoners, die zich na het slopen van de Spaanse stadswallen ook in een ruimer gebied kunnen vestigen, terwijl ook de economie op volle toeren komt. Dat laatste mede dankzij de komst van een grote groep Duitse ondernemers, die de Antwerpse haven als een goede plek voor hun investeringen zien in diverse bedrijven met vaak overzeese contacten, terwijl de IJzeren Rijn de spoorlijn wordt die hen met hun thuisland verbindt. Na zijn studiejaren treedt Ferdinand al meteen in 1878 in Antwerpse stadsdienst als 21-jarige. Daardoor kan hij van 1882 tot 1884 meewerken aan de bouw van het Koninklijk Atheneum, ontworpen door stadsbouwmeester Pieter Dens, waar hij meteen kennismaakt met Jan Frans Sel, een architect waar hij later nog mee zal samenwerken. In het jaar waarin het Atheneum af raakt, zal Truyman zich laten opmerken op twee manieren: het behalen van de tweede plaats voor de Prijs van Rome, een jaarlijkse wedstrijd waarvan de winnaar op studiereis mag op staatskosten en - nog belangrijker - zijn nauwkeurige opmeting in 1884 van hetgeen er op dat moment overschiet van de Antwerpse burchtwoning Het Steen. Bij het besluit tot rechttrekking van de Scheldekaaien is het historische gebouw in 1883 met één stem meerderheid in de Gemeenteraad gered van afbraak, een lot waaraan veel andere huizen in het oudste stadsdeel niet ontkomen zijn. Truyman levert in 1885 een ontwerp voor herstel en verbouwing van Het Steen, dat bekroond wordt bij een wedstrijd en waarmee hij zeker heeft bijgedragen tot het behoud van dit monument. Samen met Joseph Schadde wordt Ferdinand ook verder betrokken bij het opkalefateren van Het Steen, zij het onder leiding en verantwoordelijkheid van stadsbouwmeester Gustave Royers. Tijdens dit werk wordt Truyman in 1888 tot conducteur benoemd, een rang hoger in de orde van bouwkundige medewerkers van de stad Antwerpen, terwijl hij het jaar tevoren nogmaals als tweede eindigt voor die Prijs van Rome. Rond diezelfde periode heeft Ferdinand Truyman zijn intrek genomen in de ouderlijke woning aan de Antwerpse Marialei, waar hij ook zijn werkplek heeft. Juist naast dat huis zal hij in 1891 drie gelijke woningen ontwerpen voor niemand minder dan Maria Amalia Nottebohm-von Laer, een klinkende naam binnen ondernemend Antwerpen en zijn Duitse kolonie. Zij is sinds begin 1888 de weduwe van André Gaspard Nottebohm en zal in 1901 een gasthuis voor huidziekten oprichten, later gekend als Nottebohm Kliniek, thans woonzorgcentrum Nottebohm.. LOODSWEZEN Tavernierkaai 3, Antwerpen. Weer een jaar later volgt een nieuw en groot project, waarvoor Ferdinand samen met Hendrik Kennis de ontwerpen mag maken in 1892: het Loodswezen. Echt een imposant gebouw, pal naast de Schelde, uitkijkend over een ruime bocht in de stroom. Eigenlijk merkwaardig dat juist zij die opdracht krijgen van het Antwerpse stadsbestuur. Dat heeft namelijk ruim zes jaar eerder een wedstrijd uitgeschreven voor een gebouw waarin de staatsloodsen onderdak kunnen vinden, met naast hun werkruimten ook een woning voor de hoofdloods, een post- en telegraaflkantoor, een archiefruimte en magazijnen. Daarvoor zijn er liefst vijftien projecten ingestuurd. Op 4 augustus 1886 komt als laureaat de Brusselse architect Franz De Vestel uit de bus, op de voet gevolgd met een miniem verschil door Antwerpenaar Alphonse Vander Gucht. Toch zal geen van beiden de opdracht krijgen. Pas op 12 mei 1890 beslist het stadsbestuur om het ontwerp van Hendrik Kennis en Ferdinand Truyman te laten uitvoeren. Kennis is betrokken geweest bij de verbouwing van het inwendige van het stadhuis, Truyman was bekend van zijn betrokkenheid bij de bouw van het Koninklijk Atheneum en de opmetingen bij het Steen. De supervisie berust niettemin bij stadsbouwmeester Gustave Royers, die dan ook zijn handtekening moet zetten op alle ontwerpen. Het budget is niet krap, het stadsbestuur wil een representatief gebouw in het zicht van alle schepen die de haven binnenlopen en ook binnenin is de inrichting bijzonder verzorgd. Hoewel Tavernierkaai 3 het officiële adres is, staat het Loodswezen in feite op de vroegere Zeeuwse Koornmarkt en ligt de hoofdingang aan de Scheldezijde met een brede bordestrap. Links en rechts van de toegang is de gevel even lang, met bovenop het middendeel een bronzen Brabobeeld om de schepen te verwelkomen, die het grote gebouw al van verre zien liggen als ze in de bocht van de Schelde komen aanvaren. Dat beeld is een creatie van Jules Weyns uit Merksem, een in die dagen veel gevraagde sculpteur met nogal wat werk aan de in die tijd ook gebouwde huizen aan de Cogels Osylei. Op nummer 1 staat daar een huis met de naam Brabo en een tweede exemplaar van hetzelfde beeld van Weyns aan de gevel. De vier gevels van het Loodswezen liggen rond een open binnenplaats, terwijl er op de noordwesthoek een hoge uitkijktoren van vijf geledingen tegen leunt, met de vergaderzaal en de bureaus van de directie. Burgemeester Jan Van Rijswijck kan het gebouw op 14 juli 1895 inwijden. Tot 2016 vonden hier naast het Loodswezen ook de Zeevaartinspectie en de Vloot (groepeert schepen van de overheid, o.a. veerboten) en Maritieme Schelde onderdak. Nu staat het leeg en in afwachting van een nieuwe functie worden er af en toe tentoonstellingen in gehouden. Het Loodswezen is nu op Linkeroever gevestigd in Thonetlaan 102. Deze staatsdienst beschikt over vier kantoren, die elk instaan voor een deel van onze grote waterwegen. Vanuit Zeebrugge worden de Belgische kunsthavens gecontroleerd, vanuit Vlissingen de Scheldemonding, Antwerpen staat in voor de verdere Scheldeloop en hier huist ook de directie, vanuit Gent wordt het kanaal Gent-Terneuzen van loodsen voorzien. Vroeger waren het ervaren vissers of andere mannen die met de stromingen van een bepaalde rivier bekend waren, die als loods werden aangeworven door scheepskapiteins. Later wordt Oostende het centrale punt waaruit loodsdiensten worden georganiseerd, maar op 19 april 1839 wordt dat een bevoegdheid van de Belgische Staat en sinds 8 augustus 1988 is die weer overgedragen aan de gewesten, in Vlaanderen dus het Vlaams Gewest. HOGER HANDELSGESTICHT Schildersstraat 41, Antwerpen. Het visitekaartje van het Loodswezen leidt tot nieuwe grote opdrachten. Een daarvan is het Hoger Handelsgesticht, waarvoor Ferdinand Truyman en Jan Frans Sel samen in 1893 de plannen uitwerken in de periode dat ze nog allebei betrokken zijn bij de bouw van het Loodswezen. Een tamelijk ingewikkeld gebouw, met een hoofdingang aan de Schildersstraat, een achtergevel in de De Vrièrestraat en nog een zijgevel aan de Coquilhatstraat, een hele brok in de nieuwe Zuidwijk. Er wordt dan ook tot 1897 aan gewerkt, met boven de hoofdingang een stedenmaagd met twee leerlingen. De linker krijgt een boek aangereikt, de rechter een product, die hier beide belangrijk zijn voor de handelsstudenten. Wat lager nog twee scheepsboegen – het vervoer voor al die handel – en een dame en heer die het onderwijs symboliseren. Een van de studenten is Alfons de Ridder. Die is op z’n 16de van school gestuurd, maar vindt het na een baantje als loopjongen toch beter nog wat verder te studeren en komt zo als 19-jarige terecht op het ‘Institut Supérieur de Commerce d’Anvers’, zoals de school dan door het leven gaat. Het inspireert Alfons ook tot enkele gedichten en vandaag draagt de oude houten aula de naam waaronder iedereen hem beter kent: Willem Elsschot.. Aan de De Vrièrestraat zie je twee halsgevels. Achter de linker met het Antwerpse stadswapen en bijschrift SPQA het vroegere Warenmuseum. Over diverse verdiepingen rond een open middengedeelte stonden hier alle soorten producten opgesteld, waar toekomstige handelsvertegenwoordigers in Antwerpen mee te maken zouden krijgen. Het was toegankelijk vanuit de Coquilhatstraat, waar boven een poort nog het opschrift Handelsmuseum te lezen valt. Wie hier afstudeerde wist dus waarover hij sprak, zonder overal stage te hoeven lopen. Nadat de school allang was opgeheven, heeft deze ruimte nog enige tijd dienst gedaan als tweede zaal van het Raamtheater. Vanaf 1961 worden die handelswaren uit allerlei landen vervangen door woorden in allerlei talen, dan strijkt hier het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken neer, zeg maar HIVT met als beroemdste student dichter Leonard Nolens uit het Limburgse Bree. Na een fusie met de Universiteit Antwerpen in 2003 spreken we van Campus Zuid van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte en dat tot juni 2016. Sindsdien staat dit in 1988 als monument beschermde gebouw te wachten op nieuwe bewoners. WERELDTENTOONSTELLING 1894 De plaats van de vroegere citadel, het Zuidkasteel, wordt uitgekozen voor de tweede Antwerpse wereldtentoonstelling, de Exposition Universelle d’Anvers, die plaatsvindt van 5 mei tot 5 november 1894. Het thema wordt handel, met name via de Antwerpse haven naar allerlei uithoeken van de wereld. Bij vorige wereldexpo’s had de nadruk op technische verwezenlijken gelegen, waarbij de bezoekers stilaan moe en verveeld raakten bij het zien van steeds maar machines, turbines en andere nieuwigheden. In Antwerpen wordt daarom ook ‘beleving’ een belangrijk onderdeel. Die ‘beleving’ krijgt gestalte in een 16de-eeuwse wijk Oud Antwerpen, die moet verwijzen naar de Gouden Eeuw van de stad, in een Mammoetgrot, waarin recente archeologische opgravingen in de Verenigde Staten worden voorgesteld, een Oosterse wijk met straatscènes en bewoners uit Marokko, Tunesië en Egypte, plus het Congolese Dorp waar 144 echte Congolezen te zien zijn. Een aparte ervaring voor de bezoekers van deze expo, allemaal voornamelijk uit de betere klasse, want de toegangsprijs van 1 Belgische frank is te hoog voor arbeiders met een maandloon van 2,50 frank. Een aparte tijdelijke vennootschap organiseert de hele expo en burgers kunnen voor 100 Belgische frank – een maandsalaris – een aandeel kopen. Dat floreert, het geeft de burger prestige. Er nemen 26 landen deel, vooral uit Europa, met daarnaast Nederlands-Indië, de Verenigde Staten en uiteraard Congo Vrijstaat, de privé-kolonie van koning Leopold II. Ferdinand Truyman mag het paleisachtige toegangsgebouw ontwerpen. Dat bestaat uit een 265 meter breed front met in het midden een reusachtige koepel van 47 meter hoog, die ’s avonds elektrisch verlicht wordt. Daarvoor een waterbassin met daarin een scheepsboeg met beelden erop. Twee brede gebogen trappen leiden naar twee torens en galerijen vanwaar je een overzicht over het tentoonstellingsterrein hebt. Deze Exposition Universelle zal in vijf maanden zo’n 5 miljoen bezoekers trekken. Nadien wordt op het terrein de wijk Het Zuid verder aangelegd. GEMEENTEHUIS BRASSCHAAT Bredabaan 182, Brasschaat. Brasschaat bestaat pas sinds 1830 als aparte gemeente, voorheen behoort het tot Ekeren. Ook al is een lokale herbergier sinds 1824 op papier de eerste burgemeester, in feite is hij vooral de vertegenwoordiger van Brasschaat in de Ekerse gemeenteraad. Vanaf de Belgische Onafhankelijkheid tot eind 19de eeuw is het Brasschaatse gemeentebestuur op diverse plaatsen gehuisvest. Intussen is het aantal inwoners opgelopen tot ruim 5000, daarom wordt aan een nieuw en groter gebouw gedacht. Het gemeentebestuur gaat niet over één nacht ijs en vraagt informatie aan een stuk of zes andere gemeenten met een vergelijkbaar inwonertal omtrent hun gemeentehuizen. Neerpelt, Retie en Mortsel vallen qua gebouw in de smaak en de Antwerpse architect Ferdinand Truyman krijgt opdracht om een dergelijk gemeentehuis voor Brasschaat te ontwerpen. Dat moet naast het gemeentebestuur ook plaats bieden aan een politiebureau en een postkantoor, plus woningen voor de politiecommissaris en de gemeentesecretaris. Er is ook al een plek gekozen, bij de splitsing van de Bredabaan en de Donksesteenweg, om een tegenpool te kunnen vormen met de kerk, die ook op zo’n splitsing staat. Truyman pakt uit met een fors gebouw met een stevige vierkante toren van vier verdiepingen en twee neoromaanse torentjes in de flanken. Vooraan een bordes met twee trappen, alles voorzien van ijzeren leuningen eindigend op schilddragende leeuwtjes. Ook de bouwmaterialen moeten van de hoogste kwaliteit zijn. Bijvoorbeeld zo’n 20.000 kubieke meter blauwe hardsteen uit de beste Waalse groeven in Feluy, Ecaussines of Soignies. Na goedkeuring van Ferdinands voorstel op 10 april 1900 wordt een aannemer gezocht om snel te beginnen. Er is echter een klein probleempje. Op de plek waar het gemeentehuis moet komen, staat de Prins Kardinaal, een oude afspanning. Die wil het gemeentebestuur weg en dus is er in 1898 fluks besloten, dat die herberg een ontsiering voor Brasschaat vormt. Maar de eigenaars gaan niet akkoord met de geboden koopsom, waarna de gemeenteraad het pad van onteigenen kiest. Dat leidt tot rechtszaken die aanslepen, terwijl het oude gemeentehuis al per april 1901 is verkocht. Dus zit er niets anders op dan tijdelijk de gemeentelijke diensten te huisvesten in een schoolklas en bij de gemeentesecretaris thuis. In november 1901 kan uiteindelijk de Prins Kardinaal uit het dorpsbeeld verdwijnen. De aannemer start op 5 mei 1902, maar er is afgesproken dat waarnemend burgemeester graaf Baillet-Latour het nieuwe gemeentehuis op 14 mei 1903 zal inhuldigen. Er rest voor de bouw met moeite een jaar. Na dreiging van Truyman slaagt de aannemer erin alles met slechts één maand vertraging op te leveren en kan Ferdinand de Baillet-Latour op 7 juni 1903 zijn nieuwe gemeentehuis betreden. Vanaf 2018 wordt dit gemeentehuis gerestaureerd en zijn de Brasschaatse gemeentediensten verhuisd naar een nieuw administratief centrum aan de Verhoevenlei. Maar een ja-woord geven zal ongetwijfeld nog in het oude gebouw kunnen. SCHUTTERSGALERIJ OUDE VOETBOOG Den Botaniek, Leopoldstraat, Antwerpen. In 1306 wordt door de Brabantse hertog Jan III de Antwerpse Gilde van de Oude Voetboog ofwel Den Goed Willigen erkend. Die tweede betiteling wordt in 1580 gewijzigd in Sint-Jorisgilde. Het is daarmee de oudste van de gewapende Antwerpse gilden met als wapen de voetboog, nu vaker kruisboog genoemd. Een voetboog is een wapen waarbij de boog in feite een stalen veer is, waaraan een pees zit, die wordt opgespannen met een soort katrol. De schutter staat daarbij rechtop met één voet in een beugel aan de kop van het wapen om meer kracht te kunnen zetten bij het opspannen. De pijlen hebben metalen punten waarmee een harnas doorboort kan worden. Ze worden afgeschoten door het overhalen van een trekker, die later ook bij geweren en pistolen gebruikt zal worden. Omdat het opspannen tamelijk veel tijd vergt, worden kruisboogschutters eerder bij de verdediging ingezet, terwijl snellere handboogschutters bij het aanvallen worden ingeschakeld. De Antwerpse gilden hebben aanvankelijk hun oefenterreinen – schuttershoven – aan de Schuttershofstraat. Maar wanneer projectontwikkelaar Gilbert Van Schoonbeke daar heel veel gronden opkoopt om er zijn Tapissierspand voor de lakenhandelaren en tapijtverkopers op te richten en daarrond een aantal straten trekt, moeten ook de schutterijen plaats ruimen rond 1550. Zij krijgen van het Stadsbestuur nieuwe schuttershoven tussen de toenmalige Gezondstraat – nu Henri Van Heurckstraat – en een doodlopende steeg, die eerst Oude Voetboogstraetken wordt genoemd, maar vandaag Willem Tellstraat heet. De gilde is wel verplicht om binnen zes maanden hun terrein te ommuren en een zogeheten cokerhuys te bouwen voor het opslaan hun wapens. Die opslagplaats komt tussen 1551 en 1557 tot stand en de gevelsteen van de inwijding is nog bewaard gebleven in de Arenbergschouwburg. Tijdens de 16de eeuw wijzigt de activiteit van de schuttersgilden. Ze zijn niet meer nodig voor de verdediging van Antwerpen en worden Plezansiën, verenigingen die zich bezighouden met schietsport, samenzijn en liefdadigheid. Uiteindelijk worden alle gilden bij de komst van de Fransen in 1776 opgeheven en worden hun goederen in beslag genomen. Dat gebeurt ook met het gildenhuis van de Oude Voetboog aan de Grote Markt, het Spangiënpand. Hun schuttershof wordt verkocht, maar tussen 1831 en 1850 worden dat terrein en de verlaten gebouwen nog gebruikt door Schuttersmaatschappij Willem Tell - vandaar dus die straatnaam. Wanneer in 1911-’12 in de Arenbergstraat het huis De Clavecymbale, dat clavecimbelbouwer Joos Careest daar in 1552 heeft laten bouwen, wordt afgebroken om plaats te maken voor kantoren van de Anglo-Continentale Guano-Werke S.A., een bedrijf van twee Duitse broers, dat guano (vogelstront) uit Peru importeert en verwerkt tot kunstmest. Dan wordt de oude 16de-eeuwse schietstand van de Oude Voetboog op het achterterrein voorzichtig afgebroken en door Ferdinand Tryman in 1912 heropgebouwd in de plantentuin, nu Den Botaniek gedoopt. Na een welgevulde lijst van bouwwerken is de bucketlist van Ferdinand Truyman afgewerkt en kan hij in 1921 van zijn pensioen gaan genieten, zij het dat hij nog even een laatste bodempje van de emmer ledigt met de bouw van een art deco-woning in 1924. Maar dat is voor een deurwaarder en daar bied je beter geen weerstand aan. Na nog zo’n 18 jaar van zijn rust te hebben genoten, overlijdt een 81-jarige Ferdinand op 9 april 1939.