Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

Marche-en-Famenne

JAN VAN BOHEMEN

= Jean de Bohème, Jan van Luxemburg, Jean l’Aveugle, Jan de Blinde.


Jan van Bohemen wordt op 10 augustus 1296 geboren als zoon van graaf Henri VII van Luxemburg. Zijn vader is in 1308 gekozen tot keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, kortweg het Rooms-Duitse Rijk. Zijn moeder is Margaretha van Brabant, een dochter van hertog Jan I van Brabant.


In het koninkrijk Bohemen, het huidige Tsjechië, ontstaat tussen 1306 en 1310 een machtsvacuüm als koning Wenceslas III na ongeveer een jaar te hebben geregeerd wordt vermoord door de Tsjechische adel. Die voelt zich benadeeld tegenover de Duitse immigranten die Wenceslas’ vader naar Bohemen heeft gehaald, om het land aansluiting te laten vinden bij de West-Europese cultuur. Deze Wenceslas II heeft van Bohemen een land gemaakt dat internationaal meetelt door de grenzen open te stellen voor invloeden uit het verder ontwikkelde westen van Europa. Bovendien heeft hij zijn rijk – waartoe dan ook reeds Moravië (het huidige Slowakije) behoort - uitgebreid door het inlijven van het oostelijk gelegen Silezië, waarbij hij zelf in 1300 ook nog koning van het aangrenzende Polen is geworden.


Voor zijn zoon Wenceslas (Vaclav) III kan hij in 1301 de Hongaarse troon bemachtigen. Maar zijn zoon ziet in 1304 echter van zijn aanspraken op de Hongaarse troon af en wordt na de dood van zijn vader in juni 1305 koning van Bohemen. Als hij op 4 augustus 1306 wordt vermoord, is er geen mannelijke opvolger meer voorhanden binnen het geslacht der Premysliden, dat sinds de 9de eeuw over Bohemen heeft geregeerd. Via intriges proberen allerlei buitenlandse partijen de hand op de Boheemse kroon te leggen, juist omdat het land nu zo machtig is geworden binnen het Europese staatsbestel.


Mede dankzij steun van de geestelijken uit het door Wenceslas II gestichte cisterciënzer klooster van Zbraslav bij Praag, kan keizer Henri/Heinrich VII zijn zoon Jean als nieuwe Boheemse koning naar voren schuiven, waarbij hij hem zal laten trouwen met Elisabeth van Premysl, zus van de vermoorde Wenceslas III.


Jan van Bohemen arriveert in 1310 als 14-jarige met een klein legertje in Praag. Het jaar daarop wordt zijn huwelijk met de vier jaar oudere Elisabeth voltrokken. Om als koning uit het Huis Luxemburg te worden geaccepeerd, heeft Jan flink wat concessies moeten doen aan de Tsjechische edelen.


Wanneer twee jaar later Jans vader sterft, erft hij de Luxemburgse gravenkroon. Als keizer van het Duitse Rijk kan hij pa echter niet opvolgen, want met 17 jaar is Jan wat te jong voor deze machtige positie.


Elisabeth krijgt in een tijdspanne van negen jaar vijf kinderen en die wachten allemaal een niet alledaagse toekomst. Margaretha (°1313) wordt uitgehuwelijkt aan hertog Heinrich XIV van Beieren. Bonne (°1315) wordt door Jean in 1332 op haar 17de als vrouw aangeboden aan Jean II de Valois, de man die vanaf 1350 zijn vader opvolgt als koning van Frankrijk en als Jean II le Bon de geschiedenisboeken zal halen. Dat ‘Bon’ wil hier zeggen ‘dapper’. Maar toch loopt het slecht af voor hem, hij eindigt als gevangene in Londen. Zoon Wenceslas (°1316) zal het onder de naam Karel van Bohemen veel verder brengen: eerst als opvolger van zijn vader tot graaf van Luxemburg en koning van Bohemen, vanaf 1353 Rooms-Duits keizer en bij dat alles een verlichte geest, die met de Italiaanse dichter Petrarca bevriend is en in Praag de eerste universiteit van het hele Duitse Rijk opricht. Ook de Praagse burcht Hradčany en de Sveti-Vituskathedraal worden tijdens zijn bewind gebouwd. De beroemde Praagse Karelsbrug, de Karlûv Most met de beelden, is naar deze Karel vernoemd. Dochter Anna (°1323) wordt uitgehuwelijkt aan Ladislaus, een zoon van koning Karel I van Hongarije. En ten slotte zoon Jan-Hendrik (°1322), die als markgraaf van Moravië over een deel van het Boheemse Rijk mag regeren.


Als Elisabeth in 1330 sterft, hertrouwt Jean de Bohème in 1334 met Béatrix, een dochter van hertog Louis I de Bourbon. Zij wordt de moeder van Wenceslas I van Luxemburg (°1335), die dankzij zijn halfbroer Karel IV in 1353 graaf van het graafschap Luxemburg zal worden – een gebied dat Karel als Duits keizer en Boheems koning best kan missen – en dat kort daarna door Karel tot hertogdom verheven zal worden.


Tot daar de familiekroniek, nu de politieke carrière van Jean de Bohème. Als nieuwbakken koning van Bohemen blijkt Jan geen zittend gat te hebben. Hij is voortdurend onderweg, zodat zijn Tsjechische onderdanen hun vorst zelden te zien krijgen en danig van hem vervreemden. Jan probeert zijn tweeledige rijk – Bohemen en Luxemburg – stelselmatig uit te breiden. Bohemen oostwaarts, waarvoor hij in de clinch gaat met koning Casimir III de Grote van Polen. Het levert hem in 1335 bij het verdrag van Visegrád de erkenning van zijn aanspraken op de troon van Silezië op, maar niet de Poolse kroon die Jans vader nog wel heeft gedragen. Als wederdienst staat hij Casimir bij in diens strijd tegen Litouwen om de opvolging in de vorstendommen Halicz en Wolynië.


In het westen tracht hij tussen 1324 en 1334 zijn uitvalsbasis Luxemburg te vergroten ten koste van het aangrenzende hertogdom Brabant, waar hij echter op een andere Jan stuit, hertog Jan III van Brabant. Jeans moeder Margaretha van Brabant mag dan een dochter van hertog Jan I van Brabant zijn, zo’n familieband is van geen enkel belang, Jan III geeft geen duimbreed toe. Er is al eerder strijd geleverd tussen Brabant en Luxemburg om het bezit van het hertogdom Limburg – rond het tegenwoordig Luiks-Waalse stadje Limbourg en met enclaves in het huidige Nederlands Limburg – maar dat is door hertog Jan I van Brabant in diens voordeel beslecht bij de beroemde slag van Woeringen in 1288, waarbij Jans grootvader is gesneuveld.


In de dagen van Jean de Bohème omvat het graafschap Luxemburg ongeveer de tegenwoordige Belgische provincie Luxemburg, het Groothertogdom, een deel van het huidige Duitsland en de streek rond de stad Thionville, die nu in Frankrijk ligt. Jean weet daar een deel van het aangrenzende graafschap Chiny aan toe te voegen, met name het gebied rond Montmédy. Virton en Orval, die het restant van het graafschap Chiny vormen, worden echter pas op 16 juni 1364 bij Luxemburg gevoegd, wanneer Jans zoon Wenceslas I die koopt van graaf Arnould van Looz.


In 1311 ontvangt Durbuy een stadscharter van Jean de Bohème als dank voor de steun bij zijn intocht in Praag bij aanvang van zijn Boheemse koningschap. Hier wordt dus de basis gelegd voor de faam van Durbuy als kleinste stadje van België. Marche is als stad aan de grens met zowel het toenmalige prinsbisdom Luik en het hertogdom Limbourg (dat sinds 1288 in bezit van de Brabantse hertogen was) van strategisch belang voor Luxemburg en krijgt op zijn beurt stadsrechten in 1327, tijdens Jeans pogingen om zijn graafschap uit te breiden ten koste van Brabant.


Om zich van machtige bondgenoten te verzekeren, associeert Jean zich met Ludwig IV de Beier. Die is naast hertog van Beieren vanaf 1314 ook Rooms-Duits keizer geworden na een verbeten strijd met de Habsburgse pretendent Friedrich der Schöne van Oostenrijk, die met de slag bij Mühldorf am Inn in 1322 in het voordeel van Ludwig beslecht wordt. Van 1331 tot 1333 wordt Jean voor Ludwig vicaris – plaatsvervanger - in Italië, waar Ludwig tegenpaus Nicolas V heeft aangesteld, nadat hij door paus Johannes XXII in de ban is gedaan. De Duitse keurvorsten ondersteunen Ludwig bij zijn stelling dat een rechtmatig gekozen Duitse koning geen pauselijke bevestiging nodig heeft om keizerlijke rechten uit te oefenen.


Toch verandert Jean stilaan van kamp en kijkt nu meer richting Frankrijk, waar koning Philippe VI van Valois aan de macht is, de schoonvader van zijn dochter Bonne.


Intussen krijgt Jean de Bohème zelf steeds meer last van een oogziekte, die hij heeft opgelopen bij zijn deelname aan de kruistochten tegen de Litouwers en vanaf 1339 wordt hij bijna blind en zal voortaan als Jean l’Aveugle door het leven gaan. Dat belet hem evenwel niet nog aan tornooien deel te nemen en de Franse koning in diens militaire campagnes actief bij te staan. Philippe VI is in 1328 probleemloos op de Franse troon gekomen als eerste koning uit het geslacht Valois. De Engelse koning Edward III heeft zelfs niet geaarzeld om hem als leenheer te erkennen voor de gebieden die de Plantagenets in Frankrijk in bezit houden. Maar Philippe reageert onvriendelijk, verbindt zich in 1336 met de Schotten en confisceert in mei 1337 Guyana, de Engelse kolonie in Zuid-Amerika. Daarop eist Edward de Franse troon op, wat het begin van de Honderdjarige Oorlog inluidt. De Engelsen vernietigen samen met de Vlamingen de Franse vloot in het Zwin bij Sluis in 1340.


In datzelfde jaar zorgt Jean dat de stad Luxemburg een nieuwe stadsmuur krijgt en verleent hij het recht tot het instellen van een jaarmarkt, die vanaf 23 augustus acht dagen mag duren, de zogeheten Schueberfouer (Schovenbeurs, de oogst is dan net binnen). Tot op vandaag bestaat die foor, nu als kermis.


Op 26 augustus 1346 verslaat Edward III het Franse leger bij Crécy. Tijdens die slag strijdt Jean de Bohème mee aan Franse zijde en wordt gedood. Zijn zoon Karel volgt hem zowel in Luxemburg als in Bohemen op.


Jans lichaam wordt begraven in het Alte Munster, de nu verdwenen oude abdij in Luxemburg. Later wordt het in een praalgraf bijgezet in de Sankt-Johannkirche van het Neu Munster, waaruit lichaam en praalgraf in 1946 zijn overgebracht naar het nieuwe deel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in de Luxemburgse hoofdstad, precies 600 jaar na Jans overlijden.