  Het Stille Pand (2006-2021)   Het Stille Pand (2006-2022)   Het Stille Pand (2006-2023)   Het Stille Pand (2006-2024)
Rose Vandewalle aantekeningen bij een schildersleven
Anita Vandamme. Aantekeningen bij een schildersleven Eind jaren zestig leer ik Anita Vandamme kennen in Leuven, waar ik (Rose Vandewalle) een tijd woonde en werkte. Het waren boeiende ontmoetingen. De tijd is ons vooruit gesneld. Al is het lang geleden dat ik haar nog gezien heb, ze is niet uit mijn geheugen. Onlangs is ze er tachtig geworden. Ik moet haar absoluut eens terug gaan opzoeken. In afwachting daarvan roep ik herinneringen op, diep ik de gegevens op die me met veel zorgvuldigheid werden aangereikt. Stof tot verhaal. Door de woorden heen, hervind ik haar: de bevlogen artieste, de vrouw bruisend van ideen, van inspiratie, de feministe. De woorden komen nu vanzelf. Bij de dood van haar vader (1954), staat haar besluit vast: ze wil schilder worden. Al kan ze dat besluit niet meteen waarmaken, de passie staat al recht. In 1956 trekt ze naar Parijs om er de retrospectieve van Matisse te gaan bekijken. De vlam slaat in de pan. Ze schaft zich kunstboeken aan ook al is het aanbod in die jaren nog karig, ze koopt schildersmateriaal en begint te experimenteren met olieverf. Tegelijk schuimt ze de grote musea af zo ook de weinige galerijen die er in die tijd, vooral in Brussel dan, al waren. Als een magneet voelt ze zich aangetrokken. Ze leest veel. Lectuur is naar eigen zeggen ‘een stimulans maar niet de waarheid, de waarheid moet je zelf ontdekken. De meeste mensen vormen zich geen eigen mening, ze nemen aan wat hen wordt voorgekauwd’. Leuven is voor haar ‘een dood gat’, daar valt in de vijftiger en vroege zestiger jaren weinig of niets te beleven. Als vrouw had je het in die tijd ook niet voor het zeggen. Voor de media bestond je nauwelijks. Maar het feminisme kwam eraan en bij het doorbreken ervan, veranderde er meteen heel veel. Eindelijk krijgt de vrouw een eigen podium. De kunstenares Anita Vandamme trekt naar Eindhoven, Den Haag, Amsterdam, steeds weer op zoek naar andere visies, uitdrukkingsmogelijkheden. In Amsterdam zijn er begin jaren zeventig al heel wat interessante galerijen. Nederland is op het gebied van moderne kunst in die tijd namelijk erg vooruitstrevend. Het Stedelijk Museum boeit haar zeer, ook al omdat het ’s avonds open blijft. In 1962 trekt ze naar Comacina (eiland in het Italiaanse Como-meer). Ze had gelezen dat kunstenaars konden kandideren voor een residentie aldaar. Comacina was toen nog weinig bekend, Vandamme was een van de eersten die er heen kon. Het eigendom was op dat ogenblik nog in verval: er stonden drie villa’s in eerder belabberde toestand. Ook was daar in haar ogen ‘weinig anders te zien dan water en een oever met gras’. Ze heeft er niettemin geschilderd en mooie tekeningen gemaakt in Oost-Indische inkt. Datzelfde jaar nog trekt ze naar Salzburg om er de befaamde cursus Schule des Sehens van Oskar Kokoschka te gaan volgen. Net tevoren heeft ze in Oostduinkerke haar eerste schilderijen tentoongesteld. Dat wordt een succes. Met de opbrengst ervan kan ze haar reis en verblijf van twee maanden in Salzburg bekostigen. Ter plaatse koopt ze haar eerste tubes Schmincke aquarelverf en leert er vrij schilderen met aquarel op papier. Aquarel wordt voortaan haar geliefd medium. Het aquarelleren zal later qua kleurgebruik invloed hebben op haar olieverfschilderijen. Kokoschka zelf is op dat moment al een stuk in de zeventig en wereldberoemd. Daar gedraagt hij zich ook naar. In de ruimte waarbinnen een twintigtal kunstenaars cursus volgen, richt hij zich meestal uitsluitend tot één persoon en dat bleek dan het vaakst Anita Vandamme te zijn. Of ze genspireerd uit Salzburg is teruggekeerd? Zeer, zeer genspireerd! Meer zelfs, dit is voor haar een openbaring vooral vanuit technisch oogpunt en tegelijk is het de aanzet tot uiterst vruchtbare jaren. Definieerde ze zichzelf voorheen als liefhebber, de cursus bij Kokoschka bezorgt haar het heilige vuur, niet in het minst vanwege haar contact met andere artiesten aldaar, immers in Salzburg komt ze terecht in een bont internationaal gezelschap vooral Duitsers dan, die op hun goede academies wel een en ander hebben opgestoken. Er waren ook al enkele Amerikanen bij. Maar bovenal is er haar wil tot uitdrukking. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Eind jaren zestig trekt ze naar Portugal, meer bepaald naar Sesimbra, in het district Setubal. Ze tekent er het vissersleven in voornamelijk rood en blauw potlood, sterk figuratieve schetsen op groot formaat. Ook schildert ze aquarellen die de dichter Pieter G. Buckinx zal bestempelen als de uitdrukking van een nieuwe potische visie en een belangrijk keerpunt in haar evolutie. Volgen dan de voor haar uiterst vruchtbare jaren zeventig. Ze trekt onder andere naar de Parijse academie La Grande Chaumière. Beroemde kunstenaars zoals Ossip Zadkine gaven daar les. Ook Vandamme volgt daar les, al is het niet bij Zadkine. Hier krijgt ze de gelegenheid om naakt naar het model te schilderen, een kans die ze met beide handen aangrijpt. Ze maakt er enkele goede naakten. In die tijd was de viltstift in opkomst. Daarmee kon je snel en proper werken, dat was wat anders dan de flowmaster uit de jaren vijftig. Een keer ze viltstift begon te gebruiken, is ze nooit meer teruggekeerd naar houtskool. Anita Vandamme gaat veel op reis en na elke reis komt ze al even genspireerd terug. Op reis maakt ze onveranderlijk schetsen met Contékrijt of met aquarel. Het zuiden van Frankrijk en Griekenland trekken haar bijzonder aan: de zon, het licht, de warmte. Frankrijk trouwens nog meer dan Spanje. En Griekenland voor het licht. Dat Griekse licht heb je volgens haar niet op Kreta. Dat licht is met niets te vergelijken. Ook kunsthistorisch gezien kan je niet anders dan Griekenland indrukwekkend vinden. Het is de bakermat van de geschiedenis. De jaren 1974-1975 trekt ze naar Amsterdam. Ze werkt daar in Het Drukhuis, een gemeenschap van drie Amsterdamse artiesten die hun persen hebben samengevoegd. Ze experimenteert er voor het eerst met drukinkt, wat in 1975 zou leiden tot de aanschaf van een lithopers. In de tweede helft van de jaren zeventig zal ze naar het Frans Masereelcentrum trekken, ze maakt daar volgens de klassieke regels een litho, maar is daar niet zo tevreden over. Daarop gaat ze diezelfde techniek vrij gaan gebruiken, niet als reproductie- maar als autonome techniek. En dat zet heel wat in gang. De techniek van de lithografie gaat ze toepassen bij het maken van monotypes, waarbij ze inkt gebruikt in plaats van verf. Ze maakt dus niet langer afdrukken. Ook dat is voor haar een keerpunt. In die periode schildert ze haast niet meer, tenzij dan de aquarellen die ze in de straten van Amsterdam maakt. Lithografie zal ze dan voornamelijk in de jaren tachtig gaan beoefenen. Anita Vandamme is zowat een Einzelgänger, voelt geen duidelijke verwantschap met andere kunstenaars, al herkent ze bepaalde invloeden van de abstracten uit de jaren vijftig. Als lid van de Deutsche Bibliothek te Brussel komen haar degelijke kunstboeken onder ogen. Ze is gebiologeerd door de Duitse kunst en merkt dat daar erg goede abstracten tussen zitten. Hann Trier bijvoorbeeld en anderen die hier minder bekend zijn. In Dsseldorf is het in die tijd al abstractie wat de klok luidt. Ze trekt vaak naar Dsseldorf. De Amerikaanse Abstractie leert ze even later kennen, ook die heeft haar benvloed. Met verloop van tijd is ze trouwens zelf en vanzelf abstract geworden. Ze refereert graag naar het Tachisme van Georges Mathieu. In de jaren tachtig gaat ze acrylverf gebruiken, voor haar een materie tussen olieverf en aquarel in, ook dat is voor haar een ware ontdekking. Daar is ze grote schilderijen mee gaan vervaardigen. Ook al hield ze enkele bijzonder geslaagde tentoonstellingen, heeft ze zelf nooit veel moeite gedaan om met haar werk naar buiten te komen. ‘Ik moest schilderen’, legt ze uit. ‘Zij die veel exposeren, werken niet veel. Neem dat van mij aan’. Rose Vandewalle en Eva Leclercq Gepubliceerd in De Vallei XVI, oktober 2013. Foto’s: archief Eva Leclercq.
Anita Vandamme en Oskar Kokoschka
Als ik niet schilderen zal mag en kan zal ik opbranden verteren als een brandend braambos maar wie zal de stem horen als het vuur zingt? Ik voel me anders dichter bij bomen en wortels niet bij de mensen Anita Vandamme