Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

KAREL VAN DE WOESTIJNE (1878-1929)

Borstbeeld in de Roostbaan (op de grens van  Meise en Grimbergen)

Beeldhouwer : Wilfried Pas

Karel van de Woestijne wordt op 10 maart 1878 geboren in de Sint-Lievensstraat (nu Sint-Lievenspoortstraat) te Gent. Zijn vader heeft in de jaren 1880 in de Sleepstraat 6 te Gent een koperslagerij. Wanneer de jongen 12 jaar is, overlijdt zijn vader. Moeder van de Woestijne neemt de leiding van het bedrijf in handen, Karel moet als oudste zoon zorgen dat zijn drie jongere broers Edward, Maurice en Gustave (de later bekende schilder Gustaaf van de Woestijne) het niet te bont maken. Voor Karel zelf wordt aan een behoorlijke opleiding gedacht, die begint met lager onderwijs aan het Institut Central, een Franstalige privéschool in hartje Gent. Hij krijgt thuis ook nog privéles van onderwijzer-dichter Pol Anri. Vanaf oktober 1889 start Karel van de Woestijne dan zijn middelbare opleiding aan het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht. Eerst tot 1892 in de moderne humaniora, maar dan een trapje hoger vanaf 1893 in de Grieks-Latijnse. Echt succesvol wordt dat niet, Karel zakt tot tweemaal toe voor het eindexamen. Was hij wellicht al te actief in de Vlaamsgezinde leerlingenkring De Heremans’ Zonen? Nadat hij dan maar lessen kunstgeschiedenis aan de Gentse tekenacademie gaat volgen, kan Karel van de Woestijne zich uiteindelijk in 1897 als vrij student Germaanse filologie inschrijven aan de Gentse Rijksuniversiteit, waar hij in contact komt met het Franse symbolisme, dat zijn eigen werk enige tijd zal beïnvloeden. Van de Woestijne wordt actief bij een resem literaire tijdschriften, zoals “Land en volk” van zijn vroegere privé-onderwijzer, “Neerlandia”, “Nieuw Leven” en zelfs een handvol bijdragen aan het Franstalige “La tribune artistique”. Tussen 1890 en 1901 is hij redacteur bij het gerenommeerde “Van Nu en Straks”, wat dan zijn tweede periode kent. .


Van april 1900 tot februari 1904 en van mei 1905 tot oktober 1906 verblijft Karel in Sint-Martens-Latem, dat dan al is uitgegroeid tot een kunstenaarsdorp. Van de Woestijne’s Laethemse brieven over de lente van 1901 wordt beschouwd als zijn officiële debuut. Uit de Latemse periode stammen ook de symbolisch impressionistische gedichten Het vaderhuis (1903) en De boomgaard der vogelen en der vruchten (1905) en het essay De Vlaamsche primitieven en hoe ze waren te Brugge (1903).


Op 13 februari 1904 trouwt Karel van de Woestijne met Mariette van Hende, een vrouw die hij in de Nederlandse Schouwburg van Gent heeft ontmoet. Daar komen twee kinderen van. Al meteen in 1904 een zoon Paul, maar dan is het wachten tot 1919 voor er een dochter aan toegevoegd wordt. Intussen vindt vader Karel toch tijd voor een redacteurschap bij het tijdschrift “Vlaanderen” (1903-1907), waarvan hij in 1906 zelfs redactiesecretaris is. Het jonge paar is in 1904 gaan wonen in de Prins Albertstraat in Sint-Amandsberg, maar omwille van gezondheidsredenen verhuist het gezin een jaar later naar Lathem, waar Karel dus al eerder alleen had gewoond.

Het zal geen lang verblijf zijn in Latem, eind 1906 worden de koffers opnieuw gepakt omdat Karel van de Woestijne naar Brussel wil verhuizen, omdat hij daar dan correspondent is geworden van het Nederlandse dagblad "Nieuwe Rotterdamsche Courant" (thans NRC-Handelsblad), waarvoor hij onder andere bijdragen zal leveren over de Gentse wereldtentoonstelling van 1913.


Het prozawerk Janus met het dubbele voorhoofd (1908), de symbolisch-impressionistische dichtbundel De gulden schaduw, het essay Kunst en geest in Vlaanderen (1911) en de epische poëzie uit Interludiën I & II (1912 en 1914) vallen in deze Brusselse periode. Voor dat laatste werk krijgt hij zowel de August Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde als in 1920 de driejaarlijkse Staatsprijs voor Nederlandse Letterkunde.

Tijdens het intermezzo van de Eerste Wereldoorlog beschrijft Karel van de Woestijne op 17 oktober 1914 voor de NRC de toestand in de streek rond Grimbergen. Hij woont dan nabij de kadettenschool in Laken en maakt flinke wandelingen langs de Plantentuin van Bouchout naar Grimbergen. Met name beschrijft hij de vernielingen in de Roost, een gebiedje op de grens van Meise en Grimbergen, waar hij op zoek is gegaan naar een klein huisje om na de oorlog te kopen. Het is in de straat met die naam, Roost, dat op initiatief van de Marnixkring Drijpikkel uit Grimbergen in 1992 een borstbeeld van Karel van de Woestijne wordt opgericht. In 1915 verhuist Karel van de Woestijne voor een korte periode naar Pamel, waar hij samen met Herman Teirlinck aan de brievenroman De leemen torens werkt, die echter eerst in 1928 wordt uitgegeven.


Als de oorlog voorbij is, wordt Karel van de Woestijne ambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs. Hij publiceert in 1918 zowel Goddelijke verbeeldingen als De bestendige aanwezigheid, twee prozawerken, waarvan in het laatste zijn bekend geworden verhaal De boer die sterft uit is opgenomen. Nadat er aan de Gentse Rijksuniversiteit een dispuut is ontstaan rond de leerstoel Nederlandse literatuur, kan Karel daarvan profiteren door zich kandidaat te stellen voor die positie. Hij verhuist in 1920 alvast naar Oostende, maar het duurt toch nog tot 1921 voordat hij effectief  benoemld wordt tot docent Nederlandse literatuurgeschiedenis aan de Gentse Rijksuniversiteit. Maar omdat het reizen met de trein tussen Oostende en Gent hem omwille van een wat zwakkere gezondheid wat zwaar wordt, verhuist de familie voor de zoveelste maal, dit keer naar Zwijnaarde, waar het gezin Van de Woestijne de villa La Frondraie aan de Oude IJzerenweg (nu Leebeekstraat) betreft. Daar overlijdt Karel van de Woestijne op 24 augustus 1929, waarna hij nogmaals verhuist, ditmaal definitief naar het Campo Santo in Sint-Amandsberg, perk F, kelder 117.


In deze laatste episode van zijn leven verschijnt het spiritualistische drieluik De modderen man (1920) – God aan zee (1926) – Het bergmeer (1928) en de episch-poëtische bundel Zon in de rug (1924), waarvoor Karel de jaarlijkse Staatsprijs voor Nederlandse Letteren zal ontvangen en welke trilogie in 1942 wordt gebundeld als Wiekslag aan de kim. Postuum worden nog uitgegeven De Nieuwe Esopet (1933) met tekeningen van Jozef Cantré, Over schrijvers en boeken (1933-’36), Nagelaten gedichten (1943) en zijn journalistieke bijdragen als correspondent van de NRC in 15 delen tussen 1986 en 1995. Ook postuum is aan Karel van de Woestijne in 1930 de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde toegekend.


Opmerkelijk binnen Van de Woestijne’s oeuvre zijn ook zijn opstellen over Gentse kunstenaars, waarin hij veel Gentse couleur locale verwerkt. Zo heeft hij geschreven over Georges Minne, Théo van Rysselberghe, Jules De Bruycker en Albert Baertsoen, maar ook over de in het Frans schrijvende Gentenaars als Maurice Maeterlinck, Charles van Lerberghe en Franz Hellens. Karel bekeek het dus niet met een enge bril, ook al was hij overtuigd Vlaming.

Dat laatste vond ook de Marnixkring Drijpikkel uit Grimbergen, die in 1992 het borstbeeld van Karel aan de Rooststraat in Meise laat realiseren door beeldhouwer Wilfried Pas en daar ook een Karel van de Woestijne-wandelroute aan vastknoopte door Meise en Grimbergen. Wie echter vrijwel àlles wil te weten komen over Karel van de Woestijne, kan sinds oktober 2010 terecht in het standaardwerk dat Peter Theunynck na vijf jaar intensief bronnenonderzoek over hem schreef en dat is uitgegeven bij Meulenhof-Manteau.



Borstbeeld Karel van de Woestijne  

© foto: Vera Seppion