Frits Schetsken

Kunstschatkist

Toermalijn

Bollebooswicht

Kunstschuimer

Kunstspotter

FLOR VAN REETH (1884-1975)

De op 2 april 1884 in Antwerpen geboren Flor Van Reeth zou liever schilder van mystiek-symbolisch werk zijn geworden, maar zijn vader verplicht hem voor de architectuur te kiezen. Dat gebeurt dan in 1900 met avondlessen aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waar Flor les krijgt van Pieter Dens, Jules Bilmeyer en Eugeen Geefs, drie namen die hun sporen in het Antwerpse patrimonium hebben nagelaten. In 1903 gaat Van Reeth zich verder bekwamen in het atelier van de Borgerhoutse architect Frans Mertens. Daarna gaat hij in Boechout wonen, waar hij stichtend lid wordt van de lokale kunstkring ‘Streven’. Die komt samen in een oude jongensschool annex ex-gemeentehuis en de verbouwing daarvan tot herberg met feestzaal ‘De Teniersvrienden’ wordt in 1905 de eerste opdracht voor de nieuwbakken architect.


Al bij zijn eerste opdrachten hanteert Flor Van Reeth een regionale stijl, geboetseerd op de Vlaamse volksaard en geïnspireerd door de Engelse Arts & Crafts beweging, waarmee hij in 1906 in contact komt door zijn lidmaatschap van kunstkring ‘De Scalden’, ontstaan in 1889 in het milieu van Antwerpse academiestudenten. Arts & Crafts betekent een terugkeer naar het ambachtelijke, waarin de maker zijn ziel heeft kunnen leggen. Het is een reactie op het anonieme massaproduct van de industrie, waar de arbeider niets meer van zichzelf in terugvindt. En die industrie is een voortvloeisel uit het liberaal kapitalisme, terwijl een ambachtelijk voorwerp verwijst naar de middeleeuwse christelijke samenleving. En door de persoonlijke inbreng van de ambachtsman, komt zo'n product op gelijke hoogte met kunst: 'arts' naast 'crafts'.  


Op 12 mei 1906 is Flor Van Reeth aan het schilderen in het Lierse begijnhof, wanneer Felix Timmermans daar passeert. Ze raken in gesprek, want kort tevoren heeft Flor een gedicht van ene Holierondijn uit Lier gelezen en hij wil weten of zijn gesprekspartner hem kent. Dat blijkt een werkstuk van Timmermans zelf te zijn. En die refereert op zijn beurt aan een schilderij met het ontwerp van Het Ideale Huis, dat hij op een tentoonstelling van 'Streven' in Boechout heeft gezien. Nu maakt Van Reeth zich bekend als de schilder-architect, waarna de twee kunstbroeders vrienden voor het leven worden. Samen ondernemen ze in augustus 1907 een studiereis langs Vlaamse begijnhoven om de mystiek daarvan te voelen.


Flor is samen met Eugeen Yoors in 1908 ook even betrokken bij een kabbalistisch genootschap ‘Confrérie rosicrucienne La Rose’, ofwel de Rozenkruisers, genoemd naar de mythische figuur van Christian Rosenkreutz, die in de veertiende eeuw geleefd zou hebben. Doel is het bereiken van een perfecte geestelijke en morele staat. Belangrijker is evenwel zijn betrokkenheid bij het in datzelfde jaar 1908 door drukker Dirk de Vos opgerichte tijdschrift ‘De Bouwgids’, waarin jonge architecten regionale bouwstijlen verdedigen in plaats van het overnemen en mengen van allerhande internationale invloeden. Het blad leunt aan bij de Arts & Crafts-beweging.  


In 1909 bouwt Van Reeth zijn eerste eigen huis, ‘De Witte Vaes’ aan de Kapellelei 32 in Mortsel. Het worden meteen drie soortgelijke woningen bijeen, want naast zijn eigen huis heeft Flor het jaar tevoren villa ‘Greta’ (nr.34) voor beeldhouwer Floris De Cuyper gebouwd en nog in 1909 volgt ‘Schilderslust’ (nr.36, thans ‘’t Hageroosje’) voor kunstschilder Edward Daems, twee van zijn vrienden. De naam van Flors woning is ontleend aan een novelle van Timmermans met die titel uit diens werk ‘Schemeringen van de dood’, het huis is bovendien helemaal wit gekalkt en als de architect in 1912 trouwt met Mathilde Faes is de verwijzing echt compleet. Uit dat huwelijk zullen drie kinderen voortkomen.


Een jaar later sticht hij samen met glaskunstenaar Eugeen Yoors ‘Le scarabée d’Or, werkstede voor bouw- en versieringskunst’. Wellicht gaat de naam terug op het verhaal ‘The golden beetle’ van Edgar Allen Poe, dat als ‘Le scarabée d’Or’ is vertaald door Charles Beaudelaire of de gelijknamige film van Ferdinand Zecca uit 1907, waar het in beide gevallen om het zoeken naar een mysterieuze schat gaat.

Van Reeth wordt in Mortsel benoemd tot gemeentelijk architect, maar is nogal strikt waar het om het naleven van de bouwreglementen gaat en dat leidt al snel tot conflicten. Hij neemt daarom plots ontslag en vertrekt naar Antwerpen.


Jammer genoeg is het huis dat Van Reeth rond 1912 bouwde voor bankier Herman Deckers aan de

Frans Seghersstraat in Boechout afgebroken, want juist daar waren de invloeden van de Wiener Secession zichtbaar, waardoor Flor de kritiek kreeg, dat hij de pure Vlaamse inspiratie laat varen.  


Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijkt Van Reeth naar Engeland uit, waar hij in direct contact komt met het tuinwijk-idee in Letchworth ten noorden van Londen. Hij was al bekend met deze stijl uit de publicaties daarover, maar hij kan nu persoonlijk een van beide architecten van deze tuinwijk ontmoeten, Raymond Unwin. Die laat hem tot zijn grote verbazing een stapel foto’s zien van Vlaamse begijnhoven, die hem kennelijk een stuk inspiratie hebben opgeleverd.

Na die oorlog zal Flor Van Reeth zijn hier opgedane ideeën kunnen realiseren, mede door het South-Australian Belgian Relief Fund, een steuncomité uit de deelstaat Zuid-Australië, dat 200.000 frank beschikbaar stelt. In 1921 ontwerpt Van Reeth samen met Jef Huygh, Maurice Dieltiens en Jan Smits die Zuid-Australië-wijk in een regionale stijl, die enigszins op de Vlaamse begijnhoven was geïnspireerd. Hoewel nog steeds van de Zuid-Australiëwijk wordt gesproken, heeft die vandaag niets meer te maken met Van Reeths ontwerp. Zijn tuinwijk is in de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest door inslag van twee V2-raketten.


In 1924 sticht Flor Van Reeth samen met Felix Timmermans en Ernest Van der Hallen de kunstenaarsgroep ‘De Pelgrim’. Zij willen als reactie op de 19de-eeuwse neo-stijlen een eigentijdse katholieke Vlaamse kunst creëren en dat maakt Flor Van Reeth tot vernieuwer van de katholieke kerkenbouw. De Pelgrim-gedachte resulteert in 1928 in de bouw van de kapel in de Antwerpse Sint-Ludgardisschool, een vermaarde Vlaamsgezinde instelling met in het bestuur Maria-Elisabeth Belpaire, Frans Van Cauwelaert en Lieven Gevaert. Flor werkt hier samen met glazenier Eugeen Yoors, die het fameuze kruisvisioen van Lutgard in glas laat herleven. Een uitgebreidere opdracht volgt in 1930-'31 met de Boodschapkapel van het Heilig Hartinstituut van de zusters annutiaten in Heverlee. Van Reeth werkt daar samen met Eugeen Yoors, Albert Servaes (kruisweg) en Rie Haan (art deco-smeedwerk). Kardinaal Van Roey wijdt deze kapel op 4 oktober 1932 niet bijster enthousiast in.

In dezelfde stijl volgt een jaar later de kapel van het Antwerpse Sint-Lievenscollege, een door industrieel Lieven Gevaert gefinancierd scholenproject, dat als het ware een stenen manifest voor de Vlaamse beweging is. Dan volgen nog in 1933 de Sint-Jozefkerk in Deurne aan de Boekenberglei, waar Flor Van Reeth intussen is gaan wonen pal naast collega Jef Huygh, die hoofdarchitect van deze kerk is. Voorts de Sint-Walburgiskerk in de Volkstraat op het Antwerpse Zuid (1936), waarvan de stijl vaak als 'Nieuwe Zakelijkheid' wordt betiteld, omdat die veel wegheeft van het bouwen van de Nederlander Willem Dudok.


Intussen heeft Flor Van Reeth in 1925 al een prijs gekregen op de beroemde Parijse tentoonstelling Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes over toegepaste kunsten.


Nog net voor Wereldoorlog II kan Van Reeth aan de nooit geheel voltooide Heilig-Hartkerk in Lier beginnen, weer in samenwerking met Eugeen Yoors, althans dat was de bedoeling. Uiteindelijk zijn de ontwerpen van Yoors vervangen door ramen van Jan Huet. Mede onder invloed van Henry Van de Velde evolueert Flor Van Reeth stilaan naar een steeds modernistischer stijl, terwijl zijn ultieme droom, een Kathedraal voor de Wereldvrede, nooit verder dan de tekentafel is gekomen. Zijn laatste levensjaren heeft deze belangrijke architect in rusthuis Sint-Jozef te Lier doorgebracht, waar hij nog als 89-jarige acteur aan een surrealistische film heeft meegewerkt, om twee jaar later op 21 maart 1975 te overlijden.


Oeuvre (onvolledig):

Boechout

1905-1907

Herberg De Teniersvrienden – verbouwing gemeenteschool (nu: café De Valk).

Sint-Bavoplein 16, Boechout.

1908

Woning De Maretak – verbouwing 19de-eeuwse woning in lichte art nouveaustijl met arts & crafts decoraties.

Vleminckveld 27, Antwerpen.

I.o.v. advocaat – en latere kunsthistoricus – Jozef Muls.

1908

Villa Greta – landhuis met atelier in cottagestijl.

Kapellelei 34, Mortsel.

I.o.v. beeldhouwer Floris De Cuyper.

1908-1909

Landhuis De Witte Vaes – cottagestijl, eigen woning van de architect.

Kapellelei 32, Mortsel.

1909

Villa Schilderslust, later Hageroosje – landhuis in cottagestijl.

Kapellelei 36, Mortsel.

I.o.v. kunstschilder Edward Daems.

1911

Woning Delgoffe – verbouwd in 1927 door Walter Van Kuyck voor Eric Sasse.

Jan Van Rijswijcklaan 119, Antwerpen-Kiel.

I.o.v. Arthur Delgoffe.

1912

Woning Het Angelus – met Wiener Secession-invloeden (nu: afgebroken).

Frans Seghersstraat, Boechout.

I.o.v. bankier Herman Denkers.

1919-1922

Tuinwijk Batavia – 20 van de 200 woningen.

Ardooisesteenweg en Mandellaan, Roeselare.

  I.o.v. Dienst der Verwoeste Gewesten.

1921-1923

Tuinwijk Zuid-Australië – 73 woningen in regionale stijl met inspiratie van de Vlaamse begijnhoven,  in WO II getroffen door twee V2’s en daarom nadien volledig gesloopt. Gebouwd met steun van een Australisch hulpcomité (nu: nieuwe tuinwijk anno 1953-1963).

Toen gesitueerd rond Adelaidaplein, nu nabij Zuid-Australiëlaan, Lier.

I.o.v. Liersche Maatschappij voor Goedkoope Woningen.

I.s.m. architecten Jef Huygh, Maurice Dieltiens en Jan Smits.

1923

Woning Everaerts.

Boekenberglei 180, Deurne-Zuid.

1923-1924

Eigen architectenwoning – in Wiener Secession art decostijl.

Boekenberglei 178, Deurne-Zuid.

1924

Eclectische burgerwoning – verbouwing.

Kleine Beerstraat 25, Antwerpen-Zurenborg.

I.o.v. M. Macar.

1928

Sint-Lutgardiskapel in Sint-Lutgardisschool.

Maarschalk Gérardstraat  18, Antwerpen.

I.s.m. glaskunstenaar Eugeen Yoors.

1929-1932

Christus-Koningkapel in Sint-Lievensschool.

Kasteelpleinstraat 17-31, Antwerpen.

I.s.m. glaskunstenaar Eugeen Yoors.

1930-1932

Boodschapkapel in Heilig Hartinstituut Zusters Annuntiaten.

Naamsesteenweg 355, Heverlee

I.s.m. glaskunstenaar Eugeen Yoors, Rie Haan (smeedwerk), schilder Albert Servaes (kruisweg).

1937-1938

Sint-Walburgiskerk.

Volkstraat 41 / Karel Rogierstraat 12, Antwerpen-Zuid.

I.s.m. Eugeen Yoors, Leon Vingerhoets, J. Weygant (glasramen), Simon Goossens (reliëfs), Rie Haan (altaar).

I.o.v. pastoor Van Hoeck.

1937-1939

Heilig Hartkerk.

Antwerpsesteenweg 78, Lier.

I.s.m. beeldhouwer Karel Aubroeck.

1938-1940

Bisschoppelijk Sint-Aloysiuscollege – feestzaal, kapel, traphal in Nieuwe Zakelijkheidstijl (nu: kapel vooral als turnzaal gebruikt).

Weggevoerdenstraat 55, Ninove.

I.s.m. glaskunstenaar Eugeen Yoors, architect Roger Cassiman, broeder Urbain Van Mechelen (altaar).

1939-1945

Preventorium Sint-Jozef.

Reebergenlaan 4 / Kievitslaan, Pulderbos.

1940-1945

Sanatorium Mont-Sur-Meuse – reconstructie Sint-Theresiagebouw na oorlogsbombardement (nu: kliniek CHU Dinant-Godinne)

Avenue G. Thérasse 1, Yvoir.

I.o.v. Zwartzusters van Dendermonde, ingehuldigd door koningin Elisabeth.